Commissie voor Energie, Leefmilieu en Klimaat

Commission de l'Énergie, de l'Environnement et du Climat

 

van

 

Dinsdag 29 september 2026

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 29 septembre 2026

 

Matin

 

______

 

De openbare commissievergadering wordt geopend om 10.03 uur en voorgezeten door de heer Axel Weydts.

La réunion publique de commission est ouverte à 10 h 03 et présidée par M. Axel Weydts.

 

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

 

01 Gedachtewisseling met de minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie, belast met Duurzame Ontwikkeling over de klimaatweerbaarheid van België naar aanleiding van de hittegolven, de droogte en de natuurbranden van deze zomer en toegevoegde vragen van

- Sam Van Rooy aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De grote brand in de Hoge Venen" (56018675C)

- Jeroen Van Lysebettens aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De coördinatie en de opvolging van het Cerac-rapport" (56018721C)

- Patrick Prévot aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De hittegolf en het interfederaal plan inzake extreme weersomstandigheden" (56018754C)

- Patrick Prévot aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De brand in de Hoge Venen" (56018755C)

- Sarah Schlitz aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De klimaaturgentie na de hittegolven en de verwoestende bosbranden" (56018796C)

- Jeroen Van Lysebettens aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De 6 miljard euro die het uitblijven van een klimaatbeleid ons kost" (56019348C)

- Phaedra Van Keymolen aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De economische impact van extreme hitte" (56019451C)

- Marc Lejeune aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De hittegolven en de brand in de Hoge Venen" (56019461C)

- Roberto D'Amico aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De hittegolf, de brand en het plan van aanpak van de minister bij extreme weersomstandigheden" (56019480C)

01 Échange de vues avec le ministre de la Mobilité, du Climat et de la Transition environnementale, chargé du Développement durable sur la résilience climatique de la Belgique, à la suite des canicules, de la sécheresse et des feux de forêt de cet été et questions jointes de

- Sam Van Rooy à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "Le grand incendie dans les Hautes Fagnes" (56018675C)

- Jeroen Van Lysebettens à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "La coordination et le suivi du rapport du Cerac" (56018721C)

- Patrick Prévot à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "La canicule et le plan interfédéral sur les phénomènes météorologiques extrêmes" (56018754C)

- Patrick Prévot à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "L’incendie dans les Hautes Fagnes" (56018755C)

- Sarah Schlitz à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "L'urgence climatique après les canicules et les feux de forêt dévastateurs" (56018796C)

- Jeroen Van Lysebettens à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "Les 6 milliards d'euros que nous coûte l'absence de politique climatique" (56019348C)

- Phaedra Van Keymolen à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "L'impact économique de la chaleur extrême" (56019451C)

- Marc Lejeune à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "Les canicules et les feux dans les Fagnes" (56019461C)

- Roberto D'Amico à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "La canicule, l'incendie et le plan du ministre pour faire face aux évènements climatiques extrêmes" (56019480C)

 

De voorzitter: We starten de vergadering vandaag met een actualiteitsdebat over de brand in de Hoge Venen.

 

Ik stel volgende werkwijze voor. Aangezien het om een gedachtewisseling gaat, komen de sprekers aan de beurt volgens de grootte van de fractie waartoe ze behoren.

 

De spreektijd per fractie bedraagt 10 minuten. Als een spreker wat meer tijd neemt, dan zal ik hem of haar niet het woord afnemen; sommige fracties hebben nu eenmaal meerdere vragen ingediend, terwijl andere fracties geen vragen hebben ingediend. Ik zal dus coulant zijn wat de spreektijd betreft. Ik vraag u wel om voor de goede gang van zaken, u te richten op een spreektijd van 10 minuten.

 

Belangrijk om te vermelden is ook, collega's, dat de mondelinge vragen die zijn ingediend over het thema, als beantwoord zullen worden beschouwd na de gedachtewisseling. Gelieve ze dus ook op te nemen in uw betoog van 10 minuten.

 

Kan iedereen akkoord gaan met die werkwijze? (Instemming)

 

01.01  Katrijn van Riet (N-VA): Mijnheer de minister, in de voorbije zomermaanden kregen we te maken met aanhoudende droogte, zware hitte en uiteindelijk de grote natuurbrand in de Hoge Venen. Dat heeft veel mensen geraakt, gezondheidsproblemen veroorzaakt, schade aangericht en onze hulpdiensten zwaar belast. Laten we daarom eerst stilstaan bij iedereen die daarvan de gevolgen heeft gedragen. Ik maak van de gelegenheid gebruik om onze dank uit te spreken aan de hulpverleners, de zorgverleners, de brandweerlieden en alle vrijwilligers die zich in die moeilijke omstandigheden hebben ingezet.

 

Het is duidelijk dat we onze weerbaarheid verder moeten versterken. De vraag is vooral hoe we dat verstandig doen, wat er vandaag al bestaat en waar precies we nog moeten bijsturen. Klimaatverandering is namelijk niet alleen een milieuvraagstuk. Ze raakt ook aan de openbare veiligheid, het crisisbeheer en de weerbaarheid van onze infrastructuur. De brand in de Hoge Venen heeft dat heel concreet aangetoond, spijtig genoeg.

 

In het regeerakkoord hebben we ons expliciet geëngageerd rond klimaatadaptatie  waarbij we samen met de gewesten bekijken waar bijkomende inspanningen nodig zijn, een interfederaal actieplan rond extreme weersomstandigheden uitwerken, BE-Alert evalueren, de inzet van federale gebouwen tijdens langdurige hitte onderzoeken en Defensie sneller inschakelen bij grote natuurrampen.

 

In maart werden ook nieuwe klimaatprojecten met federale ETS-middelen goedgekeurd. Voor FIRE4BE was 850.000 euro voorzien, onder meer voor risicomodellering, het in kaart brengen, detecteren van en waarschuwen voor natuurbranden.

 

Tijdens de hittegolf heeft het bestaande systeem gewerkt. Uit de eerste evaluatie van de Risk Management Group blijkt dat het ozon- en hitteplan tijdig werd geactiveerd en dat de druk op de spoeddiensten en ziekenhuizen werd opgevolgd. Tegelijk kwamen verbeterpunten naar voren: kwetsbare groepen beter bereiken, noodcentrales voorbereiden op pieken en meer duidelijkheid scheppen over koele ruimtes en de rolverdeling tussen overheden. Welke daarvan zijn ondertussen concreet opgenomen in uw hitteplan?

 

Na de brand in de Hoge Venen besliste de regering op 18 september om een actieplan uit te werken voor de nationale operationele capaciteit voor natuurbrandbestrijding. Er gebeurt dus al behoorlijk wat. Misschien is de vraag vandaag zelfs niet zozeer of er nog plannen en structuren nodig zijn, maar vooral of we voldoende overzicht hebben over wat er allemaal bestaat en hoe dat in elkaar grijpt. Er lopen immers heel wat sporen naast elkaar.

 

We hebben 28 federale adaptatiemaatregelen, het federale luik van het Nationaal Energie- en Klimaatplan (NEKP) en de voorbereiding van een nieuw nationaal adaptatieplan. Daarnaast zijn er bredere plannen waarin klimaatweerbaarheid terugkomt, zoals het NEHAP3 (National Environment-Health Action Plan) rond leefmilieu en gezondheid, het ozon- en hitteplan en het Federaal Plan voor Duurzame Ontwikkeling (FPDO).

 

Vergeten we evenmin het Cerac met de Belgian Climate Risk Assessment, het KMI, het Belgisch Klimaatcentrum, de nationale risicoanalyse van het Crisiscentrum, en voor natuurbranden FIRE4BE. Ook voor de coördinatie bestaan er verschillende structuren: de dienst Klimaatverandering, de federale taskforce Energie en Klimaat, de Nationale Klimaatcommissie, FIDO en verschillende interfederale overlegstructuren, zoals de IMC. Daarbij komt het interfederale traject voor extreme weersomstandigheden en nu dus ook een apart actieplan voor natuurbrandbestrijding.

 

Dat is veel. Dat hoeft op zich geen probleem te zijn, maar verschillende diensten hebben uiteraard ook verschillende opdrachten. Dan moet het wel duidelijk zijn waar verantwoordelijkheden beginnen en eindigen, hoe de federale initiatieven onderling op elkaar aansluiten en hoe informatie via de overlegstructuren met de andere bevoegdheden wordt gedeeld. Hoe waakt u daar vandaag binnen uw bevoegdheden over? Bestaat er bij de federale overheid één overzicht waarin de plannen, analyses en structuren systematisch naast elkaar worden gelegd? Hoe voorkomt u op het federale niveau dubbel werk en zorgt u ervoor dat federale initiatieven aansluiten op wat de gewesten vandaag al doen? U hebt zelf aangegeven dat u de federale klimaatdiensten wilt rationaliseren en beter op elkaar wilt afstemmen. Waar ziet u vandaag concreet die overlap? Welke structuren of taken wilt u anders organiseren? Wij herhalen alvast de oproep tot rationaliseren.

 

Vooral, hoe zorgt u ervoor dat alle kennis ook wordt gebruikt. Als het Cerac, het KMI, het Belgisch Klimaatcentrum of het Crisiscentrum nieuwe risico's identificeert, hoe worden die binnen de federale bevoegdheden naar concrete keuzes vertaald? Hoe wordt de relevante risico-informatie via de bestaande structuren gedeeld, zodat iedere bevoegde overheid daar binnen de eigen verantwoordelijkheid mee aan de slag kan?

 

U sprak na de brand zelf over de omslag van ondergaan naar anticiperen. Dat lijkt me de juiste benadering. Dat begint concreet met te kijken wat er bij de afgelopen crisis goed en fout is gelopen, maar anticiperen gaat verder dan één crisis. Die lessen moeten we meenemen in een bredere, geïntegreerde analyse van onze klimaatrisico's. Waar zijn we het meest kwetsbaar? Welke risico's zijn het grootst? Welke overheden beschikken binnen de eigen bevoegdheden over de hefbomen om daarop in te spelen?

 

Ons uitgangspunt blijft vrij eenvoudig: klimaatbeleid gaat over mitigatie en adaptatie. We moeten onze uitstoot verder terugdringen, maar tegelijkertijd erkennen dat een deel van de klimaatverandering vandaag al voelbaar is. Onze samenleving moet zich dus beter wapenen tegen hitte, droogte, wateroverlast, stormen en natuurbranden. Dat heeft ook een economische kant. Cerac publiceerde vorige week een analyse van de hittegolven van deze zomer. Op basis van verschillende studies wordt de impact potentieel geraamd op bijna 6 miljard euro, ongeveer 1 % van het bbp. Vooral productiviteitsverlies door hittestress speelt daarin een rol, met onder meer aandacht voor gebouwen, blootgestelde werknemers en de arbeids- en sociale regelgeving.

 

Hoe kijkt u naar die analyse? Welke meetbare klimaatrisico’s gebruikt de federale regering vandaag binnen haar bevoegdheden? Ziet u in andere Europese landen methodes of parameters die ook voor de federale risicoanalyse relevant zijn? In andere landen was de schade minder groot, dus daar moeten we toch nog eens naar durven kijken.

 

Tegelijk moeten we realistisch blijven. Niet ieder extreem weersfenomeen en niet iedere vorm van schade kan volledig worden vermeden. Het komt erop aan de grootste risico’s te kennen, die gericht te beperken en ervoor te zorgen dat onze diensten klaarstaan wanneer het toch misgaat. Dat betekent ook dat we bij nieuwe maatregelen en investeringen moeten kijken naar de verhouding tussen de kosten en het resultaat. Hoe groot is het risico? Hoeveel schade kan een maatregel redelijkerwijs vermijden? Niet iedere maatregel heeft dezelfde impact en ook bij klimaatadaptatie moeten publieke middelen zo doelgericht mogelijk worden ingezet.

 

Dat brengt mij bij de bevoegdheidsverdeling. Structurele adaptatie zit voor het grote deel bij de gewesten: waterbeheer, natuur, ruimtelijke ordening, landbouw, wonen en een groot deel van de preventie. Vlaanderen voert daar uitgebreid beleid rond, onder meer via de Blue Deal, het warmtebeleid en natuurbrandpreventie. Ook daar is het werk niet af. Deze zomer heeft zwakke punten met betrekking tot hitte in zorggebouwen blootgelegd. Daar wordt op Vlaams niveau aan gewerkt.

 

Het federale niveau heeft zijn eigen hefbomen: risicoanalyse, wetenschappelijke ondersteuning, federale infrastructuur, spoorwegen, defensie, Civiele Bescherming en crisisbeheer. Op die vlakken moet de federale overheid haar eigen verantwoordelijkheid ten volle nemen.

 

Minister Bihet wees vorige week nog op de weerbaarheid van kritieke infrastructuur. De CER-wet verplicht kritieke entiteiten om risico's zoals hitte, droogte en overstromingen mee te nemen in hun risicoanalyse en om hun weerbaarheid te versterken. Voor de verdere uitvoering en opvolging van de Cerac-aanbevelingen verwees hij expliciet naar u, mijnheer de minister, en naar deze gedachtewisseling.

 

Wat is de stand van zaken met betrekking tot die uitvoering? Welke sectorale risicoanalyses zijn al gebeurd? Hoe vertaalt zich dat concreet naar bijvoorbeeld ziekenhuizen, datacentra en spoorwegen?

 

Dat is een belangrijke federale hefboom. We moeten niet alles opnieuw in een apart klimaatkader gieten. Klimaatrisico's moeten worden meegenomen in het beleid waarvoor de federale overheid al bevoegd is.

 

Samenwerking met de gewesten blijft uiteraard wenselijk waar bevoegdheden elkaar raken. Bij een grote brand, hittegolf of andere crisis moeten verschillende niveaus samenwerken, op gelijke voet en elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. Het interfederale actieplan rond extreme weersomstandigheden sluit daarbij aan.

 

Op 7 juli waren de acties, verantwoordelijkheden, deadlines en budgetten nog niet uitgeklaard. Wat is de stand van zaken vandaag? Welke acties zijn ondertussen afgesproken? Wie is waarvoor verantwoordelijk? Welke onderdelen vereisen werkelijk interfederale samenwerking? Hoe staan de gewesten tegenover uw initiatieven?

 

De 28 federale adaptatiemaatregelen lopen eind dit jaar af. Wanneer krijgen we de eindevaluatie? Welke maatregelen wilt u vanaf 2027 voortzetten? Voor ons moet daarbij heel concreet worden gekeken naar wat de maatregel heeft gekost, wat hij heeft opgeleverd en wat hij had moeten opleveren.

 

Dan kom ik opnieuw tot de aanleiding van deze gedachtewisseling, namelijk de Hoge Venen. Klimaatverandering verhoogt het risico. Hogere temperaturen, droogte en langere periodes met brandgevaar maken bepaalde gebieden kwetsbaarder. Tegelijk houden volgens Cerac meer dan 90 % van de geregistreerde natuurbranden verband met menselijke activiteit. De EU spreekt zelfs over 96 %. Preventie gaat dus ook niet alleen over klimaat, maar ook over terreinbeheer, detectie, infrastructuur, gebruik van machines, menselijk gedrag en handhaving.

 

Het onderzoek naar de precieze oorzaak van de brand in de Hoge Venen loopt nog. Wij mogen dus niet vooruitlopen op de conclusies. U hebt wel een brede evaluatie aangekondigd.

 

Welke lessen zijn vandaag al duidelijk? Waar zijn al concrete tekortkomingen vastgesteld? Hoe worden ze meegenomen in het actieplan rond natuurbrandbestrijding?

 

Welke stappen zijn intussen met Fire4BE gezet? Waarvoor worden de ingeschreven middelen concreet ingezet? Wanneer verwacht u de eerste resultaten?

 

Mijnheer de minister, wij moeten de klimaatrisico's ernstig nemen, kwetsbare mensen beschermen, onze infrastructuur weerbaarder maken en de lessen van de voorbije zomer ook echt omzetten in beleid. Dat moet echter wel op een nuchtere, rationele, haalbare en efficiënte manier gebeuren, zonder paniekbeleid of symboolpolitiek en zonder na iedere crisis automatisch een nieuw plan, nieuwe regels of nieuwe structuren toe te voegen. Kijk eerst wat al bestaat, wat werkt en waar echt nog moet worden bijgestuurd. Respecteer daarbij de bevoegdheidsverdeling en werk samen waar dat meerwaarde heeft.

 

01.02  Sam Van Rooy (VB): Mijnheer de voorzitter, ik dank u om mij het woord te verlenen.

 

Ik zal mijn betoog ongeveer beginnen waar mevrouw van Riet is geëindigd. U zult duidelijk merken wat ik daarmee bedoel.

 

De grootste brand in de Hoge Venen vond niet in augustus 2026 plaats maar in 1911, meer dan een eeuw geleden. Toen brandde het twee maanden lang en werd bijna 4.000 hectare natuurgebied verwoest. In 1911, dus meer dan een eeuw geleden, was de wereldwijde CO2-uitstoot 11 keer lager dan vandaag. Ik herhaal het, 11 keer lager dan vandaag. Mijnheer de minister, daar eindigt dus het failliete narratief van de CO2-hysterici, waaronder helaas uzelf en ook nog altijd het grootste deel van het Parlement.

 

Ik citeer professor Bart Muys: "Er zijn minder branden dan 50 jaar geleden maar ze zijn wel groter, heter en oncontroleerbaarder. Dat komt vooral door het nieuwe landschap en het gebrek aan doordacht natuur- en bosbeheer.” Dat stelde professor Bart Muys.

 

In 1911 was de oorzaak slecht natuurbeheer, in augustus 2026, vorige maand, waren het allicht maaiwerken. Het lijkt er dus zeer sterk op, zo vernemen we, dat een dwaas ingezette klepelmaaier – alweer de overheid dus – de oorzaak is van de recente, grote natuurbrand.

 

Er is dus niets nieuws onder de zon, dames en heren. Ik moet zeggen dat dit debat qua steekvlampolitiek wel kan tellen. Veruit de meeste natuurbranden – sommige cijfers spreken van meer dan 90 % – worden al dan niet bewust aangestoken.

 

Het is een kwestie van gezond verstand. Iedereen weet dat. Wie met vuur speelt, veroorzaakt levensgevaarlijke toestanden. Of het nu kurkdroog is of gewoon droog, met vuur spelen is levensgevaarlijk. Dat zou volgens mij de les moeten zijn van de grote natuurbrand in de Hoge Venen. We weten echter ook dat wie in dit land met vuur speelt er veel te goedkoop van afkomt, net zoals de daders van andere feiten.

 

Los daarvan – dit is een conclusie die ik al wil geven – is deze natuurbrand een gevolg van een compleet falend klimaatadaptatiebeleid. Het zal u misschien interesseren te weten dat ik in de vorige legislatuur in het Vlaams Parlement, in de commissie voor Energie en Klimaat, systematisch heb gepleit voor een beleid van klimaatadaptatie.

 

Mijnheer de minister, bent u het eens met de conclusie dat deze natuurbrand een symptoom is, een gevolg van het falende klimaatadaptatiebeleid? Jarenlang, zelfs decennialang, is obsessief ingezet op CO2-hysterie en drastische CO2-uitstootreductie, terwijl men klimaatadaptatie heeft laten liggen. Dat was en is voor een groot deel nog altijd slechts een voetnoot in het beleid.

 

Om het samen te vatten, in plaats van blusvliegtuigen te kopen en te investeren in onze brandweer en onze Civiele Bescherming, hebben opeenvolgende regeringen – ook deze doet dat nog – massa's belastinggeld verspild aan CO2-hysterie. Wat hadden we met al dat geld niet kunnen doen, dames en heren, op het vlak van klimaatadaptatie?

 

Minister, ik heb tot slot nog een aantal vragen voor u. Welke lessen moet de overheid volgens u in het algemeen trekken uit deze natuurbrand? Welke rol heeft het Cerac gespeeld of had het moeten spelen? Moet de focus wat hittegolven en brandgevaar betreft niet liggen op brandpreventie, handhaving en brandbestrijding? Moeten we daar niet volledig op inzetten in plaats van te blijven focussen op CO2-uitstootreductie? Laten we eerlijk zijn en kijken naar de berekeningen van het IPCC zelf, waaruit blijkt dat die CO2-uitstootreductie, zeker wat België en Europa betreft, 0,0 impact heeft op het wereldwijde klimaat en de temperatuur.

 

Minister, ik hoop dat u mij en ons in uw antwoord kunt geruststellen dat we een dergelijke natuurbrand in de toekomst koste wat het kost moeten en zullen voorkomen door, nogmaals, de focus volledig op klimaatadaptatie te leggen. Dank u alvast voor uw antwoorden.

 

01.03  Roberto D'Amico (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, chers collègues, cet été, notre pays a connu deux terribles catastrophes climatiques: la canicule, avec une surmortalité de près de 3 000 décès, selon Sciensano, soit l'un des taux les plus élevés d'Europe, puis le terrible incendie dans les Hautes Fagnes, avec plus de 3 000 hectares de nature partis en fumée.

 

Monsieur le ministre, quelles leçons tirez-vous de cet été? Allez-vous élaborer un véritable plan fédéral face aux événements climatiques extrêmes, avec un pilote, un budget et un calendrier? Le 2 juillet, vous nous avertissiez aussi que nous vivions sans doute l'été le plus frais des dix années à venir. Sur ce point, je suis d'accord avec vous. Mais ce qui m'inquiète, c'est que si l'été le plus frais des années à venir a causé 3 000 morts et ravagé les Fagnes, à quoi faut-il s'attendre dans les années suivantes? Ici, personne ne pourra dire qu'il ne savait pas.

 

Nous avions déjà connu une forte canicule en Belgique en 2003. Comme le disait récemment le climatologue Jean-Pascal van Ypersele, en 20 ans, nous n'avons pas réussi à préparer la Belgique à ces canicules. Il ajoute: "Nous avons multiplié par plus de deux le nombre de morts en Belgique, alors qu'en France, il a été divisé par deux sur la même période." Nous sommes tout à fait à côté de la plaque. Le Centre d'analyse des risques du changement climatique (Cerac) nous alertait déjà au début de l'année, dans un rapport consacré à la menace et au niveau de préparation du pays face à l'intensification des incendies.

 

Monsieur le ministre, qu'a-t-on entrepris pour prévenir ces risques? A-t-on investi dans notre système de santé? A-t-on renforcé la protection au travail? A-t-on accordé davantage de moyens aux pompiers et à la Protection civile? Non, pas du tout. Que du contraire!

 

Voici quelques chiffres: l'IRM a perdu 25 % de son budget depuis 2012; les pompiers ont perdu 10 % de leurs effectifs depuis 2015; la Protection civile est passée de six casernes à deux. On nous dit qu'il n'y a plus d'argent et qu'il faut faire des économies. On coupe dans les services publics, mais il y a quand même un département qui sable le champagne, car les dépenses y explosent. Ce gouvernement annonce 34 milliards d'euros de dépenses militaires pour les prochaines années.

 

Votre collègue, M. Quintin, déclare au Parlement que le risque de feux de forêt existe, mais qu'il ne justifie pas des investissements.

 

Aujourd'hui, il n'y a plus un plan, mais bien quatre: le plan chaleur du ministre de la Santé, annoncé pour mai 2027;  le plan de résilience du ministre de l'Intérieur; le plan d'action militaire contre les incendies du ministre de la Défense; enfin, votre propre plan. Donc, quatre ministres, quatre plans. La vraie question est de savoir qui est aux commandes.

 

Monsieur le ministre, où en êtes-vous dans l'élaboration du plan interfédéral destiné à faire face aux événements climatiques extrêmes? Pouvez-vous nous dresser un état des lieux des recommandations formulées par le Cerac dans son rapport de 2025 et nous indiquer où en est leur application? À l'approche du conclave budgétaire, quelles demandes comptez-vous adresser à vos collègues du gouvernement afin d'investir davantage pour le climat et dans la protection de la population face aux événements climatiques extrêmes? Estimez-vous qu'il faille revenir sur les coupes budgétaires imposées à l'IRM et à la Protection civile et investir davantage dans les moyens humains et matériels des services de secours? Soutenez-vous la demande des pompiers visant à disposer de moyens aéroportés en vue de réagir aux feux de forêt, comme celui que nous avons connu récemment dans les Hautes Fagnes? Estimez-vous qu'il faille revoir la législation belge relative au travail en période de canicule afin de mieux protéger les travailleurs? Enfin, que prévoyez-vous d'ici l'été prochain pour améliorer le niveau de préparation de notre pays, tant pour parer aux risques de canicule qu'aux risques de feux de forêt?

 

01.04  Marc Lejeune (Les Engagés): Monsieur le ministre, chers collègues, l'été 2026 a, une nouvelle fois, rappelé avec une particulière brutalité que les conséquences du changement climatique ne relèvent plus d'un scénario lointain. Les épisodes de chaleur extrême et de sécheresse se multiplient, tandis que l'incendie qui a ravagé les Hautes Fagnes au mois d'août dernier a détruit plus de 3 000 hectares et mobilisé, pendant plusieurs semaines, des centaines de pompiers, de militaires, de policiers, d'agents de la Protection civile et de nombreux autres intervenants. Nous saluons tous ici leur travail remarquable.

 

Cet événement est d'autant plus préoccupant qu'il est intervenu après la publication, en février 2025, du rapport du Cerac et de l'Institut géographique national (IGN) consacré à la préparation de la Belgique face à des feux plus fréquents et plus intenses. Ce rapport alertait déjà sur le fait que le changement climatique pourrait entraîner une augmentation significative de ces incendies au cours des prochaines années et soulignait la nécessité de renforcer la détection, la coordination et les moyens consacrés à la lutte contre ce risque. Il est vrai que, jusqu'à présent, nous n'imaginions pas que nos forêts puissent devenir de véritables brasiers, comme cela fut le cas cette année à la suite d'épisodes exceptionnels de sécheresse.

 

Les canicules et les incendies, mais aussi les inondations, constituent différentes manifestations d'un même enjeu: notre capacité à anticiper, à atténuer et à nous adapter aux conséquences du dérèglement climatique. Cela pose également la question des moyens que notre pays est prêt à y consacrer.

 

Dès lors, monsieur le ministre, premièrement, quelle analyse tirez-vous, sur le plan fédéral, des canicules et de l'incendie des Hautes Fagnes? Deuxièmement, comme cela a été souligné lors de l'échange de vues en commission de l'Intérieur, les feux de forêt ne peuvent évidemment pas être combattus à un seul niveau de pouvoir. Une coordination est nécessaire. Estimez-vous que la concertation entre les différents niveaux de pouvoir a été suffisante? Cependant, je tiens à le rappeler, les acteurs de terrain s'en sont remarquablement bien sortis.

 

Troisièmement, le Cerac et l'IGN soulignent dans leur rapport que des températures plus élevées ainsi que des sécheresses plus longues et plus intenses feront des incendies un risque climatique majeur pour notre pays. Comment le gouvernement entend-il intégrer ce risque dans ses politiques nationales d'atténuation et d'adaptation au changement climatique, ainsi que dans la planification de crise? Comment compte-t-il exécuter les recommandations figurant dans ce rapport?

 

Enfin, disposez-vous d'une estimation, même si c'est certainement compliqué, des investissements nécessaires pour adapter notre pays à l'augmentation des risques climatiques, notamment les canicules, les sécheresses et les incendies? Avons-nous aujourd'hui une idée des montants déjà consacrés par le fédéral à l'adaptation au changement climatique, ainsi que de ceux qui y seront consacrés à l'avenir?

 

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

 

01.05  Oskar Seuntjens (Vooruit): Mijnheer de minister, de zomer is voorbij en het is vandaag officieel herfst, maar ik denk dat de afgelopen zomer bij veel mensen nog nazindert. Ik vind het goed dat we in het Parlement de tijd nemen om met u van gedachten te wisselen om te horen welke lessen we hebben geleerd en wat we in de toekomst beter kunnen doen.

 

De afgelopen zomer was niet normaal, maar zal misschien wel het nieuwe normaal worden. Iedereen heeft gezien hoe de Hoge Venen in brand stonden. Ik denk ook aan alle hulpverleners die dag en nacht hebben gewerkt. Ik denk aan alle hittedoden die er zijn gevallen. Dat is een van de meest tragische woorden die we in 2026 hebben geleerd en dat vanaf nu voor altijd in ons woordenboek zal blijven opduiken: hittedoden.

 

Dat confronteert ons met de opwarming van de aarde, die een van de grootste uitdagingen zal vormen voor onze generatie en ook voor de politiek. Dat zal bepalen hoe wij in de toekomst nog kunnen leven. Het zal bepalen hoe onze economie en onze gezondheid eruit zullen zien en hoe wij kunnen leven.

 

Het meest tragische van al is dat, net zoals veel andere crises, ook deze crisis mensen ongelijk treft. Denk bijvoorbeeld aan mensen die een job hebben en niet de luxe hebben om in een kantoor te zitten waar een airco in hun nek staat te blazen, maar die elke dag buiten in de hitte moeten werken, muren moeten metselen of daken moeten repareren. Hetzelfde geldt voor mensen thuis. We hebben allemaal de vreselijke verhalen gehoord van mensen die met een klein pensioentje in een appartement wonen waar niet genoeg verkoeling is. In Antwerpen ken ik te veel gezinnen die met vijf of zes jonge broertjes en zusjes in een klein appartement wonen en geen enkele plek hebben om verkoeling te zoeken. Ook deze crisis treft mensen dus ongelijk.

 

De grootste fout die we nu kunnen maken, is te denken dat de afgelopen zomer uitzonderlijk was. Dit zal nog vaker gebeuren. Het komt nu ook de politiek toe om ons voor te bereiden om de komende crises en hittegolven beter aan te pakken.

 

Volgens mij moeten we ons daarbij op twee zaken focussen, die hier al vaker genoemd zijn, ook door collega's. Een eerste punt is dat uiteraard adaptatie. Mijnheer de minister, in dat verband wil ik u vragen welke aanbevelingen van Cerac u zeer concreet wilt opvolgen. Welke zitten in de pipeline? Welke acht u op korte termijn haalbaar? Welke zijn meer op de lange termijn gericht?

 

Laat het duidelijk zijn dat adaptatie zeer belangrijk is, maar te veel partijen denken dat adaptatie alleen volstaat. Dat is het equivalent van dweilen met de kraan open. Als we tegelijkertijd met adaptatie niets doen aan de uitstoot, zullen we het probleem fundamenteel niet kunnen oplossen. Dat spreekt voor zich.

 

Als minister in de Belgische regering is het volgens mij uw taak om daar werk van te maken, zeker bij de komende begrotingsgesprekken. We geven immers nog altijd miljarden aan fossiele subsidies aan onder andere buitenlandse vrachtwagens die hier komen tanken. Ik las net een artikel waarin staat dat olieraffinaderijenpardon miljardenwinsten boeken. Me dunkt draagt dat niet bij aan een verbetering van de klimaatsituatie. Ik ben blij dat u instemmend knikt. Ik hoop dus dat u daar werk van wilt maken aan de regeringstafel, maar ook binnen Europa. Het klimaatbeleid stopt namelijk niet aan onze grens. Als de rest van de wereld blijft uitstoten, dragen we ook hier de gevolgen daarvan.

 

Beste minister, welke concrete acties wenst u te ondernemen, zowel voor België als op Europees vlak, om het klimaat hoog op de agenda te blijven plaatsen?

 

01.06  Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, j'espère que la majorité que vous représentez est consciente de l'enjeu de ce débat. Et j'espère que votre majorité ne se dit pas que nous avons connu cet été le pire incendie de notre histoire récente, que ces vagues de chaleur ont été les plus meurtrières jamais enregistrées et que pour y répondre, nous allons organiser une matinée de débat et consentir, à la demande de l'opposition, à y consacrer quelques heures avec le ministre Crucke. Et puis voilà, au revoir et merci!

 

J'espère vraiment que nous n'en sommes pas là. Nous sommes aujourd'hui un mois après l'incendie des Hautes Fagnes, qui a été d'une ampleur exceptionnelle. Et je me réjouis de pouvoir vous entendre aujourd'hui, monsieur le ministre, tant vous le savez, je suis intimement persuadé que vous êtes l'un des seuls membres de votre gouvernement à prendre conscience de l'enjeu climatique. Néanmoins, je constate une certaine forme de légèreté avec laquelle ce Parlement et cette commission donnent suite aux événements de cet été.

 

Trois mille morts et plus de 3 000 hectares partis en fumée! Et nous sommes là, plus de 40 jours après l'incendie dans les Fagnes alors que la commission de l'Intérieur s'est déjà réunie le 20 août avec le ministre Quintin.

 

La Conférence des présidents a été saisie d'une demande émanant de mon parti visant à organiser une commission spéciale chargée de dresser le bilan de l'intervention des services publics lors des épisodes de cet été, de dresser un bilan de la préparation en de nos services publics – ce qui est évidemment essentiel – et de rendre un rapport argumenté ainsi que des recommandations. La Conférence des présidents n'a toujours pas tranché et elle a laissé cette option ouverte. Dès lors, et c'est un message que j'adresse à mes collègues de la majorité, il faut que nous puissions mettre en place, à tête reposée, cette commission spéciale.

 

Si la Conférence des présidents avait décidé plus tôt, nous aurions évidemment déjà pu commencer le travail, entendre le Centre d'analyse des risques du changement climatique (Cerac), qui a véritablement la compétence pour faire l'état des lieux de l'ensemble des risques et de notre niveau de préparation. Nous aurions pu entendre les expertes et les experts, entendre les météorologues, parce que j'entends désormais parfois certains, et heureusement pas vous, monsieur le ministre, nier la réalité du changement climatique. Il y a eu une régression au cours des dernières années. Nous aurions pu entendre celles et ceux qui travaillent concrètement sur les trajectoires de décarbonation, celles et ceux qui travaillent sur la stratégie nationale d'adaptation ainsi que – et je crois que c'est essentiel – les victimes.

 

Il faudrait même commencer par elles. Entendre les proches des personnes décédées, celles et ceux qui ont dû quitter leur habitation ainsi que toutes les personnes confrontées aux conséquences de cet incendie, avec les répercussions économiques pour toute une série de secteurs.

 

Je voudrais aussi souligner l'importance de nos services publics. Cet été, les services publics ont été au rendez-vous. Le personnel soignant et les hôpitaux ont dû adapter leur organisation. Les équipes ont tenu, comme à chaque fois, malgré des conditions particulièrement difficiles. C'est évidemment une compétence régionale, mais je pense aussi aux agents du Département de la Nature et des Forêts (DNF). Dans un incendie comme celui des Hautes Fagnes, leur connaissance du terrain a été essentielle. Nous ne savons pas comment les choses se seraient passées s'ils n'avaient pas été là pour expliquer comment accéder à certaines zones difficiles.

 

Je veux également, en revenant à des compétences plus fédérales, saluer le travail remarquable de nos pompiers. Ces femmes et ces hommes, volontaires ou professionnels, venus de nombreuses zones de secours mais aussi de l'étranger, ont travaillé dans des conditions particulièrement difficiles. Je m'en voudrais aussi de ne pas citer les fonctionnaires communaux, les agents de la Protection civile ainsi que notre corps de police, qui ont eux aussi été essentiels sur le terrain.

 

Cet été nous rappelle donc quelque chose de très simple: lorsqu'une crise majeure survient, le service public est là. Il est là malgré les restrictions budgétaires qui pèsent sur lui. Je pense aux moyens du DNF, même si cela relève du gouvernement Dolimont. Je pense aux restrictions budgétaires dans le domaine de la santé. Je pense également à la réduction des deux tiers des effectifs de la Protection civile, sur laquelle je ne vais pas m'attarder davantage. Il s'agit peut-être du premier enseignement à tirer, sans préjuger des conclusions de la commission spéciale qui se tiendra ou non: il faut renforcer nos services publics. C'est une conviction qui, pour ma part, sort encore renforcée.

 

Monsieur le ministre, donnons-nous aujourd'hui aux services publics les moyens d'être au rendez-vous demain, alors même que ces événements extrêmes sont appelés à se multiplier? Car ces événements extrêmes ne sont pas des accidents isolés. Ils constituent un signal supplémentaire dans une tendance de fond à l'échelle planétaire. Cet été, toute l'Europe a été confrontée à des incendies d'une ampleur exceptionnelle, en Gironde, en Espagne ou encore dans le sud de la France. Face à cela, nous pouvons éprouver beaucoup d'émotions, de la tristesse, de la colère, etc. Mais il y a une chose que nous ne pouvons plus nous permettre aujourd'hui, c'est la surprise. Nous sommes aujourd'hui prévenus que ces événements vont se répéter de plus en plus souvent, avec une intensité relativement importante.

 

La conclusion politique, c’est qu’on doit pouvoir réduire nos émissions de gaz et effets de serre. C'est une question de survie. Il est clair qu'il nous faut une stratégie nationale de décarbonation. Le ministre du Climat que vous êtes doit pouvoir indiquer de manière très claire à la population: "Nous allons réaliser les objectifs de Paris et voici comment nous allons nous y prendre. Nous allons activer tel ou tel levier d'investissement public. Nous allons activer tel levier de sobriété. Les personnes les plus défavorisées ne seront pas mises de côté. Nous allons les aider de telle ou telle manière. Voici en tout cas le plan d'investissement dans la mobilité, dans le logement et dans l'énergie renouvelable." C'est ce que je souhaiterais entendre de votre part.

 

Si aujourd'hui on ne l'a pas encore entendu, je pense que ce n'est pas de votre simple fait, c'est que vous devez – et c'est dommage d'en arriver là – déjà peut-être convaincre du bien-fondé de ce plan au sein même de votre gouvernement. Pour l'instant, le Plan national Énergie-Climat (PNEC) est en recul. Il ne convainc en tout cas pas les ONG. Il ne convainc pas non plus la Commission européenne et on ne peut évidemment pas s'en accommoder. C'est d'autant plus regrettable qu'aujourd'hui, beaucoup d'acteurs, tant publics que privés, travaillent sur des trajectoires de décarbonation: le Bureau fédéral du Plan (BFP), le Comité d’Étude sur le Vieillissement (CEV), le SPF Santé publique, les centres de recherche VITO (Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek) ou EnergyVille, la société civile également. Les modèles ne manquent pas en la matière. Par contre, quel est le plan de décarbonation du gouvernement fédéral? Pour l'instant, il est très difficile de le savoir.

 

On n'évitera pas non plus les questions qui relèvent du contrôle parlementaire concernant la responsabilité politique par rapport aux événements de cet été. Vous êtes certainement l’un des seuls à vous soucier du climat au sein de ce gouvernement. C'est la raison pour laquelle je ne vous accable pas aujourd'hui, que je ne l'ai pas fait hier et que je ne le ferai pas demain mais je tiens quand même à dire à ce gouvernement, car c’est une réalité, que je ne peux pas me satisfaire de la manière dont ont été gérés tous les événements de cet été.

 

Monsieur le ministre, quelle est votre vision pour demain eu égard à tous les éléments que je viens d’évoquer? Quelle est la vision qui sera acceptée par votre gouvernement? Quels sont les plans que vous souhaitez mettre en œuvre, assortis des moyens financiers y afférents? Êtes-vous aussi, tout comme je le suis, pleinement convaincu qu'il faut renforcer nos services publics? J'ai d'ailleurs pris le temps des remercier pour la résilience dont ils font preuve.

 

Mais surtout, monsieur le ministre, que fait-on demain? Comme je l'ai souligné, la seule chose que nous ne pourrons plus admettre et que la population n'acceptera plus, c'est que l'on se dise surpris par tel ou tel événement climatique. Nous le savons aujourd'hui, c’est une certitude, une réalité, ces phénomènes vont se multiplier à l'avenir.

 

Quel est aujourd'hui le plan du ministre Crucke? Qu'acceptera le gouvernement Arizona, dont on sait qu’il comporte en son sein, à tout le moins, des membres moins conscientisés que vous, mais très certainement aussi – et c'est plus grave encore – des climato-sceptiques?

 

01.07  Phaedra Van Keymolen (cd&v): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, de voorbije zomer, de warmste ooit sinds het begin van de metingen, werd gekenmerkt door drie hittegolven, wekenlange droogte en natuurbranden en eiste helaas ook een zware menselijke tol. Daarmee werd nog maar eens duidelijk gemaakt dat klimaatweerbaarheid geen discussie meer is voor later. Het is een kwestie van vandaag, van morgen en vooral ook van de volgende zomer. De vraag die voorligt, is dan ook niet meer of wij ons moeten aanpassen aan die nieuwe realiteit maar hoe goed wij daarop zullen zijn voorbereid.

 

Wij hebben hier in juli 2026 ook al van gedachten gewisseld over het thema. Toen gaf u aan welke stappen nodig zijn, namelijk een betere afstemming tussen observatie, voorspelling en waarschuwingen, een snellere mobilisatie van Defensie en de civiele bescherming, extra werk voor Cerac en verschillende administraties of kabinetten die elk binnen hun bevoegdheden aan de slag zouden moeten gaan. In eerste instantie vraag ik mij af of dat al is gebeurd. Zitten er al initiatieven in de pijplijn of zijn er al resultaten?

 

Het geheel overschouwend doet mij vaststellen dat er vandaag heel wat trajecten naast elkaar lopen. De collega’s hebben daar ook al naar verwezen. Er is een actieplan voor extreme weersomstandigheden en een nieuw hitteplan; er zijn federale adaptatiemaatregelen voor de volgende periode; er is een plan voor kwetsbare groepen en een natuurbrandplan en er zijn nieuwe structuren rond klimaat en expertise.

 

Elk van die initiatieven hebben hun nut. Wij moeten echter wel waken voor een kluwen, waar niemand nog aan uitgeraakt. Wij moeten door de bomen het bos blijven zien.

 

Wanneer het KMI morgen opnieuw voor extreme hitte waarschuwt, moet iedereen immers weten wat moet gebeuren. Wie neemt welke beslissing? Wanneer wordt er opgeschaald? Hoe bereiken wij kwetsbare mensen? Wanneer komt bovenlokale ondersteuning in beeld? Welke informatie krijgt wie, bijvoorbeeld een burgemeester, en op welk moment? Een antwoord op die vragen maakt immers op het terrein het verschil.

 

Mijnheer de minister, ik ben zelf burgemeester in Haaltert. Welnu, ik herhaal dat onze inwoners tijdens een crisis geen boodschap hebben aan bevoegdheidsdiscussies over wie waarvoor verantwoordelijk is wie de beslissing moet nemen. Zij verwachten dat de overheid werkt. Of dat nu de gewesten, de gemeenschappen, het lokale bestuur, het provinciale bestuur of het federale niveau zijn, maakt voor de mensen niet uit. Daarom steun ik ook volledig het streven naar meer coördinatie.

 

Dat hoeft niet door telkens nieuwe structuren op te richten maar wel door de bestaande structuren beter te laten samenwerken. De voorbije zomer hebben wij immers gezien hoe lokale besturen schakelen wanneer dat nodig is. Evenementen werden aangepast of geannuleerd; er werd voorzien in drinkwaterpunten en koele ruimtes voorzien; woon-zorgcentra werden gecontacteerd; kwetsbare mensen werden opgevolgd; technische diensten konden vroeger starten; vrijwilligers werden ingezet. Het zijn soms kleine ingrepen die een verschil maken. Het lokale bestuur staat het dichtst bij de mensen en kan dus het gemakkelijkst snel inspelen op hun noden, maar niet elk lokaal bestuur beschikt over dezelfde capaciteit, expertise of middelen. Daarom zie ik een duidelijke opdracht voor de bovenlokale overheid: kennis delen, goede praktijken verspreiden en modellen en checklists beschikbaar stellen. Daarnaast moet ervoor worden gezorgd dat alle schakels van de keten op elkaar aansluiten.

 

Afgelopen zomer heeft aangetoond dat we klimaatrisico's niet afzonderlijk mogen bekijken. Hitte gaat uiteraard gepaard met droogte en een verhoogd brandgevaar. Een periode van extreme hitte kan plots omslaan in zware onweersbuien of wateroverlast. Dat brengt mij bij mijn opmerkingen i verband met de natuurbrand in de Hoge Venen. De ministerraad heeft op 18 september akte genomen van een projectnota om de operationele interventiecapaciteit voor natuurbranden te versterken. Ik heb begrepen dat die nota nog verder moet worden uitgewerkt. Ik vroeg me af of daarvoor al een timing is. Wanneer mogen we een definitief plan verwachten? Op welke manier worden de lessen uit de brand in de Hoge Venen daarin verwerkt? Welke capaciteit willen we als land structureel zelf kunnen inzetten en voor welke uitzonderlijke situaties blijven we op Europese ondersteuning rekenen?

 

Europese solidariteit is belangrijk. Afgelopen zomer heeft dat ook bewezen. Als Europa moeten we elkaar ondersteunen wanneer dat nodig is. Precies daarom moeten we vooraf ook duidelijk bepalen wat onze eigen basisparaatheid moet zijn.

 

Dezelfde logica geldt voor onze infrastructuur. We weten welke risico's op ons afkomen en mogen dus niet pas reageren wanneer ze realiteit worden. Hitte, droogte, overstromingen en andere klimaatextremen moeten vandaag al worden meegenomen bij investeringen in spoorinfrastructuur, overheidsgebouwen en eigenlijk in alle federale projecten.

 

Mijnheer de minister, u kondigde ook aan dat u alle ministers bevoegde voor klimaat, milieu en natuur, samen zou brengen om lessen te trekken uit de voorbije zomer. Heeft die bijeenkomst intussen al plaatsgevonden? Is er al vooruitgang geboekt? Kunt u daarover al iets meegeven? Zijn er afspraken gemaakt?

 

De huidige adaptatiemaatregelen lopen eind 2026 af en de volgende generatie maatregelen wordt voorbereid. Kunt u al iets melden over de prioriteiten? Investeren in weerbaarheid is immers vaak goedkoper dan achteraf de schade te herstellen.

 

Ik had ook nog een vraag ingediend over de economische impact van de extreme hitte en de analyse van Allianz waaruit een geraamd verlies aan economische output van 9,4 miljard euro en een negatieve impact op de economische groei van 1,4 % naar voren komen. Ook Cerac raamt het verlies, zoals hier al door anderen werd aangehaald, op ongeveer 6 miljard euro. Beide analyses wijzen erop dat extreme hitte niet alleen gevolgen heeft voor onze gezondheid en onze leefomgeving, maar ook voor de arbeidsproductiviteit en de economische activiteit. Anderen hebben daarover echter al dezelfde vragen gesteld.

 

Hoe beoordeelt u de nieuwe raming van Allianz?

 

Cerac en het Federaal Planbureau onderzoeken momenteel de kosten en baten van adaptatie voor overstromingsrisico's. Wenst u die reikwijdte ook uit te breiden naar extreme hitte?

 

Hoe wilt u dergelijke economische risicoanalyses en kosten-batenanalyses meenemen in de eindevaluatie van de huidige federale adaptatiemaatregelen en in de voorbereiding van het nieuwe nationaal adaptatieplan? Kunt u een stand van zaken geven over dat plan?

 

Tot slot gaf u eerder ook aan dat u werk wilt maken van de zogenaamde climate insurance protection gap en van een grotere rol voor privéfinanciering van adaptatiemaatregelen. Ook daarover had ik graag vernomen of er al nieuws is.

 

Mijnheer de voorzitter, ik kijk naar de tijd en rond af. De gedachtewisseling van vandaag draait uiteindelijk om één eenvoudige vraag, namelijk niet hoeveel plannen er nog bij komen maar hoeveel van de bestaande plannen straks ook daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd. Mijnheer de minister, ik neem aan dat dat ook uw wens is,. De analyses zijn gemaakt, de risico's zijn bekend en de aanbevelingen liggen op tafel. Wat wij nu nodig hebben, is de effectieve uitvoering van alles wat op tafel ligt met duidelijke prioriteiten, duidelijke verantwoordelijkheden en een duidelijke timing. Vooral is er nood aan een samenwerking die werkt wanneer het erop aankomt.

 

Kortom, wat zal er tegen de zomer van 2027 concreet anders zijn?

 

De voorzitter: Dank u wel. U hebt nog ruim een minuut over, dus goed getimed.

 

Mijnheer Van Lysebettens, ik ben benieuwd of u ook binnen de timing kunt blijven. Iets in mij zegt dat het misschien wat moeilijker wordt.

 

01.08  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Ik zal het alvast proberen, want na mij zal collega Schlitz het woord nog even overnemen.

 

Mijnheer de minister, allereerst ben ik blij u hier te zien. Ik wilde u eigenlijk al half augustus ondervragen, maar dat heeft de Kamervoorzitter geblokkeerd, waarna ik het opnieuw probeerde begin september, bij de start van onze werkzaamheden, maar dat hebben de collega’s van de meerderheid hier geblokkeerd om dan vandaag hier met uitgestreken gezicht te komen zeggen hoe erg het allemaal niet is.

 

Collega’s, laat ik even recapituleren wat er de voorbije zomer is gebeurd. We noteerden extreme temperaturen, met duizenden hittedoden tot gevolg, extreme droogte, met schade aan de economie en infrastructuur, en een extreme natuurbrand in de Hoge Venen. We zijn wereldtop wat het aantal doden tijdens de hittegolf betreft. We zijn wereldtop wat de economische schade betreft. Normaal kunnen onze ministers niet nalaten om elke ranking ter wereld waarin we bovenaan staan, te claimen. Over afgelopen zomer blijven ze echter doodstil.

 

Dan hoor ik hier vandaag de N-VA-fractie, adding insult to inury, zeggen dat het systeem heeft gewerkt. Wel, proficiat. Als het nog veel langer zo blijft werken, zullen er nog meer doden vallen en zal er nog meer extreme economische schade zijn, tot er geen systeem meer is.

 

Dan vragen sommige collega’s nog steeds wat Cerac heeft gedaan. Ik zal het u zeggen: Cerac heeft een hoop rapporten opgeleverd. Het is onze taak om te vragen wat de regering en de minister daarmee hebben gedaan. Mijn vragen, mijnheer de minister, zullen dan ook daarop toegespitst zijn.

 

Eerst en vooral heeft Cerac in december 2025 een lijvig rapport opgeleverd met verschillende aanbevelingen voor alle mogelijke regeringen en ministers. Ik zal die niet allemaal aan u voorleggen, maar aan de bevoegde ministers. Specifiek voor uw bevoegdheden gaat het om coördinatie en het bredere klimaatbeleid. Het gaat bijvoorbeeld om het integreren van klimaatrisico’s in alle beleidsdomeinen. Wat hebt u dus, ten eerste, gedaan met de aanbevelingen van Cerac? Hoe hebt u die bij uw collega-ministers naar voren gebracht en wat is de status daarvan?

 

Mijn tweede vraag, die daarmee verband houdt, luidt wat u gedaan hebt met de aanbevelingen van Cerac met betrekking tot de lokale overheden? Hoe hebt u die daar aangebracht en wat is de status daarvan?

 

De natuurbrand in de Hoge Venen is de directe bevestiging van het Wildfire-rapport van Cerac. Een aantal collega's had daar blijkbaar toch ook al van gehoord. In dat rapport was er sprake van een gebrek aan een samenhangende nationale strategie, aan coördinatie tussen de niveaus die onder druk staat en van afhankelijkheid van internationale hulp. Een aantal van die echo's konden we deze zomer ook in de kranten lezen.

 

Wat is de huidige status van die aanbevelingen? Hoe bent u daarmee aan de slag gegaan? In De Morgen heeft de directeur van Cerac, Luc Bas, gepleit voor een federaal coördinatieorgaan voor natuurbranden. Dat staat ook in dat rapport. Wat vindt u daar zelf van? Gaat u daar werk van maken? Zit dat in de pijplijn?

 

Is de beperking van natuurbrandrisico's formeel opgenomen in het nationaal beleid voor klimaatadaptatie? Hoe zit het met de financiering van klimaatadaptatiemaatregelen waarin de federale klimaatwet voorziet? Hoeveel maatregelen voor klimaatadaptatie en crisisrespons hebben de administraties opgesteld? Hoeveel middelen zijn er jaarlijks extra beschikbaar?

 

Het uitstel heeft toch één positief effect, mijnheer de minister. Ondertussen heeft Cerac nog een rapport opgeleverd, namelijk over de economische schade tijdens de hittegolven. Ook daarin worden natuurlijk een aantal vaststellingen gedaan en daarover wil ik u nog een aantal vragen stellen, maar eerst even een korte recapitulatie, collega's.

 

Door de hittegolven is 1 % van het bbp weggevaagd, dat betekent 6 miljard euro schade. Dat hoeft ook niet te verwonderen. Ik was twee weken geleden bij Volvo Trucks in Gent. Daar vertelde men mij dat men de productie gewoon heeft moeten stilleggen omdat het te warm was. Tot zover dus het systeem dat werkt, want het systeem werkt helemaal niet.

 

Op het vlak van arbeidsproductiviteit zal het zaak zijn om meer hittebeschermende maatregelen te nemen op de werkvloer. Dat is onder andere de bevoegdheid van uw collega Clarinval. Dit najaar komt er een nieuwe codex “Welzijn op het werk”. Hoe zult u er vanuit uw bevoegdheden voor zorgen dat de aanbevelingen van Cerac daarin worden opgenomen?

 

Het huidige rapport focust bijna uitsluitend op arbeidsproductiviteit. Dat komt ook doordat het gerelateerd is aan een studie van Triodos. Er spelen natuurlijk ook andere effecten. Zo is er de opportuniteitskost van adaptatie-investeringen. Elke euro die we uitgeven aan infrastructuur om ons tegen de hitte te beschermen, kunnen we niet aan andere zaken uitgeven. Daarnaast zijn er de toegenomen investeringskosten om infrastructuur klimaatrobuust te maken en de investeringskosten voor infrastructuur die we aan het bouwen zijn, maar die eigenlijk al niet meer klimaatrobuust is.

 

We zullen dus een aantal dingen versneld moeten afschrijven. Vandaag ontbreekt een overzicht en een gedegen analyse van de Belgische economie. Zult u Cerac mandateren om die analyse te maken en ook deze gevolgen in kaart te brengen?

 

Ten slotte, de toekomst is vrij onzeker. Klimaatverandering is geen lineair proces, er zijn allerlei extreme events die kunnen gebeuren, waardoor het plots de totaal andere kant uitgaat. Ik geef een aantal voorbeelden, de straalstroom kan verschuiven, de hoofdstroom kan stilvallen, de biodiversiteit kan ineenklappen. Hoe kan het beleid de maatschappij daarin ondersteunen en hoe kunnen we ons daarop voorbereiden? 

 

01.09  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, nous sommes heureux de vous voir. En effet, nous vous attendons depuis plusieurs semaines. La dernière fois que nous vous avons vu dans ces murs, c'était le 7 juillet. Nous avons vu votre collègue de l'Intérieur, Bernard Quintin, à deux reprises depuis lors, le 20 août et le 15 septembre.

 

Nous avions sollicité votre présence, mais cette demande a été refusée, la majorité estimant qu'il n'était pas urgent d'entendre le ministre du Climat. Nous sommes à présent le 29 septembre et, après un été catastrophique, nous pouvons enfin obtenir des réponses de celui qui se présente comme le grand coordinateur, le grand chef d'orchestre de la politique climatique en Belgique. Cet été a été le plus chaud que nous ayons jamais connu. Un thermomètre qui ne redescendait plus, même la nuit, et des logements dans lesquels certaines personnes étouffaient littéralement. Notre pays a connu près de 3 000 morts qui auraient pu être évitées et 3 300 hectares sont partis en fumée dans les Fagnes.

 

Une estimation du coût de l'ensemble de ces événements s'élève à environ 6 milliards d'euros. Notre économie est aussi impactée, et, comme le disait mon collègue, une demi-journée de canicule équivaut à une journée de grève pour l'économie belge. Tous ces éléments doivent appeler des actions fortes. Pourtant, cet été, c'est notre niveau d'impréparation et d'inadaptation qui a éclaté au grand jour. Ce sont toutes ces années, voire ces décennies, de gestion à la petite semaine, tous ces reports, tous ces "on verra plus tard", tous ces "on va toucher du bois" qui nous ont aujourd'hui ramenés à la réalité. Ils nous ont confrontés à la réalité du dérèglement climatique, sur laquelle nous sommes alertés depuis des décennies.

 

Les citoyens ont été confrontés dans leur quotidien, dans leur chair, à cette réalité et, surtout, aux conséquences de l'impréparation de la Belgique face à ces nouvelles réalités. Nous avons aussi eu un ministre politiquement absent. Vous avez écrit des lettres, vous avez tenté de convoquer des réunions sans succès, vous vous êtes épanché dans la presse sur ces difficultés. Mais où étaient les vraies actions concrètes pour protéger les citoyens?

 

Je me permets d'insister sur plusieurs points. Premièrement, l'éclatement des compétences est utilisé de manière récurrente comme alibi. Dans un État fédéral, c'est un classique. En pleine canicule, alors que 2 000 personnes étaient déjà décédées des conséquences de la chaleur, vous avez convoqué une réunion le 1er juillet, via une lettre aux entités fédérées, avec un certain écho médiatique. La Wallonie a refusé d'y participer. La Flandre y a envoyé un fonctionnaire avec comme résultat une réunion technique de deux heures, trois exposés, aucune décision, puis tout le monde est parti en vacances en touchant du bois.

 

La stratégie, nous la connaissons: chacun a raison sur son terrain, mais cela ne change rien pour les citoyens qui subissent la canicule. Le fédéral a raison de dire qu'une canicule ou un feu de forêt ne s'arrête pas aux frontières régionales. Les régions ont raison de rappeler que la plupart des leviers se trouvent chez elles. Mais la conséquence est que personne ne prend réellement le problème à bras-le-corps. Personne ne prend ses responsabilités pour atteindre l'objectif qui devrait être le nôtre, à savoir apporter des solutions concrètes aux citoyens confrontés à des difficultés graves, voire extrêmement graves.

 

Deuxièmement, à ma connaissance, aucune conférence interministérielle Environnement n'a été convoquée durant l'été. Ni pendant la canicule – la plus meurtrière depuis un quart de siècle – ni pendant la sécheresse historique, ni pendant le plus important feu de forêt que nous ayons connu. Pourtant, ces événements sont deux manifestations d'un même dérèglement et relèvent directement des compétences de cette conférence interministérielle. Monsieur le ministre, pourquoi cette conférence interministérielle n'a-t-elle pas été réunie?

 

Troisièmement, je constate un mouvement politique extrêmement interpellant qui consiste à glisser de l'adaptation vers la gestion de crise. Le plan "chaleur et santé" est annoncé par l'Intérieur, rédigé par la Santé, coordonné par le Centre de crise et arrimé au cadre national de résilience, conçu à l'origine pour les crises hybrides ou militaires. Monsieur le ministre, ce glissement constitue une forme de renoncement. En rangeant la canicule dans la même catégorie qu'un conflit hybride ou qu'une cyberattaque, nous transformons un phénomène prévisible et atténuable en une fatalité sécuritaire dont il ne resterait plus qu'à gérer les conséquences.

 

Or, la chaleur n'est pas une menace extérieure. Elle est la conséquence d'un climat que nous avons laissé se dérégler et d'infrastructures, de villes entières, d'écoles, de logements et d'hôpitaux que nous avons refusé d'adapter, alors qu'il est encore possible de le faire. Ce sont des choix politiques. Ce mouvement politique est évidemment confortable: répondre à l'événement par des alertes, des secours ou des communications via BE-Alert est relativement peu conflictuel. On évite ainsi de débattre des choix de fond et de la manière dont nous devrions adapter notre société. C'est pourtant précisément cette discussion qu'il faut mettre sur la table à tous les niveaux de pouvoir.

 

Finalement, face aux canicules, la réponse a largement consisté à renvoyer les citoyens à leur responsabilité individuelle. On leur a conseillé de boire de l'eau, de fermer leurs volets, de veiller sur leurs voisins ou encore de porter un chapeau. Or, monsieur le ministre, c'est là que les inégalités explosent, car survivre à 40 °C avec de pareilles consignes politiques devient une question de préparation individuelle, mais surtout une question de moyens financiers et de ressources disponibles.

 

Il y a donc une fracture très nette qui est apparue cet été entre ceux qui ont un jardin, une piscine, des volets, la clim, des amis ou des parents qui ont une villa à la campagne et les autres, ceux qui sont coincés dans les combles, dans des appartements surchauffés dont ils sont locataires et sur lesquels ils n'ont aucun levier pour améliorer l'isolation ou différents éléments. On a laissé les professionnels sur le terrain tirer leur plan, des infirmières installer des couvertures de survie aux fenêtres des chambres des hôpitaux où il faisait 40°C. Par ailleurs, des agriculteurs ont acheminé de l'eau pour éteindre les feux jour et nuit. Or cet impact-là, il se marque très clairement dans les chiffres, les niveaux de richesse des régions ressortent de manière extrêmement morbide quand on voit qu'il y a plus de 78 % de surmortalité en région wallonne pendant l'été.

 

Dès lors, confirmez-vous qu'aucune CIM Environnement n'a été convoquée? Pourquoi est-ce que ce gouvernement concentre son action sur la gestion de crises lorsqu'elles arrivent au lieu de se concentrer sur l'adaptation, la prévention et la protection des citoyens? Quelles mesures prévoyez-vous de prendre pour éviter que cela ne se reproduise et quelles mesures avez-vous déjà posées? Enfin, avez-vous convoqué un conseil des ministres au niveau européen pour mettre l'urgence climatique au centre des débats, celle-ci n'épargnant aucun des États de l'Union européenne? Je vous remercie.

 

01.10 Minister Jean-Luc Crucke: Geachte collega’s, ik had u hierover in augustus al te woord willen staan, maar de Kamervoorzitter besliste hier anders over. Nochtans tonen de gebeurtenissen van deze zomer, zowel de uitzonderlijke hittegolven als de zware natuurbrand in de Hoge Venen, nogmaals aan hoe gevaarlijk de gevolgen van de klimaatverandering vandaag al voor onze samenleving zijn: de warmste zomer ooit, een oversterfte van bijna 3 000 personen, de zwaarste natuurbrand in ons land sinds 1911 en een geschatte negatieve economische impact van 1 % van het bbp of ongeveer de totale verwachte economische groei van dit jaar. Collega's, dat zijn bijzonder zware cijfers. Ze drukken ons met de neus op de feiten en moeten ons tot actie aanzetten.

 

Collega Van Rooy zei het al, in 1911 was er ook een natuurbrand in de Hoge Venen, maar we trekken daar zeker niet dezelfde conclusies uit en hebben ook niet dezelfde inzichten. Ik lees wat de wetenschappers daar zelf over zeggen.

 

Aujourd'hui, la grande différence avec ce qui s'est passé en 1911 est que le climat de fond est plus chaud. Ce fait augmente la probabilité des épisodes chauds et coïncide avec un déficit hydrique important. Du reste, l'IRM relève que, dans les Hautes Fagnes, la tendance des précipitations estivales est historiquement à la baisse. La vraie question scientifique n'est donc pas: fera-t-il plus chaud qu'en 1911; mais plutôt: à quelle fréquence les Hautes Fagnes connaîtront-elles désormais la combinaison "chaleur + déficit pluviométrique + assèchement de la tourbe" nécessaire à un feu profond? Il ne m'appartient pas de désigner du doigt les responsables, puisque vous savez qu'une enquête est en cours sur le dossier et que nous avons également demandé au Centre de crise et au gouverneur de nous remettre un rapport sur les faits.

 

Rien que cette seule différence entre 1911 et aujourd'hui – à savoir que nous connaissons désormais des périodes de chaleur bien plus nombreuses d'année en année, alors que 1911 n'avait été qu'une exception – devrait nous permettre de comprendre que la spécificité de la tourbe est qu'elle s'enflamme plus rapidement dans de telles conditions et continue, du reste, à brûler. Dès lors, on peut légitimement se poser la question suivante: pourquoi le gouverneur de la province de Luxembourg a-t-il clairement interdit toute pénétration dans les bois par quiconque, quand on sait que plus de 95 % des feux sont d’origine humaine, volontaire ou involontaire, alors qu’en province de Liège, une mesure identique n’a pas été prise? On peut légitimement se poser cette question. Il ne m'appartient pas d'y répondre. En revanche, ne pas la soulever et ne pas chercher de réponse, que ce soit par la voie judiciaire ou par la voie administrative, constituerait à mon sens une faute.

 

Je tiens à clarifier deux éléments. Premièrement, le déclenchement d'un incendie de forêt ou d'un épisode de chaleur extrême ne signifie pas en soi que la politique d'adaptation au changement climatique a échoué. L'adaptation ne peut pas empêcher les phénomènes météorologiques extrêmes. Elle vise à réduire les risques, à renforcer la résilience et à limiter, autant que possible, les conséquences. Cela dit, nous devons aussi reconnaître que notre pays n'est pas encore suffisamment préparé à l'augmentation des risques climatiques. C'est également le constat exprimé par le Cerac dans ce Belgian Climate Risk Assessment (BCRA) qui constitue une base importante de ma politique d'adaptation.

 

Deuxièmement, en ce qui concerne les incendies dans les Hautes Fagnes, les informations disponibles indiquent que le déclenchement semble avoir été lié, comme je l'ai dit, à l'intervention humaine. Cela n'enlève rien au fait que la sécheresse prolongée et les températures élevées ont créé des conditions dans lesquelles l'incendie a pu se propager avec une rapidité et une intensité exceptionnelles; et ce, dans l'une des régions autrefois les plus humides du pays. Je retiens toutefois de cet été la leçon suivante: nous devons agir simultanément sur la connaissance des risques, la prévention, la détection et le monitoring, la communication et la capacité d'intervention de nos services de secours et de contrôle du respect des règles.

 

Tijdens de crisis zelf lag de operationele leiding bij de diensten en autoriteiten die bevoegd zijn voor civiele veiligheid en noodplanning. We mogen daarbij ook trots zijn – velen van u zeiden dat al – op de inzet en performantie van onze hulpdiensten, ziekenhuizen, brandweer, Civiele Bescherming, Defensie, natuurbeheerders en iedereen die tijdens de crisis heeft geholpen.

 

Mijn verantwoordelijkheid als federale minister van Klimaat bestaat erin ervoor te zorgen dat we de risico’s beter kennen, er beleidsmatig op anticiperen en de samenwerking tussen de verschillende bevoegde overheden versterken. Bepaalde politieke fracties zeggen vaak dat klimaatadaptatie een gewestelijke bevoegdheid is. Het klopt dat de gewesten over de belangrijkste hefbomen beschikken om een preventief klimaatadaptatiebeleid te voeren. Zij zijn bijvoorbeeld bevoegd voor stedenbouw, natuurbeheer en preventieve gezondheidszorg.

 

Dat neemt echter niet weg dat ook de federale overheid belangrijke bevoegdheden heeft. Meer nog, ze heeft er alle belang bij om sterk in te zetten op klimaatadaptatie. Wanneer de grenzen van het gewestelijke adaptatiebeleid worden bereikt en de gevolgen van extreme weersomstandigheden zich voordoen, komen belangrijke kosten immers bij de federale overheid terecht, bij onze gezondheidszorg en sociale zekerheid, bij onze interventiediensten en uiteindelijk bij onze al zwaar belaste federale begroting.

 

L'autorité fédérale dispose également de centres d'expertise importants tels que l'Institut royal météorologique (IRM) et le Cerac, qui remplissent des missions essentielles telles que cartographier scientifiquement les risques climatiques, anticiper leurs évolutions futures et formuler les recommandations à l'intention des décideurs politiques.

 

En matière de feux de végétation, les faits parlent d'eux-mêmes. Dès la fin du mois de février 2025, le Cerac avait alerté sur les risques des feux de végétation et sur la nécessité de renforcer notre préparation et notre coordination à l'échelle nationale. Il attirait notamment l'attention sur le risque de devoir faire face, dans les années à venir, à plusieurs incendies complexes et simultanés, par exemple dans les Hautes Fagnes et dans la Kalmthoutse Heide. À la suite de cet avertissement, j'ai écrit à l'ensemble des autorités compétentes afin de les sensibiliser à ce risque et de proposer l'élaboration d'un plan d'action interfédérale relatif aux phénomènes météorologiques extrêmes. Comme je vous en ai déjà informé, la Flandre avait alors rejeté cette proposition. Dès l'année dernière, à ma demande, le gouvernement fédéral avait également dégagé des moyens budgétaires afin d'approfondir les analyses de risques du Cerac.

 

Je n'ai donc pas commencé, comme le dit le collègue Van Lysebettens, à agir après les incendies de cet été. Depuis plus d'un an déjà, nous donnons concrètement suite à plusieurs recommandations du Cerac. Cela démontre une nouvelle fois le rôle essentiel de telles institutions fédérales. Je tiens à dire que j'ai reçu une réponse au courrier qui leur avait été adressé de tous les gouverneurs, mais également de tous les ministres concernés, qu'ils soient régionaux ou fédéraux, parfois après un rappel, il est vrai. Ces documents sont à la disposition du Parlement et ont d'ailleurs été transmis à la presse quand elle me l'a demandé. Ils ont également été transmis au groupe socialiste à la Région wallonne qui m’en avait fait la demandé. Ces documents n'ont rien de confidentiel. Ils sont parfois intéressants à lire et témoignent des sensibilités différentes des uns et des autres. Tout le monde a répondu. Parfois certains qui sont montrés du doigt ont également agi de manière utile également, selon moi. Cela doit être dit.

 

Tegelijkertijd toont dat aan hoe belangrijk het is om onze coördinatie verder te versterken. Ik ben ervan overtuigd dat ieder beleidsniveau binnen de toegewezen bevoegdheden het uiterste doet. Een crisis van de omvang van de klimaatverandering vereist evenwel dat we in dit land meer en beter samenwerken. Het federaal regeerakkoord bepaalt dat de federale overheid in samenwerking met de gewesten een interfederaal actieplan inzake extreme weeromstandigheden uitwerkt. Tijdens de uitzonderlijke hittegolf heb ik daarom op 1 juli de betrokken federale, gewestelijke en gemeenschapsinstanties samengebracht om concrete gezamenlijke werkzaamheden op te starten. Het uitgangspunt is duidelijk. Een interfederaal plan moet de bestaande federale, gewestelijke en lokale plannen niet vervangen, maar moet ervoor zorgen dat ze beter op elkaar aansluiten wanneer bevoegdheden en verantwoordelijkheden elkaar raken.

 

Sindsdien lopen verschillende concrete trajecten. Op het vlak van hitte werd reeds in de eerste helft van juli beslist om tegen de lente een Belgisch heat-health preparedness response plan uit te werken samen met mijn collega's Vandenbroucke en Quintin. De bedoeling is te komen tot operationele draaiboeken die bij hittegolven onmiddellijk inzetbaar zijn op het vlak van besluitvorming, waarschuwingssystemen, gezondheidssurveillance, communicatie en bescherming van kwetsbare groepen. Ook de inventarisatie van koele plaatsen wordt daarin meegenomen. Op federaal niveau heeft minister Matz afgelopen zomer reeds beslist om de ontvangstruimten van federale musea als koeltezones in te zetten. De ambitie is nu om samen met de regionale en lokale overheden te komen tot een bruikbare cartografie van publiek toegankelijke koelplekken, het openstellen ervan organisatorisch mogelijk te maken en burgers tijdens hittegolven daarover duidelijk te informeren.

 

La protection des travailleurs contre les chaleurs extrêmes doit, elle aussi, être renforcée dans le cadre des structures compétentes. Dans le cadre de nos travaux antérieurs, nous avons déjà convenu d'intensifier la sensibilisation des employeurs, des travailleurs et des indépendants aux risques liés à la chaleur ainsi qu'aux règles de prévention applicables. Nous coordonnons cette démarche avec le ministre Clarinval, qui est compétent pour cette matière. En l'occurrence, l'exemple espagnol n'est pas dénué d'intérêt en ce qui concerne l'adaptation des conditions de travail aux fortes chaleurs et aux épisodes de chaleur extrême.

 

Le Risk Management Group du SPF Santé publique a, entre-temps, rendu ses premiers avis. De plus, les équipes opérationnelles travaillent à la préparation du plan "chaleur et santé". Fin novembre, une conférence interministérielle Environnement-Santé se tiendra sous ma présidence. Elle devra notamment permettre de prendre des décisions concernant les valeurs seuils du plan national fortes chaleurs et pics d'ozone. Je souhaite également soumettre à cette occasion aux régions la question de la mise en place d'un réseau national de zones de fraîcheur.

 

Ik ben blij dat de federale regering op vrijdag 18 september aan de ministers Quintin en Francken en mijzelf het mandaat heeft gegeven om een actieplan Natuurbranden uit te werken. Enerzijds moet dat plan de operationele capaciteit van de interventiediensten versterken. Daarbij wordt onder meer bekeken hoe middelen van Defensie en de Civiele Bescherming sneller kunnen worden ingezet bij grote natuurbranden en andere klimaatgerelateerde crisissen. De ministers Quintin en Francken nemen daarin de leiding.

 

Anderzijds moet het plan maatregelen bevatten inzake risicokennis en preventie van natuurbranden. Daar neem ik de leiding. Vanuit mijn federale klimaatbevoegdheden leg ik verschillende prioriteiten op tafel. Ten eerste zijn er activiteiten waaraan we federaal werken en waarvoor we de samenwerking met de gewesten willen formaliseren. Via de op mijn vraag opgestarte Cerac-projecten BELFIRES en Fire4BE worden vandaag al verschillende concrete initiatieven ontwikkeld.

 

Sinds dit jaar is de Nationale Databank voor Natuurbranden operationeel. Dankzij die databank weten we dat België al 379 natuurbranden heeft gekend, gemiddeld 62 per jaar. We werken aan een cartografie van het toekomstige natuurbrandrisico in België als gevolg van de klimaatverandering.

 

Die kennis is essentieel voor natuurbeheerders om preventiemaatregelen te nemen en voor veiligheidsdiensten om hun investeringen en operationele voorbereidingen daarop af te stemmen. Daarnaast werken we aan concrete, inzetbare modellen inzake de verspreiding van brand en rook. Tijdens de natuurbrand in de Hoge Venen werd al een eerste model door de interventiediensten gebruikt. Via de Cerac-projecten willen we dat verder optimaliseren.

 

Tot slot willen we ook beter begrijpen welke gevolgen natuurbranden hebben voor de volksgezondheid, zodat de bevoegde autoriteiten hun waarschuwingssystemen en beschermingsmaatregelen daarop kunnen afstemmen. Ik sta hierover in contact met mijn collega Yves Coppieters, die daarvan eveneens een prioriteit maakt.

 

Cela dit, nous devons aller plus loin. Sur le plan interfédéral, nous devons développer des indicateurs météorologiques nationaux du risque d'incendie afin que l'IRM puisse informer adéquatement et en temps réel les gestionnaires régionaux des espaces naturels du danger lié à la chaleur, à la sécheresse et au vent.

 

À l'échelle européenne, nous devons également plaider pour des évaluations du risque d'incendie à une échelle géographique plus fine, notamment sur la base des données satellitaires européennes.

 

Pour chacune de ces priorités, je souhaite, dans le cadre du plan d'action sur les incendies de forêt, tendre la main aux régions afin d'aboutir à des actions soutenues à l'échelle nationale qui préparent mieux notre pays au risque d'incendie, tout en évitant la fragmentation des initiatives. Le gouvernement fédéral nous a chargés, conformément à l'accord de gouvernement, d'élaborer ce plan en collaboration avec les régions. Cette concertation a entre-temps débuté.

 

Mes services participent également aux activités du Belgian Wildfire Network, qui rassemble de manière bottom-up tous les acteurs concernés.

 

Op mijn vraag zal in het kader van dat actieplan ook worden gewerkt rond andere klimaatrisico’s, waaronder overstromingen. Vijf jaar na de dodelijke overstromingen in de Vesder moeten wij ons immers blijven voorbereiden op extremere weersomstandigheden als gevolg van de klimaatverandering.

 

Dat moet ertoe leiden dat wij de interfederale samenwerking op het vlak van de beleidsvoorbereiding voor extreme weersomstandigheden versterken en beter coördineren. Het Nationaal Crisiscentrum en Cerac kunnen daarin een belangrijke rol spelen, zonder van Cerac een operationeel crisiscentrum te maken. Dat is immers niet zijn opdracht.

 

Die trajecten zullen eveneens worden meegenomen in de voorbereidingen van het nieuwe federale adaptatieplan 2027-2031.

 

Het federale adaptatieplan moet vertrekken van een duidelijk klimaatscenario. Wat betekent een wereldwijde opwarming met 3 graden Celsius tegen het einde van de eeuw concreet voor België? Wat is de potentiële economische schade? Welke risico’s willen wij als samenleving aanvaarden? Welke maatregelen plaatsen wij daartegenover?

 

Op die basis moet het uitgangspunt zijn dat elk beleidsdomein zich voorbereidt. Adaptatie moet worden geïntegreerd in onder meer het gezondheidsbeleid, de infrastructuur, de mobiliteit, de arbeidsbescherming en de civiele veiligheid.

 

Tegelijk zal ik vereisen dat het plan volledig wordt gebudgetteerd, zodat we een duidelijk zicht krijgen op de vereiste investeringsbudgetten.

 

J'en viens à présent au financement. Selon moi, le principe est, en soi, simple: investir aujourd'hui dans l'adaptation aux changements climatiques revient à éviter demain des coûts humains, sociaux et budgétaires bien plus élevés.

 

In de rapporten van Cerac en het Federaal Planbureau staat dat de extreme hitte van deze zomer ons dit jaar al 1 % van het bbp zou hebben gekost, met belangrijkste impact op het vlak van de verloren arbeidsproductiviteit, de landbouwopbrengsten, de binnenvaart en de energie.

 

Op termijn kunnen dergelijke klimatologische omstandigheden ons jaarlijks tot maximaal 3,5 tot 12 % van het bbp kosten in 2050. Dat, dames en heren, is de economische realiteit waarmee iedere sector rekening moet houden, wanneer vandaag investeringen voor morgen worden gepland.

 

La Commission européenne a estimé en 2026 que les États membres devraient investir jusqu'à 70 milliards d'euros par an dans l'adaptation climatique pour 2050. Pour la Belgique, cela représente environ 0,2 % du PIB, un montant nettement inférieur aux dommages économiques potentiels identifiés dans les rapports du Cerac.

 

C'est la raison pour laquelle j'ai déjà plaidé pour que nous ouvrions, sur le plan européen, le débat sur la manière dont ces investissements peuvent être mieux pris en compte dans le cadre budgétaire européen. Une part importante de ces investissements relève des régions, notamment dans le cadre de leurs compétences relatives à l'aménagement du territoire. Toutefois, nous devons également opérer des choix à l'échelle fédérale pour renforcer la résilience de notre société.

 

Les investissements dans le service d'incendie, la Protection civile, la composante civile, la Défense et notre système de santé contribuent directement à cette résilience. Dès lors, nous devons plaider pour que de tels investissements puissent également être pris en considération dans les dépenses entrant en ligne de compte pour la norme OTAN.

 

Mevrouw Van Keymolen en mijnheer Van Lysebettens, u had vragen over de nood aan bijkomende studies door het Cerac: ten eerste een kosten-batenanalyse over de adaptatie met betrekking tot overstromingen, en ten tweede een globale kosten-batenanalyse voor de gehele Belgische economie voor alle klimaatrisico's. Ik kan bevestigen dat Cerac tegen het einde van dit jaar een studie uitvoert over de kosten en baten van de adaptatie voor overstromingsrisico's. Bijkomende Ceracstudies en samenwerkingen met onder meer het Federaal Planbureau en BOSA over de economische impact van andere klimaatrisico's zoals hitte zullen volgen. Dat maakt deel uit van het ontwerpprogramma 2027-2029.

 

Het is evident dat in dat kader ook naar interacties met andere risico's moet worden gekeken, zoals het verlies van biodiversiteit. Dat maakt ook deel uit van het mandaat van Cerac. Ook is bijkomend wetenschappelijk onderzoek nodig naar onzekere factoren, zoals het afzwakken van de golfstromen. Dergelijke analyses kunnen het toekomstige adaptatiebeleid aanvullen.

 

En même temps, monsieur Van Lysebettens, les éléments que vous citez sont très intéressants, mais aussi, reconnaissons-le, très complexes, d'une grande portée et, surtout, instructifs sur le plan conceptuel et théorique.

 

Pour avancer sur des aspects plus concrets concernant, la question des coûts d'opportunité, nous ne pouvons plus nous permettre de choisir entre la climatisation et, par exemple, la recherche et le développement. Nous devons investir dans les deux. Il est certes regrettable de devoir engager des dépenses supplémentaires pour atténuer les effets du changement climatique, et ce au détriment d'autres opportunités. Cependant, l'adaptation et l'atténuation sont essentielles, et non facultatives. Plus tôt nous agirons, plus nous pourrons limiter les coûts.

 

Er is uiteraard ook een belangrijke Europese dimensie. België kan zich niet in zijn eentje aanpassen aan een veranderend klimaat. Alle lidstaten worden geconfronteerd met toenemende risico's, zoals de gevolgen van hitte, droogte, overstromingen en natuurbranden. Ik kijk dan ook uit naar het Europese kader voor klimaatweerbaarheid en risicobeheer, dat de Europese Commissie eind oktober zal publiceren.

 

Tot slot, want hierover werden enkele vragen gesteld, met betrekking tot het natuurherstelplan wil ik de bevoegdheidsverdeling duidelijk respecteren. Voor de uitvoering van de Europese natuurherstelverordening werken de drie gewesten en de federale overheid, elk binnen hun eigen bevoegdheden, aan een bijdrage. De federale bevoegdheid behandelt daarbij het mariene milieu van de Noordzee. Het herstel van de Hoge Venen valt onder de bevoegdheid van het Waalse Gewest. Ik wil mij dan ook niet in de plaats stellen van de bevoegde Waalse autoriteit om te bepalen welke herstelmaatregelen daar moeten worden genomen.

 

Mesdames et messieurs, chers collègues, la conclusion que je tire de cet été n'est pas qu'une seule autorité ou qu'un seul niveau de pouvoir détient toutes les réponses, bien au contraire. Les phénomènes météorologiques extrêmes ne s'arrêtent pas aux frontières institutionnelles. Notre approche doit donc reposer sur trois piliers: mieux connaître les risques, mieux nous y préparer et continuer à agir sur les causes du changement climatique.

 

Par expérience personnelle, je peux dire qu'il y a malheureusement une similitude entre la lutte contre le dérèglement climatique et la lutte contre le cancer: il est d'abord nécessaire de connaître les facteurs de risque, mais aussi, une fois qu'on les connaît, de les analyser et, ensuite, d'avoir ce que l'on appelle une politique de prévention et d'alerte précoce. Il n'en va pas autrement pour le climat et la nature.

 

L'adaptation et l'atténuation ne sont pas deux branches d'une alternative entre lesquelles il faudrait choisir. Nous devons préparer notre société aux changements climatiques qui sont déjà perceptibles aujourd'hui, tout en continuant à réduire nos émissions afin d'éviter que les risques futurs ne deviennent incontrôlables.

 

C'est précisément la logique de l'action interfédérale que je défends. Il ne s'agit pas de créer un plan supplémentaire à côté de tous ceux qui existent déjà, mais de faire en sorte que les autorités, services et instruments politiques collaborent mieux et que les connaissances scientifiques se traduisent effectivement en prévention, en préparation et en actions concrètes. Comme je l'ai déjà dit au mois de juillet, anticiperen in plaats van ondergaan – anticiper plutôt que subir.

 

Mevrouw van Riet, u hebt nog enkele bijkomende vragen gesteld.

 

Ten eerste, wat betreft de samenwerking tussen de verschillende federale instanties die bevoegd zijn voor de ecologische transitie, namelijk Cerac, BCC en FIDO, werk ik, zoals u weet, aan een voorstel voor de oprichting van een agentschap voor ecologische transitie, dat verschillende entiteiten zou samenbrengen en bestaande overlapping zou vermijden, in lijn met wat is voorzien in het regeerakkoord. Er zal tevens worden voorzien in een samenwerkingsprotocol, bijvoorbeeld met het KMI. Het is mijn intentie om tegen het einde van deze maand een voorstel aan de regering voor te leggen.

 

Ten tweede, wat betreft de federale kritieke infrastructuur, zoals onze energie-infrastructuur, de spoorwegen en de federale gebouwen, het is absoluut cruciaal dat die entiteiten zich voorbereiden op het klimaat van morgen. Wat betekenen 3 graden Celsius mondiale opwarming in termen van droogte en wat is de impact op onze kerncentrales, die water nodig hebben om te koelen? Wat is de impact van de hitte op onze terreinen en spoorwegen? Wat betekent dat voor de werkomstandigheden in de federale administratieve gebouwen? Ik onderhoud met betrekking tot die kwesties nauwe contacten met minister Quintin, die instaat voor de coördinatie in het kader van de toekomstige CER-wet, die kritieke entiteiten verplicht om alle risico's, met inbegrip van klimaatrisico's, in een risicoanalyse in kaart te brengen.

 

Dat zijn de antwoorden op de vragen die mij zijn gesteld, mijnheer de voorzitter.

 

De voorzitter: Dank u, mijnheer de minister, voor uw vele antwoorden. We zullen nu in de replieken horen of die het Parlement voldoening schenken.

 

01.11  Katrijn van Riet (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

U denkt net als wij aan een efficiënter beheer en aan een verdere rationalisering van alle verschillende bestaande diensten en agentschappen. U hebt daarnet aangegeven dat die instellingen beter moeten samenwerken en dat wij overlapping moeten vermijden, maar ook dat de federale en de gewestelijke entiteiten zich moeten voorbereiden op het klimaat van morgen.

 

Ik wil daarbij verwijzen naar wat eerder al bestond, zowel in Vlaanderen als in Wallonië, op het vlak van waterbeheer. Wij gingen er altijd van uit dat we het water zo snel mogelijk moesten afvoeren via rechte kanalen en rechte rivieren. Daar zijn we ondertussen op teruggekomen. We willen het water meer in de grond laten indringen en de rivieren opnieuw laten meanderen.

 

In het verleden hebben wij onze huizen, woningen en kantoren zodanig ontworpen dat er veel lichtinval zou zijn, omdat we de zon naar binnen wilden halen. Ook daarin moeten we nu veranderingen aanbrengen. Dat kan natuurlijk niet van de ene op de andere dag.

 

Mijnheer Van Lysebettens, het systeem heeft inderdaad gewerkt, maar ik heb tegelijk aangegeven dat er nog veel verbeterpunten zijn en dat we ons beter moeten aanpassen. Een gewestelijke of federale regering kan ook niet zomaar de woningen van duizenden mensen veranderen. Dat is heel jammer. We zullen de kwetsbare groepen veel beter moeten bereiken. We zullen, zoals de minister opmerkt, ook koelteplekken moeten aanduiden. We zullen ons moeten aanpassen en nagaan hoe we daarmee moeten omgaan.

 

Het actieplan voor natuurbranden wordt federaal tussen de verschillende ministers uitgewerkt. Dat kunnen we alleen maar toejuichen.

 

Mijnheer de minister, ik wil uw woorden niet herhalen, maar wij staan in ieder geval aan uw kant om alle betrokken agentschappen te rationaliseren en een efficiënter beheer te realiseren.

 

01.12  Sam Van Rooy (VB): Minister, dank u voor uw uitgebreide antwoord.

 

De brand in de Hoge Venen is allicht het gevolg van maaiwerken die men op dat moment, bij langdurige droogte, nooit had mogen uitvoeren. Met andere woorden, als de overheid niet zo dom was geweest, dan was die grote, verwoestende natuurbrand nooit gebeurd.

 

Toen ik jaren geleden in het Vlaams Parlement pleitte voor klimaatadaptatie, voor aanpassing aan een veranderend klimaat, wat de mens altijd al heeft gedaan en dankzij nieuwe technieken en technologieën met steeds meer succes doet, werd dat weggelachen door dezelfde partijen die nu eindelijk zeggen dat ze toch ook een beetje willen inzetten op klimaatadaptatie. Too little, too late. Ook de verwoestende overstroming in de Vesdervallei, waarnaar u hebt verwezen, minister, was een gevolg van de eenzijdige obsessie van de overheid met CO2-uitstootreductie en het complete gebrek aan een klimaatadaptatiebeleid.

 

Wat als de overheid de afgelopen decennia de vele miljarden euro's of een deel daarvan had geïnvesteerd in klimaatadaptatie in plaats van in obsessieve CO2-uitstootreductie? Wat als de overheid, minister, dat geld had geïnvesteerd in infrastructuur, in onze Civiele Bescherming, in onze brandweer en in meer en beter materieel in plaats van in obsessieve CO2-uitstootreductie? De vraag stellen is ze beantwoorden. Terwijl de regering miljoenen euro's van ons belastinggeld uitgeeft aan het planten van bomen in Afrika – ik verzin dat niet –, werden onze eigen brandweer en Civiele Bescherming financieel en materieel verwaarloosd. Minister, het zou grappig zijn, mochten de gevolgen daarvan niet zo desastreus zijn.

 

01.13  Patrick Prévot (PS): Nous venons d'avoir, en effet, une belle illustration de climatoscepticisme. À entendre certains, j'ai l'impression que d'aucuns ont systématiquement envie de rester l'âne qui trébuche sur la même pierre.

 

Pour ma part, monsieur le ministre, je voudrais tout d'abord vous dire quelque chose de très simple. Je vous ai écouté attentivement et je ne doute évidemment pas de votre engagement personnel sur ces questions. Vous le savez, je vous l'ai déjà dit en public comme en privé, ce qui m'inquiète, c'est votre attelage. Cependant, je ne peux pas non plus vous considérer comme une victime consentante: vous le saviez en montant au gouvernement. Comme disait feu ma grand-mère: "Tu as voulu un vélo, pédale maintenant!"

 

Mon intention n'est évidemment pas de faire ici un procès personnel. Mais je voudrais tout de même préciser quelques éléments. La première chose qui tombe sous le sens, c'est que le problème – et je sais que vous n'avez pas de problème d'ego – dépasse largement la personne de Jean-Luc Crucke. Le problème concerne précisément la capacité de ce gouvernement à transformer une réalité climatique, désormais incontestable n'en déplaise à certains, en décisions politiques concrètes.

 

Malgré le fait que je vous ai bien entendu, pardonnez-moi si je reste quelque peu sur ma faim. J'ai entendu votre volontarisme, que je ne remets pas en cause, et notamment ce que vous avez mis en place avant même les épisodes d'incendies que nous avons connus cet été. J'ai entendu les études, les concertations, les plans, les groupes de travail, les évaluations et les trajectoires. Tout cela est évidemment nécessaire. Mais, à un moment donné, il faut pouvoir passer de la connaissance à la décision car nous ne sommes plus à un moment où nous devons convaincre – quoique, peut-être que si finalement – que le changement climatique existe. Nous ne sommes plus au temps où l'on doit démontrer qu'il y aura des conséquences. Nous venons d'en vivre les effets dramatiques: des vies humaines perdues, je l'ai dit, des milliers d'hectares détruits, des populations évacuées et nos services publics mobilisés dans des conditions extrêmement difficiles. Derrière tous ces chiffres, derrière ces services, il y a évidemment des personnes qui ont perdu un proche ou qui ont eu peur pour leur maison, des travailleurs qui ont œuvré dans des conditions dangereuses et extrêmement pénibles – agriculteurs, pompiers, policiers, soignants, agents publics – et qui ont tenu bon parce qu'il fallait tenir

 

Il faut des plans. Mais un plan n'est pas une politique tant qu'il n'est pas financé. Vous le savez mieux que moi, tant qu'un plan n'est pas décidé et mis en œuvre, on ne peut pas en mesurer pleinement les effets et les résultats. Il faut aller plus loin. Vous êtes le ministre du Climat dans un gouvernement qui ne peut pas se contenter de dire que le ministre du Climat se penche sur la question. Cela ne peut pas être la responsabilité unique du ministre du Climat.

 

Quand il fait 40 degrés, ce n'est pas uniquement une question climatique. C'est une question de santé, de travail, de logement, de mobilité, mais aussi d'agriculture. C'est une question d'aménagement du territoire, de sécurité civile, d'infrastructures et, finalement, c'est une question budgétaire. Autrement dit, la politique climatique doit être la politique de l'ensemble du gouvernement, et pas simplement celle du ministre du Climat. C'est précisément sur ce point que je voudrais vous demander quelque chose de très concret. Dans les prochains mois, après les réunions, les concertations, les task forces, les lectures des différents rapports et tout le reste, il faudra évidemment répondre à des questions simples. Nous vous attendrons sur ce point. Quel budget? Quel calendrier? Quelles responsabilités pour quel ministre? Je le répète, cela n'incombe pas uniquement au ministre du Climat. Et surtout, quels objectifs mesurables et dans quels délais?

 

Il ne faudrait pas que l'an prochain, au même moment, nous nous retrouvions avec la désagréable impression que nous sommes confrontés aux mêmes constats, aux mêmes carences, aux mêmes manquements et à une discussion identique. Cela prouverait que ce gouvernement n'a pas pleinement pris conscience des enjeux. Il ne faudrait pas revenir avec un nouveau rapport, une nouvelle concertation, une nouvelle étude, un nouveau plan, tandis qu'un gouvernement climato-sceptique nous répondrait que le ministre du Climat va se pencher sur le problème, sans lui donner les moyens d'agir.

 

Retenons de cet été que nous ne pouvons pas empêcher toutes les catastrophes climatiques, mais que nous pouvons décider de ne pas être surpris par celles que la science nous annonce. C'est toute la différence entre subir et se préparer. Or la préparation coûte de l'argent. Mais l'impréparation coûte beaucoup plus cher encore. Elle coûte des vies, des infrastructures, des entreprises, des forêts et, finalement, de l'argent public. Vous avez évoqué les travaux en cours sur l'adaptation. C'est très bien. Mais l'adaptation ne peut pas devenir une manière de renoncer à l'atténuation. Et inversement, parler de réduction des émissions ne peut pas devenir une manière de reporter à demain la protection des personnes qui souffrent déjà aujourd'hui. Nous devons donc faire les deux. C'est une conviction profonde, nous devons travailler sur ces deux dimensions de manière concomitante, réduire nos émissions et protéger immédiatement les personnes qui sont aujourd'hui directement concernées.

 

J'ajouterais même une troisième dimension, la justice sociale. En effet, le changement climatique n'est pas socialement neutre. Nous l'avons constaté. La personne qui vit dans un appartement mal isolé, qui travaille à l'extérieur, qui ne dispose pas d'une voiture climatisée, qui n'a pas les moyens d'installer une pompe à chaleur ou de partir 15 jours ailleurs lorsqu'il fait 35 degrés chez elle, ne vit évidemment pas la canicule de la même manière que d'autres. La transition climatique ne pourra réussir et produire ses effets que si elle protège d'abord celles et ceux qui sont les plus vulnérables.

 

C'est aussi pour cette raison que je ne veux pas, ni aujourd'hui ni demain, opposer climat et pouvoir d'achat. Je souhaite également que l'on cesse de présenter la politique climatique comme une contrainte supplémentaire. Une bonne politique climatique peut être une politique de pouvoir d'achat, de santé publique, d'indépendance énergétique, mais aussi – et surtout – de création d'emplois. Nous le savons désormais, rénover les logements, c'est réduire les factures. Développer les transports collectifs, c'est diminuer la dépendance à la voiture et donc au pétrole. Produire davantage d'énergie renouvelable, c'est renforcer notre autonomie énergétique. Adapter nos hôpitaux, nos écoles, nos maisons de repos et, plus largement, nos infrastructures, c'est protéger les citoyens. Investir dans les services publics, c'est nous donner les moyens d'affronter les crises à venir.

 

Monsieur le ministre, voilà pourquoi je ne vous demande pas aujourd'hui davantage de rapports. Je vous demande davantage d'action politique, singulièrement de la part de votre gouvernement. Je sais que vous allez me répondre – et vous aurez raison – que tout ne relève pas de vos seules compétences. C'est précisément pour cela que je vous demande de porter cette exigence à la table du gouvernement. Car si vous êtes convaincu – et je sais que vous l'êtes –, vous pouvez et vous devez dire à vos collègues que nous disposons aujourd'hui de preuves incontestables que les événements climatiques extrêmes vont se répéter. Nous avons les études. Nous avons les scénarios. Nous avons malheureusement déjà vécu les conséquences. Il faut désormais décider.

 

Si cela suppose de dégager des moyens supplémentaires, il faudra les dégager. Si cela suppose de revoir certaines priorités budgétaires, il faudra également pouvoir les revoir. Si cela suppose de demander un effort plus important à celles et ceux qui disposent d'une plus grande capacité contributive, il faudra pouvoir mener ce débat sereinement. Car la question n'est plus de savoir si nous pouvons encore nous permettre d'agir. La véritable question est désormais la suivante: pouvons-nous encore nous permettre de ne pas agir?

 

Je terminerai donc par ceci. Je ne souhaite pas que, dans quelques années, nous regardions l'été 2026 comme l'été où le changement climatique est soudainement devenu concret aux yeux d'une partie de la population. Je souhaite que nous puissions le regarder comme l'été où la Belgique a enfin compris qu'elle devait changer d'échelle de valeurs.

 

Nous avons tous, vous comme nous, une responsabilité particulière. Vous n'êtes pas le seul responsable mais vous siégez dans ce gouvernement. Je vous demande très sincèrement d’insuffler auprès de vos collègues cette urgence climatique et de prendre de vraies mesures. J'espère en tout cas que dans les prochaines semaines, dans les prochains mois, vous pourrez venir avec un plan, avec un financement, avec des échéances et avec de véritables mesures concrètes qui nous permettront de dire l'année prochaine qu'on était mieux préparé que les années antérieures.

 

01.14  Roberto D'Amico (PVDA-PTB): "Notre pays n'est pas suffisamment préparé à l'augmentation des risques climatiques." C'est ce que vous avez déclaré aujourd'hui, monsieur le ministre, et c'est très grave parce que cela fait des années que nous connaissons des phénomènes climatiques extrêmes qui vont d’ailleurs se multiplier. Il est clair que votre gouvernement n'est pas à la hauteur de l'enjeu. Où sont les moyens budgétaires débloqués pour faire face aux changements climatiques? Comment se fait-il que la canicule et le feu de cet été dans les Fagnes n'aient pas constitué un électrochoc pour ce gouvernement afin d'investir pour le climat? On dépense des milliards pour des F-35 et des armes qui vont accélérer le réchauffement climatique, mais rien pour le climat et pour protéger la population.

 

Vous avez cité le bon exemple espagnol concernant l'adaptation du Code du travail. En Espagne, vous devez le savoir, le travail en extérieur est strictement interdit ou doit être adapté lors des alertes météorologiques de niveau orange ou rouge émises par l'agence nationale. Nous pensons que cela devrait également être le cas en Belgique plutôt que de laisser chaque entreprise mesurer elle-même le stress thermique avec des thermomètres spécifiques qu'on appelle thermomètres WBGT. Pour ceux qui ne le savent pas, ce sont des thermomètres qui ne mesurent pas seulement la température mais aussi l'humidité, la vitesse du vent et le rayonnement du soleil.

 

Vous devez savoir que ces instruments sont rarement disponibles dans les entreprises. J'ai moi-même travaillé durant 30 ans chez Caterpillar, pour ne pas la citer ni faire de publicité, où j'ai été délégué. Dans cette entreprise qui a compté jusqu'à 5 000 ouvriers à une époque, on ne disposait pas de ce thermomètre-là. Savez-vous pourquoi, monsieur le ministre? La loi n’imposait pas ce genre de thermomètre aux entreprises. Si une entreprise qui comptait à une époque 5 000 travailleurs n'en disposait pas, j'imagine mal comment une petite PME ou d'autres pourraient en avoir.

 

Nous avons donc besoin de règles collectives.

 

Concrètement, dès que l'Institut royal météorologique (IRM) constate un dépassement des seuils, les employeurs devraient être tenus d'appliquer les mesures prévues par le Code du bien-être au travail, c'est-à-dire des pauses supplémentaires, une adaptation du temps de travail, voire l'interdiction du travail en extérieur, sauf s'ils prouvent que les conditions permettent d'y déroger.

 

Aujourd'hui, le journal Le Soir indique qu'aucun plan commun n'est prévu pour le secteur de la construction. Ce sont les entreprises qui décident individuellement de prendre des mesures ou non. Je vais vous lire extrait de cet article qui n'est qu'un exemple parmi d'autres: "Certaines entreprises en ont développé un, mais il n'existe aucun plan canicule, comme dans l'ensemble du secteur de la construction. Dans l'entreprise A2, en fin de journée, on fait tourner les camionnettes pendant 30 minutes pour les aérer avant de prendre la route. Il y avait trop d'évanouissements sur le chemin du retour, dans des véhicules restés en plein soleil toute la journée."

 

Je pense donc qu'il est urgent de revoir la réglementation actuelle afin de renforcer la protection des travailleurs. Nous avons également besoin de réinvestir dans nos services publics, dans le secteur de la santé, dans la protection civile ainsi que dans les moyens humains et matériels des pompiers, plutôt que d'imposer une politique d'austérité qui risque de nous coûter très cher dans les étés à venir.

 

Nous devons faire passer les besoins des travailleurs et de la nature avant la militarisation. C'est pour cette raison que le PTB sera présent à la manifestation pour le climat qui aura lieu le 11 octobre à Bruxelles.

 

01.15  Phaedra Van Keymolen (cd&v): Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw uitgebreid antwoord. Er is al heel veel gezegd en ik zal niet alles herhalen. Ik deel alvast uw conclusies. Het is heel belangrijk en nodig dat de verschillende beleidsniveaus beter samenwerken. Iedereen heeft op zijn eigen niveau al heel veel stappen gedaan in de goede richting en dat was ook nodig. Er liggen nu immers analyses, risico’s en aanbevelingen op tafel. Er zijn ook heel veel rapporten. De uitvoering is nu dus belangrijk, met duidelijke prioriteiten en verantwoordelijkheden die goed zijn afgebakend en een duidelijke timing.

 

We moeten hier dus zeker mee verdergaan. Ik heb er vertrouwen in u dat u dat goed zult doen.

 

01.16  Marc Lejeune (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie pour la longueur et le détail de votre réponse qui sont à la hauteur de l'enjeu. Vous faites preuve de beaucoup d'honnêteté et d'une certaine humilité au regard de l'ampleur de la tâche et des réunions qui s'annoncent. Il est très humble de se dire que, finalement, on ne maîtrise pas tout, mais qu'ensemble, nous sommes certainement plus forts pour réagir. Votre volonté ferme d'agir a été bien ressentie tout au long de votre réponse, et j'espère que les collègues l'ont entendue et en ont été convaincus.

 

Vous avez également été concret, car il faut agir sur la connaissance et sur nos capacités d'intervention. Vous avez évoqué plusieurs pistes concrètes pour que nous soyons davantage prêts et pour acquérir des automatismes. Il est extrêmement important qu'à l'avenir, nous disposions d'automatismes et de dispositifs déjà mis en place. Vous avez parlé de ce réseau national de zones de fraîcheur. Il est vrai que désormais, dans chaque commune, depuis ces canicules, nous avons tous prévu des endroits pour pouvoir rafraîchir la population. Souvenez-vous, j'avais mentionné que, dans notre commune, nous avions proposé l'accès à la piscine à un euro; je peux vous dire que nous avons eu du monde. Chacun a fait comme il a pu avec ses propres installations. Il y a par ailleurs des systèmes d'alerte beaucoup plus rapides et automatiques, un plan interfédéral, un protocole de coopération avec l'IRM ou encore une meilleure coopération entre les régions. Vous avez déjà travaillé sur le sujet et avez répété que vous alliez évidemment continuer à y travailler. Nous en sommes convaincus.

 

Concernant la cartographie des feux de forêt, voici quelques années d'ici, personne – et je suis ingénieur des eaux et forêts – ne pensait que les feux de forêt pouvaient être aussi importants. Mais après un ou deux mois de canicule telle que celle-là, quand on marchait en forêt, on avait l'impression de se déplacer sur de l'aluminium ou sur du papier crépon. C'est donc devenu une réalité. Je vous avoue que, moi-même, il y a quelques années, je ne pensais pas que cela pouvait arriver.

 

Alors, il va falloir trouver des moyens. J'espère que vous en obtiendrez quelques-uns pour nous permettre de nous adapter. Voici, enfin, ce que je retiendrai de tout ce que vous nous avez dit: anticiper, automatiser, investir et, surtout, accélérer la transition. Je vous remercie d'avance, monsieur le ministre, pour tout le travail que vous accomplirez.

 

01.17  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Vooreerst, mevrouw van Riet, u blijft maar zeggen dat het systeem heeft gewerkt en dat er verbeteringen mogelijk zijn. Er zijn 3.000 doden gevallen. Het systeem heeft niet gewerkt. Het is inderdaad jammer, jammer, jammer dat de regeringen, waarin de N-VA de grootste partij is, die urgentie niet zien en daar niet meer aan doen.

 

Uw antwoord roept vooral vragen op, mijnheer de minister. Heeft het beleid genoeg gedaan om hittedoden en gezondheidseffecten te voorkomen, om klimaatrampen te voorkomen en de impact ervan te verminderen, bijvoorbeeld via adaptatie en crisisrespons en om de enorme economische impact en budgettaire schade te voorspellen en te voorkomen?

 

U onderstreept dat het land niet voldoende voorbereid is. Ja, no shit, Sherlock. Dat staat inderdaad in de Cerac-rapporten van 2025. Ik zou ook wel willen weten waarom de gouverneur van Luik niet deed wat de gouverneur van Luxemburg wel deed, los van de partijkleur. Ik ga ervan uit dat ik daarvoor geen schriftelijke vraag aan u hoef te stellen.

 

Voorts leren we dat er, ondanks het geblaas van toeter Theo in de media, pas vrijdag op de ministerraad opdracht is gegeven om een actieplan voor natuurbranden te maken. We leren dat er een extreem dodelijke hittegolf nodig was om in juli te beginnen te praten over de uitvoering van de minimale maatregelen die in het regeerakkoord. Het leert mij vooral dat het Parlement zijn controlerende rol ten aanzien van de regering scherper moet gebruiken om de kloof tussen de gratuite uitspraken in de pers en de werkelijke beleidsdaden bloot te leggen. Pas de soucis, mijnheer de minister, dat is onze taak. Dat zullen wij doen. Concentreert u zich maar op uw bevoegdheden. Dat is al moeilijk genoeg blijkbaar.

 

In uw eigen acties benadrukt u vooral studies en die zijn absoluut nodig, maar tegelijkertijd zijn er al veel studies. U kunt actie nemen. Terecht noemt u de Europese studie die aangeeft dat de schade kan oplopen tot 12 % van het bbp in 2050. Dezelfde studie zegt ook dat we dat kunnen voorkomen door jaarlijks 0,3 % van ons bbp te investeren boven op de ETS-middelen en blijvend op mitigatie in te zetten. Het eerste verwacht ik straks in de begrotingstabellen te zien. Over het tweede zullen we u hier in de commissie bevragen.

 

01.18  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.

 

Nous vous avons entendu parler de différents projets et d'actions qui doivent être pilotées par vos collègues de l'Intérieur et de la Santé. Pour ma part, ce qui m'intéresse ici, ce sont vos actions concrètes. Vous nous parlez du plan fédéral d'adaptation 2027-2032. Permettez-moi de vous faire remarquer que 2027, c'est dans trois mois. J'imagine donc que nous serons une nouvelle fois en retard.

 

Nous attendons toujours la composante fédérale du plan social pour le climat, qui permettrait d'aider les ménages précaires à sortir de leur dépendance aux énergies fossiles. C'est d'autant plus essentiel vu la crise énergétique dans laquelle nous nous enfonçons et nous enlisons. Lorsque les températures baisseront, il en résultera une véritable catastrophe sociale. Rendre ce plan permettrait de mobiliser 1,7 milliard d'euros pour accompagner les ménages précaires en Belgique. Où en est cette contribution fédérale? Nulle part, si j'ai bien compris.

 

L'application de la loi climat relève aussi de votre responsabilité. Cette loi, portée par Zakia Khattabi et adoptée en 2024 par le Parlement, a déjà permis certaines avancées. Elle a notamment créé le Cerac, que vous avez cité à plusieurs reprises dans votre réponse. Cet OCAM du climat peut nous alerter très précisément sur les risques liés au dérèglement climatique. Pourtant, nous ne semblons pas tenir compte de ses rapports, comme l'a montré la gestion catastrophique de cet été.

 

Cette loi prévoit également la mise en place d'un conseil scientifique du climat, doté d'un comité permanent et indépendant d'experts scientifiques chargé du suivi et de l'évaluation de la politique climatique fédérale. Or ce conseil n'a toujours pas été mis en place. Où en êtes-vous à cet égard?

 

La loi prévoit également la publication de rapports de synthèse annuels sur les avancées ainsi que sur l'efficacité des politiques climatiques et énergétiques fédérales, donc de votre gouvernement. Nous n'en avons pourtant jamais vu la couleur.

 

Ce sont là des pistes d'action concrètes qui sont dans vos mains, monsieur le ministre. Où en est l'exécution de cette loi climat? Nous sommes aujourd'hui en 2026. Pour ma part, je suis arrivé dans ce Parlement en 2018, à une époque où d'immenses marches pour le climat avaient lieu partout dans le monde. Des élèves faisaient grève pour réclamer que l'on protège leur avenir. Ici même, dans les rues de Bruxelles, une manifestation a réuni plus de 100 000 citoyens qui ont marché pour un réveil, une véritable action et une ambition politique pour les protéger du dérèglement climatique et en limiter l'ampleur.

 

Puis, différentes actions ont suivi telles que le Green Deal européen ou encore la loi climat chez nous. À présent, nous vivons dans une ère où ces avancées-là sont en train d'être détricotées à l'échelle européenne, mais également en Belgique. En effet, que peut-on lire dans votre accord de majorité? Le climat y est mentionné trois fois. Il est systématiquement conditionné à la compétitivité, à travers l'opposition entre l'économie et le climat, alors que c'est le contraire qu'il faut faire. Même les entreprises l'ont compris. Aujourd'hui, c'est le politique qui est à la traîne et qui n'avance pas, alors que les citoyens sont confrontés à des difficultés terribles et doivent eux-mêmes se protéger des conséquences du dérèglement climatique au moyen d'actions entreprises à leur échelle pour le climat et pour l'environnement. Les entreprises aussi s'adaptent et développent des plans qui anticipent le dérèglement.

 

Et le politique, que fait-il? Il ne fait rien et reste bloqué dans de vieilles recettes. Le 11 octobre prochain, une grande marche pour le climat sera de nouveau organisée. Les citoyens commencent à en avoir assez de devoir marcher et marcher encore pour réclamer des actions politiques qui sont en réalité votre job. C'est votre boulot d'avoir de l'ambition pour protéger les citoyens, pour adapter notre société aux conséquences du dérèglement et pour prévenir, autant que faire se peut, une augmentation des problèmes et du dérèglement. Voilà votre travail! Donc, oui, il y aura encore des dizaines de milliers de personnes dans les rues de Bruxelles. N'attendez pas qu'elles doivent à nouveau faire des grèves et organiser de grandes marches. C'est votre job! Mettez-vous au travail et agissez partout où vous pouvez le faire!

 

01.19  Katrijn van Riet (N-VA): Mijnheer Van Lysebettens, stel nu dat die hittegolf niet in mei, juni en juli 2026 had plaatsgevonden, maar in mei, juni en juli 2023. Toen zaten uw partij en de partij van mevrouw Schlitz in de federale regering. Wat zou u op dat moment gedaan hebben? Alle maatregelen die we moeten nemen, zijn maatregelen op lange termijn. We kunnen dat niet een-op-een veranderen. Wat zou u op dat moment gedaan hebben? Had u onmiddellijk de woningen van airco voorzien? Zou u persoonlijk iedereen een voetbadje gegeven hebben? Wat zou u gedaan hebben?

 

De voorzitter: Mijnheer Van Lysebettens, voelt u zich geroepen daarop te antwoorden?

 

01.20  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Dit is gewoon weer een illustratie van het zwaktebod van de N-VA: altijd maar de zwarte piet doorschuiven naar anderen en proberen de verantwoordelijkheid te verleggen. Het is de N-VA die in Vlaanderen aan de macht is, waar volgens minister Crucke de meeste adaptatiemaatregelen liggen. Airco's plaatsen in woningen, bijvoorbeeld, zoals u zelf zegt, is een Vlaamse bevoegdheid. Wie is daar al twintig jaar aan de macht? Niet Groen, mevrouw van Riet. U bent daar aan de macht. Voor het federale niveau heeft mijn collega Schlitz hier zonet uitgelegd wat we gedaan zouden hebben. Men kan misschien luisteren als we iets zeggen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 56017921C van mevrouw Funda Oru wordt op haar vraag uitgesteld.

 

02 Question de Marie Meunier à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "L’augmentation des émissions belges de gaz à effet de serre" (56018756C)

02 Vraag van Marie Meunier aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De toename van de Belgische broeikasgasemissies" (56018756C)

 

02.01  Marie Meunier (PS): Monsieur le ministre, selon un rapport du JRC (le centre de recherche de la Commission européenne) publié ce 8 septembre, les émissions de gaz à effet de serre de la Belgique ont augmenté de 1,3 % entre 2024 et 2025. C'est la deuxième année consécutive que l'empreinte carbone belge augmente, ce qui place finalement la Belgique parmi les mauvais élèves, alors que la tendance est plutôt à la baisse dans l'Union européenne.

 

Ce sont de mauvais résultats et une mauvaise nouvelle pour le climat. Nous avons assisté cet été aux effets d'un réchauffement planétaire de 1,4 degré Celsius. Vous avez d'ailleurs eu, durant l'heure et demie qui vient de s'écouler, un débat sur cette question. Qui pourrait encore dire aujourd'hui que la décarbonation n'est pas un enjeu urgent? Nous devons tous nous rejoindre sur ce constat. C'est aussi une mauvaise nouvelle pour notre souveraineté, puisque cela signifie qu'en 2025, nous sommes davantage dépendants qu'en 2024 d'une ressource, à savoir l'énergie fossile, une énergie que nous ne maîtrisons d'ailleurs pas. Enfin, c'est également une mauvaise nouvelle pour le pouvoir d'achat, puisque les ménages sont aujourd'hui plus exposés qu'hier aux fluctuations des prix de l'énergie fossile.

 

Monsieur le ministre, comment justifiez-vous que l'empreinte carbone belge augmente alors que le gouvernement s'est engagé, dans son accord de majorité, à respecter pleinement l'Accord de Paris ainsi que les objectifs européens en matière de climat? L'été 2026 a donné une illustration dramatique des conséquences du réchauffement climatique. Comment justifiez-vous, dans ce contexte, l'échec de la Belgique en matière d'atténuation? Enfin, pouvez-vous expliquer aux citoyens quel est votre plan de décarbonation pour parvenir à la neutralité carbone en 2050, ainsi que les investissements que vous comptez mettre en œuvre pour y parvenir?

 

02.02  Jean-Luc Crucke, ministre: Madame Meunier, les chiffres auxquels vous faites référence concernent une augmentation des émissions observée entre 2024 et 2025, notamment dans certains secteurs industriels et dans la production d'électricité. Cependant, en 2024, les émissions totales de gaz à effet de serre en Belgique, hors LULUCF, suivent une tendance à la baisse depuis 1990, de moins 32,6 %, mais enregistrent une légère hausse de 0,20 % par rapport à 2023.

 

Notez que la tendance à la baisse se poursuit dans tous les secteurs, à l'exception du transport et du secteur tertiaire (chauffage des bâtiments) qui ont augmenté depuis 1990, surtout dans le premier qui continue en ce sens. Le transport routier représente 96,7 % des émissions du secteur de transport et explique en partie la hausse de 19 % observée.

 

Les émissions de l'industrie soumises au système d'échange à quotas d'émissions (ETS1) augmentent en Flandre, tandis qu'elles diminuent en Wallonie. La hausse en Flandre s'explique principalement par les secteurs de la métallurgie, de la chimie et du raffinage.

 

Ces évolutions ne remettent toutefois pas en cause les engagements climatiques de la Belgique, ni la nécessité de poursuivre et d'accélérer la transition vers la neutralité climatique. Les projections actuelles montrent que des mesures supplémentaires seront nécessaires pour atteindre l'objectif de réduction des émissions de 47 % d'ici 2030, comparé à 2005. Les scénarios WAM, avec mesures additionnelles, indiquent que cela pourrait être possible, mais que cela nécessitera alors des efforts supplémentaires.

 

Je partage néanmoins votre constat quant à la gravité des phénomènes climatiques extrêmes observés durant cet été. Ils rappellent l'urgence d'agir à la fois sur l'atténuation du changement climatique et sur l'adaptation de notre société à ses impacts. Il serait toutefois erroné de tirer des conclusions hâtives à partir d'une seule année d'évolution des émissions. Ce qui compte est à la trajectoire de long terme et la capacité à mettre en œuvre des mesures structurelles permettant de réduire durablement notre dépendance aux énergies fossiles.

 

Le gouvernement reste engagé dans le respect de l'Accord de Paris et des objectifs climatiques européens. Dans ce cadre, la Belgique doit contribuer à l'objectif européen de neutralité climatique à l'horizon 2050 et à l'objectif intermédiaire de réduction des émissions pour 2030. Le Plan national Énergie-Climat (PNEC) à l'horizon 2030 et davantage encore à l'horizon 2040 est la pierre angulaire de notre stratégie climatique et énergétique. Les investissements nécessaires doivent occuper une place centrale dans les prochains PNEC.

 

Dans le cadre de la révision du règlement européen sur la gouvernance de l'Union de l'énergie et de l'action pour le climat, l'Union européenne souligne la nécessité de faire des PNEC non seulement des instruments de planification des politiques publiques, mais également de véritables cadres stratégiques d'investissement au service de la transition énergétique et climatique.

 

Le PNEC doit fournir une vision intégrée de la transition, définir les orientations stratégiques et rassembler l'ensemble des mesures nécessaires par secteur afin de garantir une action cohérente, ambitieuse et efficace. Je tiens à souligner que la transition est avant tout une question d'investissement. L'administration a calculé que, selon le scénario de transition retenu, les besoins en investissements supplémentaires peuvent aller jusqu'à 3 % du PIB en moyenne d’ici à 2050. Une partie importante de ces investissements sont des investissements publics ou doivent être soutenus par des moyens publics. On parle donc de plusieurs milliards d'euros de dépenses publiques supplémentaires nécessaires chaque année au niveau belge afin d'atteindre les émissions nettes nulles en 2050.

 

02.03  Marie Meunier (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse détaillée. On est d'accord sur le fait que tout ceci augure quand même des choses assez dramatiques. J'entends les mesures supplémentaires qui seront nécessaires pour arriver aux objectifs, les efforts supplémentaires, l'investissement calculé par votre administration à hauteur de 3% du PIB. J'entends également qu’une grosse partie de ces 3% serait pour de l'investissement public.

 

Je vous invite, comme à chaque fois, à vous battre au sein de ce gouvernement pour y arriver. Nous posons tous le même constat et sommes régulièrement d'accord sur le sujet ici, au sein de cette commission, par contre, les moyens consentis par le gouvernement pour arriver aux objectifs ne suivent généralement pas. Vous aurez donc notre soutien si vous vous battez pour y arriver au sein de ce gouvernement. J'espère qu'il vous entendra.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Question de François De Smet à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "Le recyclage des plastiques et la collecte PMD" (56016846C)

03 Vraag van François De Smet aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "Plasticrecycling en de pmd-inzameling" (56016846C)

 

03.01  François De Smet (DéFI): Belga Now National du 9 juin 2026 publie plusieurs articles consacrés au bilan du recyclage des plastiques et de la collecte PMD (Plastiques, Métaux, Drinkkartons) en Belgique.

 

Les statistiques de FOST Plus font état d'un taux de recyclage en croissance mais avec des écarts importants entre les régions, et de difficultés persistantes sur certains flux (films plastiques, emballages alimentaires complexes).

 

La gestion des déchets ménagers est une compétence régionale en application de l'article 6 §1er II de la loi spéciale du 8 août 1980.

 

Plusieurs aspects relèvent toutefois du fédéral et justifient cette question parlementaire fédérale : la mise sur le marché et l'étiquetage des emballages, l'information du consommateur, ainsi que la transposition du règlement (UE) 2025/40 sur les emballages et déchets d'emballages (PPWR) du 19 décembre 2024 – entré en vigueur en février 2025 et qui impose des objectifs de recyclage des plastiques d'emballage de 55 % en 2030 et 65 % en 2040, ainsi que des obligations sur le contenu recyclé.

 

En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir:

 

1° l'état d'avancement de la transposition par le fédéral des dispositions du règlement PPWR relevant de ses compétences (étiquetage, mise sur le marché, contenu recyclé), et selon quel calendrier?

 

2° l’état de  la mise en œuvre par le fédéral du règlement ESPR (2024/1781), notamment sur le volet surveillance du marché et passeport numérique des produits, et avec quels moyens pour les administrations concernées (SPF Économie, SPF Santé publique - Environnement)?

 

3° la concertation  via la CIE, l'articulation entre les objectifs européens et la mise en œuvre régionale (FOST Plus, intercommunales), afin que les engagements de la Belgique vis-à-vis de l'UE soient respectés sur l'ensemble du territoire?

​​​​

03.02  Jean-Luc Crucke, ministre: Cher collègue, s'agissant du règlement sur les emballages et les déchets d'emballages, il convient de préciser qu'un règlement européen est directement applicable et ne doit donc pas être transposé. Son adoption nécessite toutefois l'adaptation du cadre juridique belge afin d'en assurer l'exécution, notamment en matière de contrôle et de surveillance du marché. Une modification de la loi relative aux normes de produits est en cours de finalisation avant sa présentation en intercabinets. Elle fournira aux autorités fédérales la base juridique nécessaire pour effectuer les contrôles prévus.

 

En parallèle, mon administration participe activement aux travaux européens visant à élaborer les actes délégués et les actes d'exécution indispensables à l'application du règlement. Ceux-ci préciseront notamment les modalités relatives à l'étiquetage, au contenu recyclé ainsi qu'aux exigences techniques applicables aux différents emballages.

 

La prévisibilité constitue un enjeu majeur pour les entreprises. Or plusieurs actes d'exécution attendus accusent un retard aujourd'hui, il faut le reconnaître. La Belgique a dès lors demandé à la Commission européenne de présenter un calendrier clair afin de permettre aux opérateurs économiques d'anticiper les nouvelles obligations. Cette demande a notamment été portée lors du Conseil Environnement du 25 juin 2026.

 

Concernant le règlement sur l'écoconception pour des produits durables (ESPR), la situation est similaire. Ce règlement est directement applicable, mais il nécessite un cadre national permettant notamment d'organiser la surveillance du marché.

 

La Belgique participe également aux travaux européens relatifs au passeport numérique des produits, dont les modalités techniques seront précisées par plusieurs actes d'exécution ainsi que par la législation sectorielle applicable aux différentes catégories de produits.

 

La crédibilité de ces nouveaux règlements reposera sur leur application effective. C'est pourquoi le renforcement de la surveillance du marché constitue l'une de mes priorités. Les nouvelles obligations européennes ne peuvent produire leurs effets que si elles s'accompagnent de contrôles suffisants et d'une concurrence loyale entre les entreprises. C'est dans cet esprit que je défends, dans le cadre des discussions budgétaires, un renforcement des capacités de l'Inspection fédérale de l'environnement.

 

Enfin, la mise en œuvre du règlement relatif aux emballages et aux déchets d'emballages (PPWR) fait l'objet d'une concertation étroite entre l'autorité fédérale et les régions. Celle-ci est coordonnée par la Commission Interrégionale de l'Emballage (CIE) avec l'appui du réseau "Emballages". Cette gouvernance permet d'élaborer des positions belges communes, d'assurer une mise en œuvre cohérente sur l'ensemble du territoire et d'associer les acteurs concernés, dont Fost Plus et les organismes régionaux compétents.

 

03.03  François De Smet (DéFI): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre réponse riche, dont j'analyserai les détails. Je prends également acte des prochains développements législatifs annoncés. Nous aurons donc l'occasion d'en discuter.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Questions jointes de

- François De Smet à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "L'exigence européenne de fournir un plan national de restauration de la nature" (56018280C)

- Marie Meunier à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "Le plan belge de restauration de la nature" (56019269C)

04 Samengevoegde vragen van

- François De Smet aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De Europese verplichting om een nationaal natuurherstelplan in te dienen" (56018280C)

- Marie Meunier aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "Het Belgische natuurherstelplan" (56019269C)

 

04.01  François De Smet (DéFI): De Morgen titrait dans son édition du 20 août 2026 "België niet op tijd klaar met natuurherstelplan". Ce constat intervient au lendemain immédiat de l'incendie des Hautes Fagnes, l'un des sites naturels les plus emblématiques et les plus vulnérables du pays. La concomitance entre la destruction d'une tourbière de haute valeur écologique et l'incapacité à remettre dans les délais le document qui doit précisément organiser la restauration des écosystèmes dégradés interpelle.

 

Le règlement (UE) 2024/1991 du 24 juin 2024 relatif à la restauration de la nature impose à chaque État membre de soumettre à la Commission un projet de plan national de restauration au plus tard le 1er septembre 2026, assorti d'objectifs quantifiés par type d'écosystème, dont les tourbières.

 

Si la matière relève pour l'essentiel des Régions, mais la coordination interfédérale et la transmission d'un plan unique à la Commission incombent au niveau fédéral, via le Comité de concertation et le point de contact national.

 

Le non-respect de l'échéance expose la Belgique à une procédure d'infraction au titre de l'article 258 TFUE.

 

L'accord de coopération du 12 février 2018 entre l'État fédéral et les Régions, relatif au partage des objectifs climatiques et énergétiques belges, illustre la difficulté récurrente à arrêter des clés de répartition en temps utile.

 

En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir:

 

S'il confirme que la Belgique ne sera pas en mesure de respecter l'échéance du 1er septembre 2026 fixée par le règlement (UE) 2024/1991,et peut préciser la date à laquelle le projet de plan sera effectivement transmis à la Commission, et indiquer si celle-ci en a été formellement informée? Les causes précises de ce retard, et les entités qui n'ont pas fourni leur contribution dans les délais? Le risque juridique et financier encouru, et si la Belgique a déjà reçu une lettre de mise en demeure sur ce dossier? Si l'incendie des Hautes Fagnes sera intégré dans le diagnostic et les objectifs du plan de restauration, et selon quelles modalités? Le mécanisme de coordination interfédérale qui sera mis en place au Comité de concertation pour garantir le respect des échéances suivantes du règlement, notamment celle de la remise du plan définitif?

 

04.02  Marie Meunier (PS): Monsieur le ministre, la Belgique n'a pas remis à temps son plan de restauration de la nature. L'échéance fixée par l'Europe, à savoir le 1er septembre, a été manquée. Ce n'est pas la première fois que la Belgique fait figure de mauvais élève, à l'heure de rendre ses plans en matière de Climat et d'Environnement. Les associations environnementales dénoncent une indifférence politique qui coûte des vies et des milliards à notre pays.

 

Monsieur le ministre, pourquoi la Belgique n'a-t-elle pas remis son plan de restauration de la nature comme prévu au 1er septembre? Comment justifiez-vous le retard pris? Où en est le plan de restauration de la nature, puisqu'il n'a pas été déposé? Quelles mesures et décisions sont déjà prises? Quelles mesures et décisions sont encore à prendre? Quand la Belgique pourra-t-elle enfin remettre son plan de restauration à la Commission?

 

04.03  Jean-Luc Crucke, ministre: Chers collègues, je vous remercie. En Belgique, les compétences relatives à la mise en œuvre du règlement 2024/1991 sur la restauration de la nature sont réparties entre les trois régions et l'autorité fédérale, cette dernière n'étant compétente que pour le milieu marin de la mer du Nord. Les quatre autorités compétentes travaillent actuellement à l'élaboration d'une proposition de plan de restauration de la nature. Les travaux se poursuivent en vue de finaliser ce plan.

 

N'ayant pas de compétence directe en matière de restauration de la nature, je ne suis toutefois pas en mesure de me prononcer sur l'état d'avancement des différentes composantes du plan, sur les mesures et décisions déjà prises ou encore à prendre, ni de confirmer la date à laquelle le plan pourra effectivement être transmis à la Commission européenne. Pour les mêmes raisons, je ne suis pas en mesure de me prononcer sur les causes précises du retard ni d'identifier les entités qui n'auraient pas fourni leurs contributions dans les délais, même si nous les connaissons.

 

Pour toute information complémentaire concernant l'état d'avancement des différentes parties du plan, les raisons du retard, les mesures et décisions déjà prises ou encore à prendre, ainsi que la date de soumission à la Commission européenne, je vous invite à vous adresser aux autorités régionales compétentes ainsi qu'à ma collègue fédérale compétente pour le milieu marin. S'agissant des éventuelles conséquences juridiques et financières de ce retard, je peux néanmoins confirmer qu'à ce jour, aucune mise en demeure n'a été adressée à la Belgique par la Commission européenne.

 

En ce qui concerne le grave incendie de forêt survenu dans les Hautes Fagnes, je dois également vous renvoyer vers ma collègue régionale compétente, qui est la mieux placée pour préciser dans quelle mesure cet événement sera pris en compte dans le diagnostic et les objectifs du plan de restauration de la nature. La coordination interfédérale et l'élaboration de ce plan sont assurées au sein de la conférence interministérielle Environnement, présidée par mon collègue régional, le ministre Brouns. Un sous-groupe spécifique a été mis en place afin d'assurer la coordination du dossier. Ce groupe est piloté par les experts des régions flamande et wallonne.

 

À ce titre, je transmettrai le courrier de la commissaire Roswall à mes collègues régionaux, avec le souhait que la Belgique puisse se distinguer par une mise en œuvre ambitieuse et diligente de ce règlement, dont l'importance apparaît aujourd'hui plus manifeste que jamais. Ce mécanisme de coordination permettra notamment d'assurer la concertation entre les différentes autorités compétentes et le suivi des prochaines échéances prévues par le règlement, y compris celles relatives à la remise du plan définitif. Vous savez également, sans qu'il soit nécessaire de les citer explicitement, que nous attendons toujours certaines contributions des régions wallonne et bruxelloise.

 

04.04  François De Smet (DéFI):  Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Personnellement, je ne suis pas un fanatique des plans. Nous en élaborons beaucoup sur énormément de choses. Cependant, il s'agit ici d'une obligation européenne qui permet avant tout d'évaluer où nous en sommes collectivement.

 

Le fait que les différentes entités fédérées ne parviennent pas à s'accorder sur un plan de qualité envoie un signal d'ensemble assez désastreux. Le fédéral pourrait peut-être être plus proactif. Cela continue en tout cas d'alimenter la réflexion selon laquelle, dans des matières telles que le climat ou la nature, nous serions sans doute plus rapides et plus ambitieux si nous agissions ensemble.

 

J'espère donc que ce plan nature pourra assez rapidement être délivré, même si la Commission ne semble pas pressée de jouer les gendarmes.

 

04.05  Marie Meunier (PS): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Voilà encore un bel exemple de lasagne belge, comme on la connaît, avec ses différents niveaux de pouvoir. Nous aurions quand même aimé obtenir quelques réponses supplémentaires. Nous interrogerons donc votre collègue, la ministre de la Justice et de la Mer du Nord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de François De Smet à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "La coordination climatique indispensable au regard des canicules estivales" (56018294C)

05 Vraag van François De Smet aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De noodzakelijke coördinatie m.b.t. het klimaat gelet op de hittegolven tijdens de zomer" (56018294C)

 

05.01  François De Smet (DéFI): Vous avez appelé le 20 août 2026 à une meilleure coordination entre les sept ministres compétents en matière de climat en Belgique et déclaré : "Chaque ministre doit se demander ce qu'il ou elle peut faire pour le climat". Vous avez également annoncé, à la suite de l'incendie des Hautes Fagnes, que vous demanderiez une évaluation de la gestion de crise et suggéré un rôle plus marqué pour l'Institut royal météorologique dans le dispositif d'alerte. 

 

En juin dernier, en dépit d’un discours assertif, vous aviez plaidé en faveur d’un plan d’action interfédéral d’adaptation au changement climatique, sans recueillir de résultats probants. La coordination climatique repose sur l'accord de coopération du 14 novembre 2002 instituant la Commission nationale Climat et sur l'accord de coopération du 12 février 2018 relatif au partage des objectifs climatiques et énergétiques belges, ​

 

Le Plan national énergie-climat, qui doit agréger les contributions fédérale et régionales au titre du règlement (UE) 2018/1999 sur la gouvernance de l'union de l'énergie, a été notifié à la Commission européenne avec retard et jugé insuffisant au regard des objectifs.

 

Enfin, rappelons que la Cour d'appel de Bruxelles a condamné l'État belge et deux Régions par son arrêt Affaire Climat du 30 novembre 2023, en leur imposant une réduction d'au moins 55 % des émissions à l'horizon 2030.

 

En conséquence, M. le ministre peut-il me faire savoir:

 

1° Les dossiers qui demeurent aujourd'hui bloqués faute d'accord entre entités, et notamment la répartition de l'effort et celle des recettes de la mise aux enchères des quotas?

 

2° S'il considère que l'appel à la bonne volonté de chaque ministre suffise, ou que la dispersion des compétences climatiques entre sept exécutifs constitue un obstacle structurel appelant une réponse institutionnelle?

 

3° Si une évaluation du fonctionnement de la Commission nationale Climat a été commandée, et si en tant que ministre fédéral il est favorable à l'instauration d'un mécanisme d'arbitrage contraignant?

 

4° Où en est l'exécution de l'arrêt de la cour d'appel de Bruxelles du 30 novembre 2023 dans le chef de l'État fédéral, et la trajectoire d'émissions actuellement projetée pour 2030 au regard de l'objectif de 55 % ?

 

5° Concernant l'alerte,  le rôle précis qu’il entend confier à l'Institut royal météorologique, avec quels moyens et selon quel calendrier?

 

05.02  Jean-Luc Crucke, ministre: Monsieur De Smet, les négociations relatives à la répartition des efforts pour la période 2021-2030 ne sont pas encore terminées. Des accords doivent encore être conclus sur plusieurs volets, notamment la répartition des objectifs nationaux en matière de climat et d'énergie, ainsi que la répartition des recettes liées au climat, telles que celles provenant du système européen d'échange de quotas d'émissions.

 

Tant qu'un accord global n'aura pas été conclu, certaines ressources resteront bloquées. Le Plan social climat belge fait également partie des dossiers, sinon bloqués, en tout cas très en retard. Et il n'y a, par ailleurs, guère d'avancées concrètes sur le plan de la stratégie nationale d'adaptation.

 

La politique climatique touche à de nombreuses compétences qui, en Belgique, sont réparties, comme vous le savez, entre plusieurs niveaux de pouvoir. Une bonne coopération entre toutes les autorités compétentes demeure dès lors essentielle. Dans le même temps, la complexité institutionnelle constitue effectivement un défi pour une prise de décision rapide et cohérente. C'est pourquoi l'État fédéral continue de miser sur un renforcement de la coopération et de la coordination au sein des structures de concertation existantes.

 

Le président: Monsieur le ministre, puis-je vous demander de lire un peu plus lentement pour les interprètes, s'il vous plaît?

 

05.03  Jean-Luc Crucke, ministre: Bien sûr, monsieur le président. L'ampleur des défis démontre clairement la nécessité d'un dialogue politique plus soutenu et plus efficace, ainsi que d'une plus grande capacité de réponse.

 

De nombreux avis, études et analyses émanant des pouvoirs publics, du monde académique, des organisations nationales et des parties prenantes soulignent depuis plusieurs décennies l'importance d'une gouvernance climatique plus performante et plus cohérente. Ainsi, un bilan du fonctionnement de la Commission nationale du climat a été rédigé voici plusieurs années, mettant en évidence différents problèmes structurels en matière de coordination.

 

Par ailleurs, un groupe de travail sur la gouvernance climatique a été créé en 2019 afin d'examiner les différentes pistes juridiques et institutionnelles susceptibles de renforcer la gouvernance. La CNC n'a jamais eu l'intention d'externaliser cette évaluation, mais bien de le faire en interne via le groupe de travail gouvernance, dont elle a pris acte des travaux. Cependant, elle n'a jamais proposé de pistes d'amélioration.

 

Dans ce contexte, des réflexions plus vastes ont également été organisées, avec des universitaires et des experts, sur l'avenir de la gouvernance climatique belge. Des exemples étrangers ont notamment été étudiés, comme ceux des Pays-Bas et du Royaume-Uni, avec le Climate Change Act de 2008 afin d'examiner les moyens de renforcer la coopération entre les différents niveaux de pouvoir.

 

Ces travaux ont abouti à un rapport de synthèse ainsi qu'à une proposition de loi spéciale relative à la gouvernance climatique, qui ont été écartés. Ces travaux ont néanmoins contribué à alimenter le débat sur une gouvernance climatique plus efficace. À défaut, à l'échelle fédéral, nous devons nous contenter de la loi relative à la gouvernance de la politique climatique de janvier 2024. En application du règlement européen sur la gouvernance de l'Union, de l'énergie et de l'action pour le climat, la coopération entre la Commission nationale Climat et la Concertation entre l'État fédéral et les régions pour l'énergie (CONCERE) a été renforcée afin d'organiser des réunions conjointes consacrées aux dossiers climatiques et énergétiques via des groupes de travail communs.

 

Une meilleure coordination ainsi qu'une plus grande capacité d'action demeure néanmoins nécessaire au sein de la Commission nationale Climat (CNC) et de la CONCERE. Des travaux sont, par exemple, en cours pour améliorer les projections belges en vue du prochain rapport d'avancement et de la préparation du projet Plan national Énergie-Climat (PNEC) 2031-2040. Ces travaux ont débuté, mais il reste essentiel de disposer d'hypothèses et de paramètres transparents, cohérents et harmonisés.

 

L'arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles du 30 novembre 2023 enjoint l'État belge, la Région flamande et la Région bruxelloise de prendre, après concertation avec la Région wallonne, les mesures appropriées pour faire leur part dans la diminution du volume global des émissions annuelles de gaz à effet de serre sur le territoire belge d'au moins 55 % en 2030 par rapport à 1990. Il souligne également les lacunes en matière de coopération entre les autorités fédérales et régionales. Cet arrêt constitue un cadre contraignant pour les autorités concernées et est pris en considération dans le cadre du développement et de la mise en œuvre de la politique climatique.

 

En ce qui concerne les trajectoires d'émissions, les évaluations disponibles indiquent que des efforts supplémentaires restent nécessaires. En outre, pour la Belgique, Il existe, dans les secteurs non couverts par le système ETS, un objectif européen juridiquement contraignant de réduction des émissions de 47 % d'ici 2030 par rapport au niveau de 2005, conformément au règlement relatif à la répartition de l'effort. Les projections actuelles montrent que la réalisation de cet objectif n'est pas acquise et que des mesures complémentaires à tous les niveaux de pouvoir restent nécessaires afin de réduire l'écart résiduel en matière d'émissions. Une analyse intégrée des mesures fédérales et régionales demeure à cet égard indispensable.

 

05.04  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse qui montre que la gouvernance climatique dans ce pays relève tout de même d'un chemin de croix. Alors, j'entends tout ce qui est fait. Je ne doute d’ailleurs pas de votre bonne volonté, mais nous savons tous qu'elle ne sera efficace que si elle est partagée par l'ensemble des acteurs concernés. Je vous remercie de l'avoir rappelé. J'espère que tout le monde se rend bien compte que cet arrêt de la Cour d'appel est effectivement contraignant et invite chacun à prendre les mesures supplémentaires nécessaires afin que les objectifs climatiques soient atteints. Donc, il faudra que chacun regarde son assiette, et pas seulement celle des autres.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 56018918C van de heer Aerts wordt op zijn verzoek uitgesteld.

 

06 Vraag van Sam Van Rooy aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De resultaten van de Belgische Barometer voor Milieu-informatie" (56019151C)

06 Question de Sam Van Rooy à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "Les résultats du Baromètre belge de l'information environnementale" (56019151C)

 

06.01  Sam Van Rooy (VB): Mijnheer de voorzitter, ik dank u om mij het woord te verlenen.

 

Mijnheer de minister, ik heb u eerder bevraagd over het onderwerp. De eerste resultaten van de Belgische barometer voor milieu-informatie zijn er nu. Het gaat om een studie die u hebt besteld bij QuotaClimat. Ik heb u daarover eerder bevraagd en ik stond daar, om het zacht uit te drukken, heel sceptisch tegenover.

 

Een van de resultaten is dat Franstalige tv-zenders dubbel zoveel of zelfs meer dan dubbel zoveel zendtijd aan klimaat besteden als Vlaamse tv-zenders. U hebt in een reactie gesteld dat u de resultaten wilt benutten om na te gaan of de media wel feitelijk correcte klimaatinformatie verstrekken. Dat is opmerkelijk. U beroept zich op een organisatie, QuotaClimat, die zich als hoofddoel heeft gesteld om de klimaatberichtgeving in de media structureel op te drijven. Dat is toch een heel activistische organisatie.

 

Ook de methodologie van het onderzoek is veelzeggend. Waalse en Brusselse regionale tv-zenders werden wel opgenomen in het onderzoek, maar Vlaamse regionale zenders niet. Er is dus toch wel een methodologisch probleem. Het lijkt er nu op, zoals ik u vorige keer heb opgemerkt, dat u een bepaalde Franstalige organisatie inschakelt om de maat van de Vlaamse media te nemen over hun klimaatberichtgeving.

 

Ik heb daarover de hiernavolgende vragen.

 

Wat is de kostprijs van het onderzoek? Wat is het totaalbudget? Wat is de looptijd van het project? Zal het onderzoek jaarlijks gebeuren? Wat wordt dan de totale kostprijs voor de hele legislatuur?

 

Wie bepaalt wat feitelijk correcte klimaatinformatie is en wat niet? Zijn er gevolgen als zogenaamde incorrecte informatie wordt vastgesteld?

 

Bent u niet van mening dat het klimaatdebat en de klimaatwetenschap, een heel jonge wetenschap, nog lang niet gesloten zijn? Dreigt een dergelijke barometer, die correcte informatie meet, het debat niet te censureren?

 

Tot slot, is er iets wat u concreet met de bevindingen gaat doen voor uw klimaatbeleid?

 

De voorzitter: Mijnheer de minister, wij zijn benieuwd naar uw antwoord.

 

06.02 Minister Jean-Luc Crucke: Het deel van de barometer 2026 over de audiovisuele media in België kostte195.112,50 euro, inclusief btw. Dat bedrag vloeit voort uit een overheidsopdracht die op Europees niveau werd bekendgemaakt. Het is inderdaad de bedoeling om het onderzoek later uit te breiden naar de geschreven pers, de digitale media en de sociale media, maar de procedure loopt nog en de precieze reikwijdte moet nog worden bepaald. Daarom zal ik vandaag geen bedrag voor de volledige legislatuur noemen, dat niet voldoende onderbouwd is.

 

Ik wil u ook geruststellen over de gebruikte methode. We beginnen niet van nul. De methode is beschikbaar, goed gedocumenteerd en wordt al in verschillende Europese landen toegepast, onder meer in Frankrijk en Polen. Ze steunt op erkende wetenschappelijke referenties, met name het werk van het IPCC en IPBES, en op Belgische referentiebronnen. De kwaliteit wordt bewaakt door een wetenschappelijk comité, dat voor de helft uit Nederlandstalige en voor de helft uit Franstalige deskundigen bestaat. Concreet worden programma's getranscribeerd en vervolgens geanalyseerd aan de hand van een beoordelingskader dat op die referenties is gebaseerd.

 

Wanneer er aanwijzingen zijn voor misleidende of doelbewust foute informatie, wordt het fragment gecontroleerd door factcheckers. Zij werken volgens erkende deontologische normen op Europees en internationaal niveau. De resultaten worden bovendien voorgesteld per vergelijkbaar onderzoeksgebied, net om vertekende vergelijkingen tussen media of taalgemeenschappen te vermijden.

 

Het idee dat we de media zouden willen controleren of een klimaatverhaal zouden willen opleggen, strookt dus niet met de realiteit van dit onderzoek. De redactionele onafhankelijkheid blijft volledig gewaarborgd. We willen beschikken over een objectieve, neutrale en transparante analyse van de manier waarop informatie over milieu en klimaat wordt gebracht.

 

Het debat over de aanpak van de klimaatverandering is uiteraard legitiem en moet open blijven, maar een debat over politieke keuzes neemt niet weg dat iedereen zich op vaststaande feiten moet kunnen baseren. Dat is precies de bedoeling van de barometer: redacties ondersteunen in hun werk en burgers helpen om hun weg in deze complexe materie te vinden.

 

Het is dus geenszins mijn bedoeling om het debat te sluiten, maar wel om het een stevige basis te geven. De resultaten zijn niet bedoeld om het klimaatbeleid van de regering te bepalen. Ze zullen transparant worden gepubliceerd en besproken met de mediasector, die nauw bij het proces betrokken is. Zo kunnen we nagaan wat goed werkt, wat beter kan en hoe we samen de kwaliteit van de milieu-informatie kunnen versterken.

 

06.03  Sam Van Rooy (VB): Dank u, minister, voor uw antwoord. Het Franse QuotaClimat, waarbij u die studie bestelde, pleit actief – ik neem aan dat u dat weet – voor een strengere regelgeving en wetgeving om media te verplichten, ik herhaal, te verplichten, nog meer over het klimaat te berichten. Nog meer. Alsof de CO2-hysterie nog niet genoeg door de strot van de burgers wordt geramd.

 

Dat is geen onafhankelijke onderzoeksinstelling, minister. Dat is een linkse activistische organisatie met tirannieke trekken. Belastinggeld wordt hier dus misbruikt om onder het mom van een studie het gewenste klimaatnarratief te vertellen en door de strot van de mensen te rammen. Dat kost dan ook nog eens, als ik het goed begrepen heb, 195.000 euro.

 

Premier De Wever zegt dat het geld op is. U hebt 195.000 euro om dit soort klimaatstudie te bestellen. Ik vind dat echt niet kunnen, minister.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van Sam Van Rooy aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De federale klimaatstudie en de conclusies ervan inzake de Belgische landbouw" (56019181C)

07 Question de Sam Van Rooy à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "L’étude fédérale sur le climat et ses conclusions concernant l’agriculture belge" (56019181C)

 

07.01  Sam Van Rooy (VB): Mijnheer de minister, om tijd te besparen, zal ik onmiddellijk overgaan tot mijn vragen. U hebt de inleiding gekregen.

 

Wie gaf precies de opdracht voor die studie? Hoeveel bedroeg de totale kostprijs? Wat waren de concrete onderzoeksvragen en uitgangspunten die aan de onderzoekers werden meegegeven? Waren de sterke vermindering van de veestapel en de herbestemming van landbouwgrond vooraf vastgelegde scenario-elementen of vloeiden die uitsluitend voort uit de modellering door de onderzoekers?

 

Beschouwt u het zogenaamde scenario van ingrijpende verandering uitsluitend als een theoretische scenario-oefening of als een beleidsoptie die de federale regering, in samenspraak met de deelstaatregeringen, daadwerkelijk in overweging neemt richting 2050?

 

Waren de deelstaatregeringen betrokken bij de opdracht of totstandkoming van die studie? Werd berekend hoeveel landbouwgrond en hoeveel landbouwproductie in respectievelijk Vlaanderen, Wallonië, Brussel en de Duitstalige Gemeenschap in dat scenario zou verdwijnen of een andere bestemming zou krijgen? Werd de economische impact daarvan per deelstaat onderzocht?

 

Werd onderzocht in welke mate een forse vermindering van de Belgische landbouwproductie tot bijkomende invoer zal leiden wanneer de consumptie van vlees, zuivel en andere dierlijke producten niet evenredig afneemt? Werd daarbij ook de mogelijke koolstoflekkage berekend wanneer productie en emissies eenvoudigweg naar het buitenland verschuiven, mogelijk naar landen waar minder efficiënt of onder minder strenge milieu-, klimaat- en productienormen wordt geproduceerd?

 

07.02 Minister Jean-Luc Crucke: Dank u, geachte collega.

 

Sinds het akkoord van Parijs en de Europese klimaatwet is het doel van klimaatneutraliteit tegen 2050 duidelijk. Om dat doel op een geloofwaardige en economisch verantwoorde manier te bereiken, hebben beleidsmakers nood aan een degelijke analyse van de mogelijke trajecten. Zulke studies bieden inzicht en lopen niet vooruit op politieke beslissingen. De studie werd besteld door de federale Dienst Klimaatverandering en werd uitgevoerd door Vito, Sytra en Gembloux Agro-Bio Tech.

 

Ze onderzochten het langetermijnpotentieel van koolstofputten in België en de mogelijke evolutie van landbouw en landgebruik in een context van klimaatneutraliteit tegen 2050. De vermindering van de veestapel en de gewijzigde bestemming van landbouwgronden waren geen vooraf vastgestelde beleidsdoelstellingen. Ze vloeien voort uit de modellering binnen het meest verregaande scenario, op basis van de technische aannames die de onderzoekers hanteerden. Die uitkomsten moeten daarom worden gelezen als elementen van een toekomstige verkenning, niet als door de regering vastgestelde doelstellingen.

 

Het scenario major change is dus geen beslist beleid en wordt niet als dusdanig door de federale regering aan de deelstaatregeringen voorgelegd. Het brengt in kaart welke veranderingen volgens het model technisch zouden kunnen bijdragen aan klimaatneutraliteit. Elke eventuele beleidsmaatregel vergt een afzonderlijke politieke afweging, overleg met de bevoegde overheden en een grondige beoordeling van de economische, sociale en ecologische gevolgen.

 

De gewestelijke administraties waren vertegenwoordigd in het beleidscomité en hebben vanuit hun expertise bijgedragen aan de werkzaamheden. De studie maakt evenwel geen afzonderlijke berekening per gewest van het verlies of de herbestemming van landbouwgrond voor productie. Ze bevat evenmin een regionale sociaal-economische impactanalyse. Ook de mogelijke bijkomende invoer wanneer de consumptie minder snel daalt dan de productie, en de daaruit voortvloeiende koolstoflekkage, werden niet afzonderlijk en volledig gekwantificeerd. Dat is een belangrijke beperking. Een beleid dat de binnenlandse productie louter zou vervangen door invoer uit landen met lage normen, zou immers noch het klimaat, noch onze landbouw vooruithelpen.

 

Binnen mijn federale bevoegdheden wil ik daarom vertrekken vanuit een dubbele doelstelling: de klimaattransitie realiseren en de voedselproductie en economische leefbaarheid van de Belgische landbouw vrijwaren. Dat vereist samenhang tussen klimaat, landbouw, handels- en consumptiebeleid, aandacht voor eerlijke prijzen en een sterkere positie van landbouwers in de waardeketen, ondersteuning van investeringen en innovatie en Europese waarborgen tegen oneerlijke concurrentie en koolstoflekkage.

 

De studie wijst daarnaast op mogelijke hefbomen, zoals de lokale productie van soja en andere plantaardige eiwitten, die onze afhankelijkheid van ingevoerde veevoeders kunnen verminderen. Ook veranderende consumptiepatronen kunnen een rol spelen. Geen van die hefbomen kan echter los worden gezien van voedselzekerheid, betaalbaarheid, handelsstromen en de concrete situatie van de landbouwbedrijven.

 

Landbouwers ondervinden vandaag al de gevolgen van droogte en de veranderende neerslagpatronen. De transitie moet hun weerbaarheid versterken en hun toekomstperspectief verbeteren. Ze kan alleen slagen wanneer ze samen met de sector wordt voorbereid, met realistische termijnen, rechtszekerheid en passende ondersteuning.

 

In dat verband is het mijn wens om vooruitgang te boeken richting een alliantie landbouw, klimaat en milieu. Die ambitie moet nog in overleg met mijn federale en gewestelijke collega's, de bevoegde administraties en de betrokken stakeholders worden geconcretiseerd, met volledig respect voor ieders bevoegdheden. Het doel is niet om vandaag al op de uitkomst vooruit te lopen, maar om na te gaan of we tot een gedeelde agenda kunnen komen die klimaatdoelstellingen, voedselproductie en een leefbare landbouw met elkaar verzoent.

 

07.03  Sam Van Rooy (VB): Dank u wel, minister, voor uw antwoord.

 

Deze waanzinnige studie, in opdracht van de federale Dienst Klimaatverandering, baart mij toch wel veel zorgen. Om België tegen 2050 zogenaamd klimaatneutraal te maken, zou volgens deze studie onze landbouw met 28 tot wel 70 % moeten worden afgebouwd.

 

De consumptie van vlees zou in dit land met niet minder dan 51 % moeten dalen en mensen zouden ook maar liefst 42 % minder eieren moeten eten. Minister, wie bedenkt dat soort scenario's? Zonder boeren, minister – we blijven dat herhalen – geen eten! Mijn oproep aan u is en blijft: stop de CO2-hysterie, help onze landbouwers indien nodig met klimaatadaptatie en zet onze eigen voedselproductie op de eerste plaats.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de Marie Meunier à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "L’extension de la clause dérogatoire nationale aux fins de l’abandon des combustibles fossiles" (56019270C)

08 Vraag van Marie Meunier aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De uitbreiding van de nationale ontsnappingsclausule voor de uitstap uit fossiele brandstoffen" (56019270C)

 

08.01  Marie Meunier (PS): Monsieur le ministre, la Commission européenne a récemment indiqué que les États membres pourraient demander l'extension de leur clause dérogatoire nationale en matière de défense afin d'y inclure des mesures visant à accélérer la transition vers l'abandon des combustibles fossiles.

 

Traduit en langage simple, cela signifie que la Belgique, tout comme les autres pays européens, pourra faire une exception aux règles budgétaires habituelles pour financer des mesures qui aident à réduire la dépendance au pétrole, au gaz et au charbon. Pour le dire encore autrement, nous connaissions "l'American Francken Express", abondamment employé par votre collègue de la Défense pour des investissements qui, soit dit en passant, nous rendent dépendants de l'armement américain. Il existe désormais une "carte de crédit Crucke" pour des investissements de décarbonation qui rétabliraient notre autonomie stratégique et aideraient réellement les citoyens à se libérer de la dépendance aux fossiles.

 

La Commission dresse une liste de mesures éligibles. Il s'agit par exemple de mesures destinées aux ménages, telles que des subventions et des prêts à taux réduit en faveur de la rénovation des bâtiments résidentiels – cela nous changerait de la politique du gouvernement wallon qui a commencé par sabrer dans les primes à la rénovation.

Il s'agit également de subventions en faveur du remplacement des chaudières à combustible fossile par des pompes à chaleur – cela nous changerait de la TVA sur les chaudières à mazout et autres mesures, qui agissent en fonction du signal pris sans aider réellement les gens à se libérer de leur dépendance aux fossiles. Et il peut également s'agir d'investissements publics dans des infrastructures ferroviaires ou des énergies renouvelables – quelle bonne nouvelle! Cette flexibilité pouvant atteindre 0,6 % du PIB pour la période 2026-2028, on parle ici de milliards d'investissements publics pour réussir la décarbonation. Vous l'avez d'ailleurs indiqué tout à l'heure: votre administration a travaillé à cet objectif de 3 % du PIB, et nous y sommes.

 

Monsieur le ministre, ce dossier est-il sur la table du gouvernement fédéral à l'heure où l'on se parle?

 

La Belgique demandera-t-elle à la Commission européenne d'étendre le champ d'application de la clause dérogatoire nationale pour des mesures d'abandon des combustibles fossiles?

 

Quelle est la liste de mesures de décarbonation et de sécurité énergétique prévues dans ce cadre? Quels en sont les coûts budgétaires estimés?

 

08.02  Jean-Luc Crucke, ministre: La communication de la Commission européenne du 18 août 2026 – peu l'ont vue – ouvre une perspective qui mérite toute notre attention. Réduire notre dépendance aux combustibles fossiles importés répond à la fois à un impératif climatique, à un enjeu de sécurité énergétique et à une exigence de compétitivité pour les entreprises, sans même parler des engagements pris lors de la conférence de Santa Marta.

 

Je souhaite toutefois préciser la portée de cette possibilité. La clause dérogatoire ne constitue pas un financement européen mis à disposition de la Belgique. Elle permettrait, sous réserve d'une demande belge et de décisions prévues dans le cadre européen, une déviation temporaire de la trajectoire des dépenses nettes pour le coût de mesures admissibles. Le plafond de 0,6 % du PIB sur la période 2026-2028 représente donc une limite théorique et non une enveloppe d'investissement déjà décidée. Cette marge s'inscrit en outre dans le plafond global applicable aux dépenses de défense et d'énergie. Ce dossier ne relève pas de mes seules compétences, la sécurité énergétique relève du ministre de l'Énergie, M. Bihet. Toute décision relative à une demande belge et à ses conséquences budgétaires doit être examinée avec le ministre du Budget, le ministre des Finances et l'ensemble du gouvernement. Plusieurs mesures évoquées, notamment la rénovation des logements et certains aspects de la politique énergétique et de la mobilité, concernent également les régions.

 

À ce stade, aucune décision collective ne permet d'annoncer que la Belgique sollicitera cette extension. Je considère pour ma part que l'ouverture proposée par la Commission va dans le sens des positions que j'ai défendues en faveur d'un New Energy Deal. Elle peut aider la Belgique à accélérer les investissements qui réduisent sa dépendance aux combustibles fossiles, qui renforcent sa sécurité énergétique et soutiennent la transition de son économie.

 

Plusieurs domaines méritent d'être examinés: les réseaux électriques, les interconnexions, les énergies renouvelables, l'électrification du rail et de l'industrie ainsi que la rénovation des bâtiments et le remplacement des chaudières fossiles par des pompes à chaleur. Le gouvernement fédéral et les Régions devront déterminer ensemble les mesures à retenir, en vérifiant leur admissibilité au regard des critères européens, leur coût et leur effet attendu.

 

À ce stade, je ne peux donc communiquer ni liste définitive de mesures ni estimation budgétaire consolidée. Néanmoins, je souhaite que ce travail soit mené rapidement afin que la Belgique puisse décider, sur une base solide, de la manière d'utiliser cette flexibilité. Il ne me semblerait pas inintéressant qu'un signal clair soit donné en la matière lors du conclave budgétaire.

 

08.03  Marie Meunier (PS): Monsieur le ministre, je vous avoue que j'ai eu peur au début et que la fin m'a remplie de joie. J'avais déjà commencé à peaufiner ma réplique. Vous savez que je vous apprécie. Je sais le travail que vous mettez en œuvre au niveau du gouvernement. Je sais que vous êtes entouré de membres du gouvernement à tendance climato-sceptique. Je sais que c'est systématiquement difficile de faire passer des mesures concernant le climat, mais ici, clairement, vous avez un levier pour agir. Alors, on l'entend, il ne s’agit pas d’une enveloppe qui viendrait de l'Europe, mais il y a vraiment un moyen d'agir pour les citoyens belges et pour aller vers une véritable décarbonation de la Belgique. En tout cas, nous le pensons.

 

J'espère donc que vos collègues entendront cet appel pour le conclave budgétaire. J'espère que vous saurez utiliser les mots justes et nécessaires pour qu'ils comprennent l'importance d’utiliser cette carte de crédit que je nommerai "carte de crédit Crucke pour l'énergie". Votre collègue M. Bihet doit aussi avoir sa part dans le débat, mais je pense que c'est vraiment vous qui pouvez la sortir. Je serai très attentive aux résultats des travaux budgétaires quand ils nous seront présentés pour voir si vos efforts seront couronnés de succès. Je vous le souhaite, en tout cas.

 

09 Vraag van Jeroen Van Lysebettens aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "De implementatie van de European Methane Regulation" (56019339C)

09 Question de Jeroen Van Lysebettens à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "La mise en œuvre du règlement européen relatif au méthane" (56019339C)

 

09.01  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, we hebben deze zomer kunnen vaststellen dat de aarde in sneltempo opwarmt. Er zijn dus dringende maatregelen nodig, zowel voor adaptatie als mitigatie, om dat tegen te gaan.

 

Methaan is verantwoordelijk voor een derde van de huidige klimaatopwarming. Een aanzienlijk deel van die uitstoot komt uit de energiesector, niet zozeer omdat men daar methaan nodig heeft, maar omdat het weglekt bij de winning, het transport en de verwerking van andere fossiele brandstoffen. Die uitstoot verminderen, behoort tegelijk tot de snelste en meest kostenefficiënte klimaatmaatregelen. We verliezen eigenlijk niets, want er worden gewoon lekken gedicht, en we winnen heel veel.

 

Daarom trad in 2024 de Europese methaanverordening in werking. Energiebedrijven moeten lekken opsporen en dichten. Ook voor ingevoerde fossiele brandstoffen wordt de verplichting stapsgewijs aangescherpt. Helaas schaart België zich aan de zijde van een aantal Europese landen die bepaalde verplichtingen uit die verordening willen uitstellen. In plaats van dringend klimaatbeleid te voeren, dreigt ons land zo de uitvoering ervan af te zwakken. Nochtans onderschreef België de Global Methane Pledge om de mondiale methaanuitstoot tegen 2030 met minstens 30 % te verminderen tegenover 2020.

 

Mevrouw de minister, welke concrete maatregelen zal de federale regering nemen om hieraan bij te dragen, in het bijzonder in de energiesector en bij de invoer van fossiele brandstoffen?

 

De Europese Unie verplicht lidstaten om doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties vast te stellen. Hoe zal België de komende jaren inbreuken sanctioneren, zowel bij importeurs als bij infrastructuur onder federale bevoegdheid, waaronder de installaties in de Noordzee of aan de Noordzeehavens?

 

Krachtens artikel 27 moet België jaarlijks gegevens over importeurs aan de Europese Commissie bezorgen. Heeft België die verplichting in 2025 en in 2026 volledig en tijdig nageleefd? Zo niet, waarom niet? Er zou volgens ingewijden sprake zijn van aanzienlijke onderrapportering. Is dat correct? Wat zijn dan de ontbrekende gegevens? Waar exact kunnen we de vinger niet op de wonde leggen?

 

Er zou bovendien ook bijkomende federale wetgeving nodig zijn om gegevens bij importeurs te kunnen opvragen en inbreuken te sanctioneren. Is dat naar uw aanvoelen het geval? Zo niet, waarom niet? Zo ja, wanneer kunnen we daaromtrent een wetsontwerp verwachten?

 

09.02 Minister Jean-Luc Crucke: Mijnheer Van Lysebettens, de Europese methaanverordening verplicht ondernemingen om hun methaanuitstoot te monitoren, te rapporteren en te laten verifiëren. Op termijn gelden ook verplichtingen voor ingevoerde fossiele brandstoffen en kan een maximum methaanintensiteit worden vastgelegd waarboven brandstoffen niet meer op de Europese markt mogen worden gebracht. Als grootimporteur kan de Europese Unie op die manier bijdragen aan de vermindering van de wereldwijde methaanuitstoot.

 

Hoewel de verordening rechtstreeks toepasselijk is, zijn de uitvoeringsbevoegdheden van de Europese Commissie beperkt en blijft belangrijk wetgevend en administratief werk op nationaal niveau nodig. De Europese politieke besprekingen over die verordening behoren tot de bevoegdheid van de minister van Energie, de heer Bihet.

 

De nationale uitvoering ligt noodzakelijkerwijs bij de milieuadministraties.

 

In België zijn de bevoegdheden verdeeld, zoals u weet. In de gewesten liggen de bevoegdheden voor de activiteiten en infrastructuur op hun grondgebied. De DG Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid houdt op basis van de federale bevoegdheid inzake productnormen en naar analogie met het Cebam toezicht op de offshore infrastructuur en op de verplichtingen voor importeurs. Binnen mijn bevoegdheden bestaat de federale bijdrage dus uit dat toezicht, de opvolging van de rapporteringsverplichtingen en de voorbereiding van het noodzakelijke juridische kader.

 

België heeft het rapport voor 2025-2026 tijdig aan de Europese Commissie bezorgd. Dat betekent evenwel niet dat de rapportering volledig was. Zoals in vele andere lidstaten is er sprake van aanzienlijke onderrapportage. Concreet ligt het aantal ondernemingen dat gegevens indient, lager dan het werkelijke aantal importeurs dat door de douane wordt geïdentificeerd. Daardoor ontbreken de gegevens van een deel van de importeurs.

 

De Europese Commissie heeft om die reden de publicatie van haar Europese transparantiedatabank uitgesteld. De situatie verbetert wel, want zowel het aantal aangevers als de kwaliteit van de gegevens neemt toe.

 

In afwachting van een stevige juridische basis zet de administratie daarom de sensibilisering voort samen met de sectorfederaties en hun leden.

 

Zonder specifiek rechtskader kunnen de gegevens van de douane vandaag niet worden uitgewisseld. Bijkomende federale wetgeving is dus nodig om gegevens bij importeurs te kunnen opvragen en inbreuken effectief te sanctioneren.

 

Inzake de bijdrage van de administratie is geen concreet wetsontwerp of tijdschema vermeld. Ook verschillende andere lidstaten beschikken nog niet over een volledig kader om de verordening effectief te handhaven.

 

Tegen de achtergrond van de geopolitieke situatie en de mogelijke risico's voor de aardgasvoorziening heeft de Commissie aanbevolen om de sanctiebepalingen van artikel 33 voor de verslagjaren 2026, 2027 en 2028 voorlopig niet toe te passen. Dat werd besproken op de energieraden van december 2025 en juni 2026. België heeft daarover nog geen definitief standpunt ingenomen en volgt nauwgezet de keuzes van de buurlanden om een gelijk speelveld te behouden.

 

Tegelijk bespreekt België met de Europese Commissie of meer transparantie, bijvoorbeeld door de namen van rapporterende ondernemingen en een algemene beoordeling van de kwaliteit van een rapport te publiceren, de naleving kan versterken. Ook het voorstel van president Macron om bepaalde verplichtingen gericht met één jaar uit te stellen, verdient aandacht. Dat kan extra tijd bieden om technische en methodologische problemen op te lossen en tegemoet te komen aan legitieme bezorgdheden van de sector, met aandacht voor de bevoorradingszekerheid en de klimaatdoelstelling.

 

Ons doel blijft een geloofwaardige, werkbare en juridisch sluitende uitvoering van de verordening.

 

09.03  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, bedankt voor het antwoord.

 

Het valt me op dat u blijkbaar goed geluisterd hebt naar de premier in het vragenuurtje vorige week, want bij gebrek aan eigen beleid verwijst u naar president Macron, die een aantal aanbevelingen heeft gedaan en u zegt dat we daar misschien ook eens naar moeten kijken.

 

Op die manier neemt u als minister uw verantwoordelijkheid natuurlijk niet. U als minister en de federale regering moeten zelf het kader en de doelstellingen bepalen. Een deel daarvan zit inderdaad bij minister Bihet, maar maak u geen zorgen, want ook bij hem heb ik hierover een vraag ingediend. Helaas bent u de eerste die aan bod komt, dus ik zal hem confronteren met uw antwoorden in plaats van omgekeerd.

 

Wat betreft uw eigen bevoegdheden, ben ik wel bezorgd. U zegt eigenlijk dat u rapporteert, maar dat u dat niet voldoende doet. Er is nood aan extra wetgeving op federaal niveau, zegt u, maar er is geen tijdskader bij de diensten en er is geen wetsontwerp. U weet eigenlijk niet wanneer dat komt, hoe dat eruit zal zien en op welke manier we dat gaan doen. Het is nochtans net uw verantwoordelijkheid om dat wel te doen. Dat is het beleid dat u kunt voeren.

 

Er zijn veel dingen – u bent de eerste om dat te bevestigen – die u niet kunt doen, die niet uw bevoegdheid zijn, die bij de gewesten zitten of die bij andere ministers zitten, maar van de rapportering hebt u duidelijk gezegd dat dat uw bevoegdheid is. Het komt u dus toe om de diensten de opdracht te geven om werk van te maken van een wettelijk kader. Als we daaromtrent nood aan hebben aan extra wetten, dan reken ik op u om dat te doen. Ik kan u dus niet anders vragen dan om uw eigen bevoegdheden ter harte te nemen, om ter zake actie te ondernemen en de methaanregulering in goede banen te leiden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van Jeroen Van Lysebettens aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "Het ontbreken van de ETS-middelen" (56019341C)

10 Question de Jeroen Van Lysebettens à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "L'absence des recettes du SEQE" (56019341C)

 

10.01  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik kom even terug op iets waarover ik tijdens het begrotingsdebat in maart ook al vragen heb gesteld. Ik heb het ook bij de bespreking van uw beleidsnota aangekaart. Het betreft de status van de ETS-middelen die naar de lidstaten terugvloeien.

 

Dat is toch bizar. We voeren hier vaak besparingsgesprekken en dit betreft geld dat naar ons komt vanuit Europa, maar u slaagt er niet in om dat in te zetten, omdat u uw bevoegdheden op dat vlak niet uitput. Een jaar na de Europese deadline heeft België bijvoorbeeld nog steeds geen sociaal klimaatplan. Zonder dat plan kunnen we geen beroep doen op de 1,66 miljard euro aan Europees geld, die onder meer de energiefactuur van de Belgische huishoudens en kleine ondernemingen zou kunnen ondersteunen. Verder zit er ook nog een grote discussie en onderhandeling over effort sharing in de pijplijn, onder andere de 2 miljard euro aan ETS1-inkomsten nog moeten worden verdeeld. Die staan al op een nationale rekening en zullen elke maand tot en met 2030 verder toenemen. Bovendien komt er ook nog ETS2 aan en zijn er andere discussies.

 

Op dit moment heeft minister Depraetere het voorzitterschap van het overlegorgaan. Het is dus aan haar om initiatief te nemen. Dat betekent natuurlijk niet dat u niets moet doen. U kunt op federaal niveau al een aantal acties ondernemen.

 

Ten eerste, waarom is dat Belgisch Sociaal Klimaatplan nog steeds niet ingediend? In de vorige discussie verwees u naar de Brusselse regering. De Brusselse regering is gevormd en ik heb uit haar perscommuniqués begrepen dat ze een sociaal klimaatplan heeft klaarstaan. Vanwaar komt de vertraging?

 

Ten tweede, met betrekking tot die bredere effort sharing, hebt u al een federaal onderhandelmandaat voor die onderhandelingen, zodat, eens minister Depraetere wakker wordt, de federale regering direct aan de slag kan gaan?

 

Ten derde, hoeveel overlegmomenten zijn er in 2026 al geweest op kabinetsniveau en op ministerieel niveau om vooruitgang te boeken in die onderhandeling met betrekking tot effort sharing? Graag kreeg ik de data en de agenda. Wat is uw doelstelling en die van de federale regering bij deze bredere onderhandeling met betrekking tot effort sharing?

 

10.02 Minister Jean-Luc Crucke: Geachte collega, de voorbereidingen van het Belgisch Sociaal Klimaatplan heeft meer tijd gevraagd dan oorspronkelijk was gepland. De Europese Commissie vereist dat alle maatregelen voldoende worden uitgewerkt, inclusief de verwachte impact, de budgettaire onderbouwing, de uitvoeringsmodaliteiten en controle- en monitoringsmechanismen. Deze aspecten zijn de voorbije maanden intensief besproken binnen verschillende entiteiten en in overleg met de Europese Commissie. Bovendien vereisen de Europese regels dat ook de controle-, monitorings- en auditsstructuren volledig worden uitgewerkt. Daarbij wordt samengewerkt met onder meer de FOD BOSA, die optreedt als een uniek aanspreekpunt voor de opzet van de nodige beheer- en controlesystemen.

 

Zowel voor als na de beslissing van het Overlegcomité over de verdeelsleutel tussen de federale overheid en de gewesten van de inkomsten uit het Belgisch Sociaal Klimaatfonds zijn verschillende pistes onderzocht en weer verlaten omdat ze die toets niet doorstonden.

 

De federale regering heeft inmiddels over een aantal maatregelen beslist, waaronder een verlaging van de accijnzen op elektriciteit voor kwetsbare huishoudens en micro-ondernemingen. De huidige prioriteit ligt nu bij het finaliseren van de resterende uitvoerings- en monitoringsmodaliteiten, in het bijzonder die van de maatregelen ter ondersteuning van de micro-ondernemingen. Die modaliteiten moeten overigens ook nog bij het Waalse Gewest worden gefinaliseerd.

 

Eenmaal de laatste discussiepunten zijn uitgeklaard, kunnen alle federale en gewestelijke maatregelen in een geïntegreerd Belgisch Sociaal Klimaatplan worden samengebracht. De Nationale Klimaatcommissie werkt hier momenteel actief aan, zodat de plannen zo spoedig mogelijk bij de Europese Commissie kunnen worden ingediend.

 

10.03  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Ik blijf een beetje op mijn honger zitten, mijnheer de minister.

 

U somt de federale maatregelen op, maar daar heb ik eigenlijk niet naar gevraagd. Ik heb gevraagd waar het schoentje wringt. Ik begrijp uit uw antwoord dat het Belgisch Sociaal Klimaatplan stilligt bij het Waalse Gewest. Ik kan mij daar nog altijd niets bij voorstellen, want dat is toch dezelfde coalitie. Een partijgenoot van u is daar zelfs minister van Klimaat, als ik mij niet vergis. U bent de coördinerende minister. U zou daar toch wel enige druk kunnen uitoefenen.

 

Met betrekking tot de bredere effort sharing heb ik geen idee of we daar nu op korte termijn mee aan de slag gaan, of dat de federale regering gewoon blijft wachten tot het zover is. Ik vind dat jammer. Ik vind dat wij hier veel proactiever in zouden kunnen handelen en dat de federale minister van Klimaat hier alvast, minstens binnen zijn eigen regering, het mandaat zou kunnen vragen aan de ministerraad om daarmee aan de slag te gaan en de doelstellingen te bepalen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van Jeroen Van Lysebettens aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "Diepzeemijnbouw en ecocide" (56019345C)

11 Question de Jeroen Van Lysebettens à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "L'exploitation minière des fonds marins et le crime d’écocide" (56019345C)

 

11.01  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Het nadeel van een overkoepelende bevoegdheid als klimaat is dat verschillende ministers een raakbevoegdheid hebben en nog meer ministers zich geroepen voelen om er iets over te zeggen. In dit geval gaat het over minister Theo Francken, die weliswaar niet echt klimaatbevoegdheden heeft, maar tijdens een officiële missie in Japan op sociale media verklaarde dat hij zijn schouders zet onder een diepzeemijnbouwproject tussen DEME en het Japanse DORD, dat België steun verzekert voor dit project en dat hij vaart wil maken met deze samenwerking. Hij kaderde diepzeemijnbouw daarbij expliciet als een strategische en economische noodzaak voor de defensie-industrie en de nationale veiligheid om de Chinese dominantie te counteren.

 

Die uitspraken staan natuurlijk haaks op het officiële Belgische standpunt inzake diepzeemijnbouw, dat onder andere stoelt op het voorzorgsprincipe dat we hier in deze commissie al hebben besproken en dat u toen hebt onderschreven. Vandaar de volgende vragen.

 

Hoe beoordeelt u de uitspraken van minister Francken in het licht van het officiële Belgische standpunt over diepzeemijnbouw en het daarin gehanteerde voorzorgsprincipe? Is het engagement om vaart te maken met dergelijke projecten volgens u verenigbaar met dat standpunt?

 

U weet dat dankzij Ecolo-Groen ecocide in het Strafwetboek is opgenomen als misdrijf. Die bepaling is sinds 8 april 2026 van kracht. Ook minister Francken is daarvan op de hoogte, weliswaar met een aantal andere bepalingen. Als pionier in de erkenning van ecocide moet België op internationaal niveau blijven pleiten voor de erkenning van ecocide bij het Internationaal Strafhof om de natuur ten volle te kunnen beschermen. Welke concrete initiatieven zal België daartoe nemen? Dat wordt beschreven in artikel 94 van het Strafwetboek.

 

Wordt dat ook meegenomen bij de beoordeling van activiteiten inzake diepzeemijnbouw en bij de verdere uitwerking van het Belgische beleid ter zake? Hoe analyseert u diepzeemijnbouw in het kader van de ecocidewetgeving, goed wetende dat diepzeemijnbouw ervoor zorgt dat het volledige ecosysteem op de oceaanbodem wordt omgegooid, verstoord en vernietigd? Heel concreet kunnen mensen die de natuur ernstige en onomkeerbare schade toebrengen voortaan zwaar bestraft worden. Is dat ook van toepassing op diepzeemijnbouw? Zo niet, waarom niet? Worden de bepalingen van de ecocidewetgeving meegenomen in de Belgische positionering ten opzichte van diepzeemijnbouw?

 

11.02 Minister Jean-Luc Crucke: Dank u, geachte collega, voor uw vraag over diepzeemijnbouw en ecocide. Ik begrijp inderdaad dat mijn collega, minister Francken, uitspraken heeft gedaan over diepzeemijnbouw, alsof we daarmee vaart zouden moeten maken.

 

Het is niet de eerste keer dat minister Francken uitspraken doet die vragen doen rijzen. Dat gezegd zijnde, de Belgische positie is glashelder en daar verandert een uitspraak van minister Francken niets aan. Op basis van het voorzorgsbeginsel kiest België ervoor dat diepzeemijnbouw en -exploitatie pas overwogen kunnen worden als de mijncode is aangenomen, inclusief milieudoelstellingen, er voldoende wetenschappelijke kennis is over de impact op het ecosysteem en de engagementen binnen andere internationale organisaties en verdragen niet worden ondermijnd en bij voorkeur al in uitvoering zijn.

 

België heeft inderdaad een sponsorcertificaat lopen voor een exploratiecontract van GSR, een dochteronderneming van DEME, bij de Internationale Zeebodemautoriteit. Dat exploratiecontract betreft activiteiten in het gebied buiten de nationale jurisdictie, met name in de Clarion-Clippertonzone. GSR heeft zich getoond als een correcte uitvoerder van de voorwaarden in het exploratiecontract. De samenwerking tussen GSR en het Japanse Deep Ocean Resources Development heeft betrekking op activiteiten binnen de Japanse exclusieve economische zone en binnen het gebied. Opdat het voor iedereen duidelijk is, wat België betreft, kan er geen exploitatie plaatsvinden zolang niet aan de drie hierboven genoemde voorwaarden is voldaan.

 

Wat ecocide betreft, worden op internationaal niveau momenteel tussen de staten die partij zijn bij het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof besprekingen gevoerd over de wijze waarop de ernstigste milieuschade in aanmerking kan worden genomen binnen het kader van het Statuut. België volgt die discussies nauwgezet.

 

Noteer echter dat het Internationaal Strafhof recent een intern document heeft gepubliceerd waarin het aangeeft dat milieuschade reeds in aanmerking kan worden genomen in het kader van de bestaande misdrijven waarop het Statuut van Rome van toepassing is.

 

Wat de toepassing van ecocide op diepzeemijnbouw betreft, is diepzeemijnbouw buiten het Belgische grondgebied niet a priori uitgesloten van het toepassingsgebied van artikel 94 van het nieuwe Belgische Strafwetboek over ecocide. Of een concrete activiteit als ecocide kan worden gekwalificeerd, vereist evenwel dat alle constitutieve bestanddelen van artikel 94 vervuld zijn. Als aan de voorwaarden van artikel 94 is voldaan, kan de rechter een straf van niveau 6 opleggen.

 

Een politiek belangrijke vraag is echter hoe we zullen optreden tegen illegale diepzeemijnbouw, los van de ecocidediscussie. Dat risico bestaat immers. Zo trachten momenteel bepaalde bedrijven diepzeemijnbouwlicenties te verkrijgen bij de Verenigde Staten, die, zoals u weet, geen partij zijn bij de Internationale Zeebodemautoriteit, die de mijncode ontwikkelt. Ook hier is de Belgische positie glashelder. Als minister van Klimaat en Leefmilieu sta ik erop die nogmaals toe te lichten.

 

België beschikt al sinds 2013 over specifieke wetgeving inzake diepzeemijnbouw, die het uitvoeren van exploratie- of exploitatieactiviteiten zonder het vereiste contract zoals bepaald onder het VN-Zeerechtverdrag, dan wel zonder het vereiste sponsorcertificaat, strafbaar stelt met geldboetes van 250.000 tot 2 miljoen euro. België behoort daarmee tot een beperkte groep van 13 staten die dergelijke activiteiten uitdrukkelijk strafbaar hebben gesteld. Ik zal er als minister van Klimaat en Leefmilieu steeds over waken dat de Belgische wetgeving en de vaststaande positie in internationale onderhandelingen worden nageleefd.

 

11.03  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Dank u wel, mijnheer de minister.

 

U bevestigt nogmaals dat het stimuleren van diepzeemijnbouw niet de positie van deze Belgische regering is, dat we het voorzorgsprincipe strikt toepassen en dat diepzeemijnbouw potentieel onder de Belgische ecocidewetgeving valt als uiteraard aan alle constitutieve bestanddelen voldaan is. Hierin hebt u gelijk: er is natuurlijk internationaal een juridisch vacuüm wanneer landen die niet zijn aangesloten bij de wereldwijde autoriteit toch licenties uitschrijven. Ik zie daarin natuurlijk een rol voor u op internationale conferenties om dat op te lossen. Ook dat is uw functie. Ik weet dat het een moeilijke job is, maar dat is de verantwoordelijkheid van een minister. Een minister onderneemt actie of neemt ontslag.

 

Dat is hier echter niet de vraag. Het was een bevredigend antwoord, voorzitter.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van Jeroen Van Lysebettens aan Jean-Luc Crucke (Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling) over "Het overschrijden van planetaire grenzen" (56019349C)

12 Question de Jeroen Van Lysebettens à Jean-Luc Crucke (Mobilité, Climat, Transition environnementale et Développement durable) sur "Le dépassement des limites de notre planète" (56019349C)

 

12.01  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

 

Mijnheer de minister,

 

volgens het jaarlijkse klimaatrapport van het Potdsdam instituut voor klimaatverandering, zijn we op weg om minstens 7 planetaire grenzen te overschrijden: klimaatverandering, de biodiversiteitsimplosie, de acidificatie van de oceaan, de beschikbaar van zoet water, de beschikbaarheid van vruchtbaar land, de stikstof/fosfor cyclus en het globaal behoud van de biosfeer.

 

Op elk van deze domeinen zal het noodzakelijk zijn om via internationale samenwerking tot afspraken te komen die ook in België uitgevoerd worden. Het zal ook nodig zijn om deze afspraken aan elkaar te verbinden, een geïsoleerde aanpak dreigt immers niet meer te voldoen.

 

Vandaar de volgende vragen:

 

Welke internationale initiatieven ondersteunt de federale regering om de verschillende planetaire grenzen te bewaren?

Welke positie zal België straks innemen op de biodiversiteitstop in Yerevan, met betrekking tot de overschrijding van deze planetaire grenzen in het algemeen, en de biodiversiteitsimplosie in het algemeen.

Zal het Cerac ook de risico's gerelateerd aan deze planetaire grenzen opnemen in haar opdracht?

 

12.02 Minister Jean-Luc Crucke: Mijnheer Van Lysebettens, inzake het internationale optreden steunen de federale regeringen een sterk geïntegreerde multilaterale aanpak. De verschillende milieucrisissen zijn nauw met elkaar verbonden. De aanpak ervan moet dus een versterkend effect sorteren. De planetaire grenzen vormen het wetenschappelijk kader voor de aanpak, die meer is dan een geheel van juridisch bindende internationale normen. België treedt daarin vooral op via multilaterale instrumenten zoals het Akkoord van Parijs, het Biodiversiteitsverdrag en de verschillende internationale akkoorden over oceanen, chemische stoffen en afval. Er is niet alleen het juridisch bindend instrument tegen plasticvervuiling waarover nu onderhandelingen lopen. Ook de Milieuassemblee van de Verenigde Naties of UNEA speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van nieuwe milieunormen. In dat verband onderzoekt mijn administratie momenteel hoe het internationale optreden rond PFAS nog kan worden versterkt.

 

Tijdens de COP17 met betrekking tot het biodiversiteitsverdrag zal de prioriteit liggen bij de verdere en snellere uitvoering van het mondiale biodiversiteitskader. Het wereldwijde rapport over de collectieve vooruitgang is duidelijk. Er is vooruitgang maar er blijven ook belangrijke uitvoeringstekorten bestaan.

 

De Belgische en Europese standpunten worden momenteel voorbereid. Ik stel daarom voor op de kwestie terug te komen tijdens de volgende commissievergadering, net voor mijn deelname aan de biodiversiteits-COP. Ik kan u nu al meegeven dat ik zal pleiten voor concrete verbintenissen om het kader daadwerkelijk uit te voeren, en voor sterkere inspanningen om het biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen en om te keren.

 

Persoonlijk zal ik bijzondere aandacht besteden aan de essentiële rol van biodiversiteit voor onderzoek en ontwikkeling onder meer in onze farmaceutische en biotechnologische sectoren. Het is daarbij cruciaal dat de voordelen uit het gebruik van biodiversiteit eerlijk worden gedeeld en op hun beurt bijdragen aan de bescherming ervan, onder meer via het Califonds, dat tijdens de COP16 werd opgericht.

 

Tot slot, overeenkomstig het koninklijk besluit tot oprichting van het Centrum voor Risicoanalyse van Klimaatverandering (Cerac) houdt het Cerac in zijn opdracht rekening met de risico's die verband houden met de planetaire grenzen. Alle planetaire grenzen zijn vandaag een aandachtspunt in de werkzaamheden van het Cerac. Het centrum heeft bijvoorbeeld een studie uitgevoerd om het wetenschappelijke kader van de planetaire grenzen toe te passen op de Belgische context.

 

Daarnaast brengt het Belgium Climate Risk Assessment, dat in november 2025 werd gepubliceerd, niet alleen de risico's van de klimaatverandering in kaart, maar ook die van de achteruitgang van het ecosysteem in België. Het Cerac is van plan dat werk voort te zetten en te actualiseren. Dat thema sluit ook aan bij de benoeming van Cerac-directeur Luc Bas tot de eerste chief planetary officer ter wereld en bij zijn deelname aan het nieuwe internationale netwerk van chief planetary officers. Met die benoeming behoort België tot de pioniers op dat vlak.

 

12.03  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, ik hoor dat de minister nog toelichting zal geven in onze commissie, voordat hij naar de top in Jerevan vertrekt. Ik weet niet of dat al is ingepland. Zo niet moeten we dat misschien wel doen, want ik ben daarin zeer geïnteresseerd.

 

Ik geef nog kort een van mijn bezorgdheden mee, mijnheer de minister.

 

U hebt zeer sterk gefocust op biodiversiteit. Dat zat voor een stuk in mijn vraag. Het debat in het Parlement gaat ook vaak over klimaatverandering; uzelf had het over het dossier met betrekking tot PFAS. De overschrijding van bepaalde grenzen vergt evenwel een andere aanpak. Als het bijvoorbeeld gaat over de acidificatie van de oceaan en de verstoring van de stikstof- en fosforcyclus, dan kan men niet anders dan ook naar de landbouwproblematiek en naar de problematiek van meststoffen en lozingen kijken. Al die systemen houden ook verband met elkaar. Ik zou het Cerac dan ook zeker willen oproepen om die verschillende grenzen ook expliciet op te nemen in de onderzoeksopdrachten, omdat ze invloed op elkaar hebben.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 13.22 uur.

La réunion publique de commission est levée à 13 h 22.