|
Commissie
voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen |
Commission
des Affaires sociales, de l'Emploi et des Pensions |
|
van Woensdag 30 september 2026 Voormiddag ______ |
du Mercredi 30 septembre 2026 Matin ______ |
De openbare commissievergadering wordt geopend om 10.09 uur en voorgezeten door mevrouw Anja Vanrobaeys.
La réunion publique de commission est ouverte à 10 h 09 et présidée par Mme Anja Vanrobaeys.
De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.
Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.
Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, je viens d'apprendre que vous alliez partir à midi, et non à midi et demi. Je ne sais pas si vous êtes au courant, mais il y a déjà eu tout un échange ici en commission sur la régularité de votre présence. Loin de moi l’idée de soulever la polémique, mais je tiens à rappeler que vous êtes en train de moderniser – selon vos propres termes – le monde du travail, tout en continuant à attaquer les travailleurs de ce pays.
En tant que députée de l'opposition, je pense que, sur le plan démocratique, il est inacceptable que vous ne soyez pas disponible pour répondre en toute transparence aux questions des députés, qui veulent savoir à quelle sauce ils vont être mangés. Dès lors, il y aura bien évidemment des actions sur le terrain, notamment une manifestation le 9 octobre, mais nous tenons à jouer notre rôle de députés responsables. Je vois que vous rabotez encore 30 minutes, et cela n'est pas acceptable pour nous, en tout état de cause.
De voorzitster: Mevrouw Moscufo, dat klopt inderdaad. We hebben daar een hele discussie over gehad en dat standpunt wordt gedeeld door oppositie én meerderheid. Het is belangrijk dat we onze vragen kunnen stellen aan de minister. Elk parlementslid, ongeacht de fractie, wil gewoon zijn parlementair werk kunnen doen. Minister Clarinval zal volgende week terug aanwezig zijn om vragen te beantwoorden.
Mevrouw Schlitz, ik zou de discussie niet willen rekken. We dringen er allemaal op aan om antwoorden te krijgen op onze vragen en dan moeten we hier nu geen uur over doorgaan. De minister komt volgende week terug.
Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Madame la présidente, j'aimerais savoir jusqu'à quelle question vous envisagez d'aller aujourd'hui. Certains collègues ont des questions à poser dans différentes commissions. Comme cela a été décidé en Conférence des présidents – même si l'information ne circule pas toujours de manière très fluide –, nous sommes censés décider en amont de la commission jusqu'à quelle question nous irons. Pour nous, il est important de le savoir, notamment lorsque certaines questions risquent de ne pas être traitées faute de temps. Je souhaiterais donc simplement savoir jusqu'à quelle question vous envisagez, en théorie, d'aller aujourd'hui.
De voorzitster: Ik kan dat niet voorspellen. Ik hoop dat we vandaag twee of drie actualiteitsdebatten kunnen afronden. Ik meen dat dit een realistische timing is.
Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): En principe, une concertation doit avoir lieu entre le secrétariat et la présidence de la commission afin de délimiter la liste des questions qui pourront encore être traitées.
De voorzitster: Ik zal dat doorgeven, maar ik ben eigenlijk geen voorzitter en ook geen ondervoorzitter. De voorzitters zijn er niet en ik heb gezegd dat ik bereid ben om de vergadering voor te zitten zodat er antwoorden komen op de vragen. Als hier echter nog een heel drama van gemaakt wordt, dan is het simpel, dan stop ik ermee. Ik ben niet verplicht om hiermee door te gaan.
Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Je n'en fais pas un drame. Vous avez un membre du secrétariat à vos côtés; peut-être disposez-vous déjà de cette information. Je sens que l'ambiance va être bonne aujourd'hui en commission. Je vois que tout le monde semble être de bonne humeur.
De voorzitster: Ik heb geen informatie. Ik spring hier gewoon in.
Nathalie Muylle (cd&v): Ik ga het heel kort houden. In de Conferentie van voorzitters is vorige week een lange discussie gevoerd over de organisatie van het werk in commissie. Er is gezegd dat men de duurtijd van de commissie vastlegt en dat de minister 15 vragen per uur voorbereidt. Als de minister tot 12 uur blijft, betekent dit dat u tot vraag 30 het antwoord op uw vraag via het secretariaat kan laten bezorgen, als u dat wilt. Dat zijn de enige afspraken die gemaakt zijn. Er is niet afgesproken dat men tot een bepaalde vraag moet gaan. Men heeft gewoon gezegd dat de minister 15 vragen per uur voorbereidt en da, als die op het einde van die periode niet behandeld zijn, het antwoord via het secretariaat tegen vrijdag kan worden opgevraagd. Dat was de besluitvorming in de Conferentie van voorzitters van vorige week, die ook op die manier is genotuleerd.
De voorzitster: Dank u wel, mevrouw Muylle. Als we die beslissing strikt toepassen, geraken we tot vraag 11 van het tweede actualiteitsdebat, waarop de minister dan de schriftelijke antwoorden kan geven.
Ik stel voor dat we gewoon beginnen, zodat we ten minste al een aantal actualiteitsdebatten kunnen voeren.
01.01 Kurt Moons (VB): Mevrouw de voorzitster, ik dank u omdat u hier de rol van voorzitter wil opnemen. We zijn intussen al een kwartier kwijt. Ik stel vast dat dat telkens in deze commissie gebeurt, dat er veel gepalaverd wordt, maar dat er weinig concrete oplossingen worden geboden.
Mijn vragen dateren al van een drietal maanden geleden. Het is dus een beetje vijgen na Pasen. Ik wil de vragen dan ook actualiseren, want recent verscheen er een rapport van de RVA. Zij maken blijkbaar om de drie maanden een monitoringsverslag over de gevolgen van de beperking van de werkloosheid in de tijd.
Mijn vragen gaan vooral over de huidige situatie en de evolutie in de tijd. Ik denk dat de meeste vragen in het eerste actualiteitsdebat daarover zullen gaan. Wat is de situatie nu? Komt die overeen met wat de regering had voorzien? Zo niet, in welke mate wordt daaraan gesleuteld?
Ik had ook gevraagd om twee mondelinge vragen in schriftelijke vragen om te zetten, maar dat is niet gebeurd. Daarom staan die vragen opnieuw op de agenda. Ik had dus wel graag de antwoorden van de minister daarop gekregen. We zijn drie maanden verder en ik hoop nu wat meer informatie te kunnen krijgen.
De RVA heeft een rapport over de eerste zes maanden gemaakt. Nu, na negen maanden, komt daaruit toch wat informatie naar boven die misschien niet volledig strookt met de plannen van de regering.
Er zijn drie uitstromen. Ten eerste, het aantal mensen dat werk heeft gevonden, zou rond de 10 % liggen. Hoeveel zou dat in België na zes maanden zijn, mijnheer de minister? In Brussel hebben 10,4 % van de mensen die aan die maatregelen onderhevig waren werk heeft gevonden. In Vlaanderen is dat 16,8 % en in Wallonië 13,8 %.
Ten tweede, de mensen die uitstromen naar de ziekte-uitkering. De vraag is hier in welke mate die mensen daar misschien liever al op voorhand in hadden gezeten. We stellen vast dat het om ongeveer 7 % gaat. Wat was de uitstroom naar de ziekte-uitkering gedurende de eerste zes maanden?
We stellen wel vast dat in Brussel intussen 5,5 % van de mensen die hun uitkering verloren, terugvallen op een ziekte-uitkering. In Vlaanderen is dat 13,1 % en in Wallonië 13,8 %.
Over de doorstroom naar het leefloon, dus naar het OCMW, kennen we de gedetailleerde cijfers niet volledig. Ook de RVA geeft daar niet veel cijfers over, wellicht omdat ze die zelf niet heeft. We stellen wel vast dat 44 % van die werklozen in België een aanvraag voor OCMW-steun indienen.
Kan de minister een inschatting geven, of liever nog een juiste berekening, van de situatie zes maanden na de invoering van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd? Hoe groot is de uitstroom naar het leefloon en de ziekte-uitkering en hoeveel mensen zijn daadwerkelijk aan het werk gegaan?
Daarnaast is er natuurlijk nog de overige categorie, waarover blijkbaar eveneens details ontbreken. Kunt u die cijfers ook op regionale basis uitsplitsen, zodat we de evolutie kunnen volgen en mogelijk maatregelen kunnen nemen om die mensen naar echt werk te begeleiden? Kunt u daar een volledig overzicht van geven? Ik beperk mij vandaag daartoe, zodat anderen ook de kans krijgen om vragen te stellen. Ik vermoed dat die allemaal in dezelfde richting zullen gaan. Ik kom hier later in de repliek op terug.
01.02 Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, j'avais trois questions datant d’avril qui concernaient votre réforme du chômage. Je vais essayer de les joindre en une seule. Vous affirmez que votre réforme se passe comme prévu et qu'un tiers des sorties du chômage ont débouché sur un emploi. Or seul un chômeur exclu sur huit retrouve du travail.
Vous considérez même sur X et dans un
communiqué publié ce mois-ci sur le site de votre parti, le MR, que ce résultat
s'explique, selon vous, par des départs spontanés. Je vous cite: "Les
nouveaux chiffres de l'ONEM montrent aujourd'hui un effet d'anticipation de la
réforme. De nombreux demandeurs d'emploi n'attendent pas leur fin de droit (moi, je dirais plutôt "votre décision de
les exclure") pour reprendre une activité. En mars, 19 839 personnes
sorties spontanément du chômage ont accédé à un emploi salarié. En y ajoutant
celles qui ont retrouvé un emploi après leur fin de droit, 33,2% de l'ensemble
des sorties du chômage enregistrées durant ce mois ont débouché sur un emploi
salarié."
Vous avanciez déjà cette idée dans un article de la RTBF du 16 avril qui évoquait près de 50 000 départs spontanés. Maintenez-vous cette idée d’effet d'anticipation? Ces chiffres constituent-ils une hausse depuis le début de la réforme? Disposez-vous de données permettant de les comparer avec le nombre de chômeurs qui quittaient le chômage chaque mois ou chaque trimestre avant votre réforme?
Le rapport de l'ONEM indique qu'une partie des personnes exclues des allocations ont retrouvé un emploi. Il donne cependant peu d'informations sur la nature et la durabilité de ces emplois. Quel type d'emploi les personnes qui ont repris un travail ont-elles retrouvé après avoir perdu leurs allocations de chômage? Quelle est la proportion de contrats à durée indéterminée, de contrats à durée déterminée et de contrats intérimaires? Combien de jours ces personnes ont-elles effectivement travaillé depuis la fin de leur droit aux allocations? Enfin, combien d'heures travaillent-elles par semaine?
01.03 Anja Vanrobaeys (Vooruit): Ik verwijs naar de ingediende vraag.
Mijnheer de minister, uit een recente
analyse van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening blijkt dat van de personen
die op 1 januari hun werkloosheidsuitkering verloren door de beperking in de
tijd, slechts 3,8% nadien aan het werk ging. Dat is weliswaar meer dan de 1,8%
uitstroom naar werk een jaar eerder, maar blijft bijzonder beperkt.
Tegelijk toont de analyse een opvallende
verschuiving naar andere stelsels:
10,2% stroomde door naar een
ziekte-uitkering, wat 7,8 procentpunt hoger ligt dan vorig jaar. De RVA wijst
zelf op mogelijke stresssymptomen of onderliggende aandoeningen die door de
maatregel worden geactiveerd.
Eerder onderzoek van de KU Leuven toont
bovendien dat in de eerste golf bijna de helft van de betrokkenen terechtkomt
bij het leefloon.
Mijn vragen:
Deelt u de bezorgdheid dat deze maatregel
in de eerste fase eerder leidt tot een verschuiving naar ziekte- en
leefloonstelsels dan tot duurzame tewerkstelling?
Is hierover nog overleg geweest met de
regio's? Werd daar de vraag tot hernieuwde individuele screening en een
vlottere toegang tot de sociale economie voorgelegd? Zo ja, met welk resultaat?
Is in dat overleg ook de toeleiding tot
sociale economie expliciet besproken, in het bijzonder de vaststelling dat er
openstaande plaatsen zijn, maar dat de toeleiding vastloopt door lange en
complexe procedures om het juiste statuut te verkrijgen?
Zijn er nog andere
begeleidingsmaatregelen afgesproken, zeker voor de doelgroep die ver van de
arbeidsmarkt verwijderd staat.
01.04 Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ondertussen komen steeds meer cijfers naar buiten over het sociaal experiment van de beperking van de werkloosheid in de tijd. Die cijfers zijn niet in lijn met wat deze regering geprojecteerd heeft. Minder dan 1 op 10 stroomt door naar werk en meer dan de helft stroomt door naar de OCMW's. Dat bevestigt natuurlijk onze oorspronkelijke analyse van deze hervorming, namelijk dat het vooral een cosmetische operatie was.
Wat ik daarentegen wel storend vind, is de uitleg die daarvoor gegeven wordt. Er immers een ganse redenering opgebouwd dat het normaal is, omdat iemand tijdens de eerste zes maanden geactiveerd moet worden. Dat mag dan misschien wel zo zijn, maar deze hervorming is natuurlijk expliciet gericht op mensen die niet in de eerste zes maanden van hun werkloosheid zitten.
We zullen dus extra beleid nodig hebben om die mensen te activeren, maar op dat gebied blijft deze regering stil. Hebt u eigenlijk nog de ambitie om deze mensen, die meer dan twee jaar werkloos zijn, te activeren en met welke instrumenten zal deze regering dat doen?
01.05 Eva Demesmaeker (N-VA): Een aantal zaken zijn al gezegd, maar ik wil vandaag nog een andere kijk op de zaak belichten. Slechts 1 op de 10 mensen vindt werk. Dat zijn echter mensen die heel ver van de arbeidsmarkt afstaan en die op heel korte termijn werk hebben gevonden. Ik vind 1 op 10 best al veel.
Het is natuurlijk ook te zien op welke termijn men alles bekijkt. We weten niet of die 3 op 10 op dit moment al behaald zouden zijn, maar we zetten daar wel de eerste stappen. Als men daarbij optelt dat 3 op 10 geen enkele vorm van uitkering meer krijgen, wil dat wel zeggen dat 4 op de 10 mensen geen werkloosheidsuitkering meer krijgen. Ik vind dat die cijfers onderbelicht blijven.
De vraag is natuurlijk of voor die andere 2 op 10 die we normaal gezien aan het werk zullen krijgen de voorziene timing nog steeds haalbaar is. Is dat nog steeds dezelfde timing als in het begin?
Ik hoor ook dat 50 % doorstroomt naar het OCMW. Die cijfers zijn voor Vlaanderen ten eerste toch echt wel anders. Ten tweede is er een heel groot verschil tussen mensen die een aanvraag doen voor een leefloon bij het OCMW en mensen die effectief een leefloon krijgen. Laten we dat verschil toch echt behouden, want dat moeten we echt wel meerekenen.
Mijnheer de minister, hoe zullen we de mensen die zover van de arbeidsmarkt af stonden toch zoveel mogelijk nog begeleiden in de toekomst? Hoe ziet u dat en wat is de planning?
01.06 Nathalie Muylle (cd&v): Ik wil toch ook enige nuance in het debat brengen, net als collega Demesmaeker. We zijn hier vandaag bezig met cijfers van een trimester. Men zegt dat ook in het rapport van de RVA: dat is een heel korte periode.
We zijn met een moeilijke doelgroep aan de slag. We wisten dat ook op voorhand. Dit is een doelgroep die ver van de arbeidsmarkt staat en al heel lang werkloos is. Wanneer we echter het aantal werklozen in september 2026 vergelijken met het aantal van september 2025, zien we dat 38 % van die mensen aan de slag zijn. Dus 120.000 van de 319.000 werklozen zijn in die periode aan de slag gegaan. Dat is heel positief.
Als men dat vergelijkt met de periode van 2024 tot 2025, was dat maar 30 %. Dat stijgt ook. Als men kijkt naar de cijfers van 2026 en men vergelijkt die van januari met april, ziet men daar ook een positieve evolutie.
Het is ook de bedoeling – en dat is ook de reden waarom we die wetgeving als meerderheid hebben aangenomen – om in de toekomst mensen die in de werkloosheid komen zo goed en zo snel mogelijk te kunnen activeren. Zijn we er? Nee, helemaal niet. Ik geloof echter helemaal niet dat dit een cosmetische operatie is. Ik denk dat we vandaag met die moeilijke doelgroep geen eenvoudige opdracht hebben, maar ik meen dat we wel een positieve evolutie zien.
Het gaat mij er vooral om, mijnheer de minister, wat we gaan doen met mensen die een leefloon aanvragen. Er zijn vandaag ook heel veel inactieven die zo deels uit die cijfers verdwijnen. U hebt veel bevoegdheden, maar die specifieke bevoegdheid ligt bij de gewesten. Houdt u dus de lijnen warm om met de collega's van de gewesten te bekijken op welke manier ook die inactieven kunnen worden geactiveerd?
01.07 Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, vous avez présenté dans la presse le retour à l'emploi de certains chômeurs à l'approche de leur exclusion comme la preuve du succès de votre réforme, y voyant même un "effet d'anticipation".
Cette lecture stigmatisante laisse entendre que les demandeurs d'emploi attendraient la menace d'exclusion pour enfin chercher du travail. Pourtant, ils cherchaient un emploi quotidiennement, bien avant l'entrée en vigueur de cette réforme. Les données de l'ONEM montrent d'ailleurs qu'une proportion assez similaire de chômeurs retrouvait déjà un emploi les années précédentes, alors qu'ils n'étaient pas concernés par une fin de droit.
Par ailleurs, les premiers chiffres disponibles sur le bilan de votre réforme sont particulièrement préoccupants: selon Actiris, parmi les 15 000 chercheurs d'emploi concernés par les deux premières vagues d'exclusion à Bruxelles, seuls 12,6 % ont retrouvé un emploi dans les trois mois, tandis que 47,6 % se sont tournés vers les CPAS et 8,9 % vers l'assurance maladie-invalidité. Selon le SPP Intégration sociale, plus de 53 % des 100 000 premières personnes exclues ont introduit une demande de revenu d'intégration sociale, et 44 % l'ont obtenu. Près de 200 000 personnes doivent encore perdre leurs allocations.
Dans le même temps, le marché de l'emploi se dégrade. En Wallonie, le taux d'emploi recule, le chômage atteint 8 % et les offres d'emploi chutent de 41 %. Nous sommes aujourd'hui très loin de l'objectif de 80 % de taux d'emploi affiché par votre gouvernement
Monsieur le ministre, pouvez-vous communiquer, pour les années précédentes, les mêmes chiffres que ceux que vous invoquez aujourd'hui pour démontrer le succès de votre réforme, calculés selon la même méthode? Pouvez-vous préciser la durée, le type et la stabilité des contrats retrouvés par les personnes concernées? Enfin, sur quels indicateurs concrets vous fondez-vous pour affirmer que votre réforme favorise le retour à l'emploi, alors que le chômage augmente et que les offres diminuent, tandis qu'une proportion plus importante que celle annoncée se dirige vers les CPAS?
01.08 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, j'espère que vous avez passé de bonnes vacances. C'est notre première rencontre depuis l'été.
Nous avons pris connaissance de vos commentaires relatifs à l'ONEM. Nous ne pouvons quand même pas dire que ce soit une brillante réussite. En réalité, la limitation du chômage dans le temps déplace les personnes bien plus qu'elle ne les remet au travail. À peine un exclu sur dix a retrouvé un emploi. Plus de la moitié frappent à la porte des CPAS. D'autres basculent vers la mutuelle ou disparaissent carrément des radars, sans qu'aucune institution sache ce qu'ils deviennent – ce qui est quand même particulièrement inquiétant. Par ailleurs, ce chiffre est encore flatteur, puisque l'ONEM comptabilise dans ses statistiques de retour à l'emploi des personnes qui n'ont travaillé qu'une seule journée. Une seule journée, et c'est comptabilisé comme un retour à l'emploi! Vous conviendrez pourtant avec moi que cela ne constitue pas un emploi au sens où vous nous le présentez habituellement, c'est-à-dire un emploi stable qui permette de se constituer des droits. En tout cas, c'est ce que nous souhaitons.
Par ailleurs, l'ONEM appelle à la prudence dans l'interprétation de ces chiffres et n'observe aucun effet d'anticipation vers l'emploi pour les vagues récentes. Comme d'habitude, vous n'avez pas voulu écouter l'administration et vous avez tout de même décidé d'ajouter les sorties intervenues avant la fin du droit pour conclure qu'un tiers des personnes avait retrouvé du travail, allant jusqu'à affirmer que la menace de l'exclusion constituait un mécanisme encourageant le retour à l'emploi. Monsieur le ministre, je vais vous apprendre une grande nouvelle: les personnes qui cherchent un emploi finissent parfois par en trouver un sans devoir subir une menace. Il s'agit simplement du fonctionnement normal de la recherche d'emploi, qui peut déboucher sur l'obtention d'un travail.
Nous voyons bien que la majorité interprète les chiffres de la manière qui l'arrange. Cela me fait d'ailleurs quelque peu sourire lorsque j'entends Mme Demesmaeker, nous expliquer qu'un retour à l'emploi sur dix constitue déjà un bon résultat pour un public éloigné du marché du travail. Cela me rappelle une interview du président de votre parti, qui considérait que les Centres d'Insertion Socioprofessionnelle (CISP), c'est-à-dire les organismes de remise à l'emploi qui accompagnent des chômeurs de longue durée et obtiennent un résultat d'un retour à l'emploi sur deux, ne fonctionnaient pas. C'est même l'une des raisons pour lesquelles il a décidé de réduire une partie de leurs budgets.
Il est assez étonnant de constater que, lorsqu'il s'agit des résultats de la majorité, pourtant très médiocres, on tente d'arranger la réalité en expliquant qu'un sur dix constitue déjà un résultat satisfaisant. À l'inverse, lorsque des organismes obtiennent des résultats bien meilleurs, mais ont été mis en place par d'autres, on considère qu'ils ne fonctionnent pas. Je me pose les mêmes questions que mes collègues et j'attends donc vos réponses avec impatience.
01.09 Florence Reuter (MR): Madame la présidente, monsieur le ministre, je voudrais tout de même réagir aux propos de certains collègues et partager avec vous une expérience de terrain qui me paraît intéressante. On parle beaucoup de chiffres – 10 %, 30 % –, mais en définitive, il y a surtout les retours du terrain. Il est important d'en faire part.
Avant cette limitation du chômage dans le temps, il existait une catégorie de bénéficiaires bien spécifique. Je ne vais pas avancer de chiffres car je n'ai pas quantifié le phénomène; il s'agit d'une expérience vécue. J'ai vu de nombreuses personnes venir à ma permanence après s'être aperçues qu'elles allaient être rayées du chômage. Je leur demandais alors depuis combien de temps elles y étaient et pour quelle raison. En fait, la question ne s'était jamais posée jusqu'alors. Pour prendre un exemple presque caricatural: "Je ne travaille pas. J'aide un peu mon mari. Je m'occupe de mes enfants. Je n'ai jamais cherché de travail, car je ne me suis jamais posé la question. Cela fait 10 ans que je suis au chômage et je ne me suis jamais remise en question." C'est aussi cela, la réalité des choses: des personnes qui percevaient les allocations de chômage sans jamais se dire qu'elles devaient chercher du travail, parce que la vie était plus confortable ainsi. Le jour où elles ont appris qu'elles allaient devoir retourner travailler, elles ont commencé leurs recherches et, pour la plupart, elles ont effectivement retrouvé un emploi. Ce ne sont pas des personnes forcément peu qualifiées, non; ce sont des gens qui disposaient simplement – et je mets des guillemets – d'un "certain confort de vie" grâce au travail de leur conjoint et qui restaient ainsi au chômage.
Je pense que cette catégorie représente une part non négligeable des personnes qui retrouvent un emploi aujourd'hui. Par négligence, ou parce que le système était ainsi conçu et qu'on ne se remettait pas en question, elles s'étaient installées dans le chômage. Voilà, il me semblait intéressant de vous faire part de cette expérience.
01.10 David Clarinval, ministre: Madame la présidente, chers collègues, le 17 septembre, l'ONEM a en effet publié son troisième rapport de monitoring relatif à la limitation dans le temps des allocations de chômage. Ce rapport porte désormais sur la situation jusqu'au 30 juin 2026. Il nous donne donc à nouveau une vision plus large de l'évolution de la situation après la mise en œuvre de la troisième vague.
Je tiens toutefois à rappeler d'emblée une précaution importante. Ce rapport constitue un monitoring, et non encore une évaluation causale de la réforme. Il me semble néanmoins impossible de faire abstraction de la limitation dans le temps lorsque l'on analyse les résultats. Les chiffres restent provisoires et, dans la mesure où le rapport permet déjà d'appréhender certains effets, ils ne portent encore que, comme je viens de le dire, sur les trois premières vagues.
Le régime transitoire se poursuit jusqu'au 30 juin 2027 et même au-delà, en raison de prolongations de droits existants pour diverses raisons telles qu'une période intermédiaire de travail.
Cela étant dit, les nouvelles données permettent déjà de dégager plusieurs évolutions que je qualifierais d'intéressantes.
La première concerne le retour vers l'emploi. Le monitoring de mars montrait déjà, comme attendu, que les résultats s'amélioraient à mesure que l'on passait de populations extrêmement éloignées du marché du travail à des groupes ayant connu une durée de chômage moins longue. Le nouveau rapport confirme et renforce cette observation. Pour les bénéficiaires d'allocations de chômage qui atteignent effectivement la fin de leur droit, la proportion qui retrouve à ce moment un emploi salarié passe de 5,1 en janvier à 9,5 en mars, puis à 16,6 en avril. En chiffres absolus, cela représente 6 745 personnes qui ont retrouvé un emploi salarié après leur sortie en avril – auxquelles, bien évidemment, s'ajoutent encore celles qui ont débuté une activité indépendante.
La première vague était composée en grande partie de personnes ayant connu plus de 20 années de chômage. La deuxième concernait principalement des durées de chômage comprises entre 8 et 20 ans. La troisième vague concerne principalement des durées de chômage comprises entre 2 et 8 ans. Dans ce rapport de monitoring, il s'agit donc toujours de personnes ayant connu une durée de chômage substantielle. Mais la vague d'avril 2026 concerne déjà une population dont la distance moyenne par rapport au marché du travail est clairement moins importante, ce qui explique les trajectoires différentes.
Un autre élément nouveau et tout aussi important est la situation des personnes, qui ne se fige pas au premier mois suivant leur sortie. Le monitoring suit désormais les cohortes pendant plusieurs mois et constate que, mois après mois, l'emploi gagne en importance. Une photographie prise immédiatement après la fin du droit ne suffit donc pas à elle seule pour apprécier la trajectoire ultérieure de quelqu'un.
Par exemple, pour les personnes sorties en avril, leur part en emploi salarié ou indépendant passe de 18,2 % au cours du mois d'avril à 23,6 % au mois de juin. C'est évident: on ne trouve pas un emploi le jour après son exclusion. Autrement dit, retrouver un emploi ne se produit pas nécessairement le premier jour ou le premier mois après la fin de droit. Il est particulièrement important de prendre en considération cette dimension temporelle. De même, il faut éviter de ne regarder que les personnes qui atteignent formellement leur date de fin de droit. La réforme influence aussi des trajectoires avant cette date. Le monitoring qualifie ces mouvements de "sorties spontanées".
L'hypothèse la plus évidente est que les personnes, sachant que leur droit aux allocations sera terminé dans un mois, adaptent leur comportement de recherche d'emploi en conséquence. Quand on connaît un peu le marché de l'emploi, on comprend aisément que l'on peut trouver un emploi quelques semaines avant ou après l'exclusion. C'est la volonté même de cette réforme: créer une attitude qui permette le changement visant à accepter un emploi. Quelques semaines avant ou quelques semaines après, ce n'est évidemment pas le jour même de l'exclusion. L'ONEM va maintenant calculer les chiffres sur la base de cette période. C'est évidemment une question de bon sens.
Au mois d'avril 2026, qui correspond à la troisième vague de fin de droit, nous constatons ainsi que 32,1 % de l'ensemble des sorties du chômage – c'est-à-dire les sorties intervenues quelques semaines avant la date de fin de droit ainsi que celles intervenues au moment de la fin de droit, pendant quelques semaines – se sont faites vers un emploi salarié. Un tiers! C'est donc clairement dans la fourchette statistique prévue par le gouvernement. C'est un constat indéniable – même si je sais qu'il n'est pas partagé par certains collègues ici présents – et statistiquement prouvé.
Pour les allocations d'insertion, la progression vers l'emploi est notable. La part des sorties vers un emploi salarié, après avoir atteint la fin de droit, est passée de 15,7 % en janvier à 34,5 % en juin. La taille des groupes varie d'un mois à l'autre, mais l'évolution mérite d'être relevée. Donc, pour les jeunes, c'est encore mieux! Nous sommes au-delà du tiers que nous espérions.
De monitoring bevestigt eveneens dat werk, opleiding en bepaalde bijzondere situaties de einddatum van het recht kunnen uitstellen. Zo hadden 8.800 personen die theoretisch eerder het einde van hun recht op uitkeringen hadden moeten bereiken, eind juni nog steeds recht op uitkeringen.
Wat ziekte betreft, daalt bij de personen die daadwerkelijk het einde van hun recht bereiken, het aandeel dat naar ziekte uitstroomt van 12 % in januari naar 9 % in maart en 5,5 % in april. Het gaat niettemin nog steeds om een aanzienlijk aantal personen. De monitoring stelt eveneens een toename vast van de overgangen naar ziekte in de aanloop naar bepaalde golven. Dat punt moet binnen de regering nauwlettend verder worden opgevolgd. Personen die werkelijk arbeidsongeschikt zijn, moeten uiteraard de bescherming krijgen waarop ze recht hebben. Tegelijk moeten we evenwel vermijden dat personen eenvoudigweg van het ene uitkeringsstelsel naar het andere overgaan, zonder dat hun werkelijke situatie correct wordt beoordeeld. Misbruik moet worden bestreden. Daarom moeten activering, begeleiding en een correcte medische beoordeling hand in hand gaan. Ik verwacht van mijn collega, de minister van Sociale Zaken, dat hij de daarover binnen de regering gemaakte afspraken naleeft.
Ten slotte is de overgang naar het leefloon aanzienlijk in de eerste drie golven. De monitoring vermeldt een ratio van 44 %. Die vastgestelde overgangen zijn geen verrassing. Anders zou de regering niet de omvangrijke maatregelen hebben genomen ter ondersteuning van de OCMW's. De regering verwacht dan ook van de OCMW's dat zij de personen begeleiden naar werk, autonomie en maatschappelijke participatie. De OCMW's worden daartoe eveneens aangemoedigd door het financiële compensatiemechanisme dat de herinschakeling van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt beloont.
Uit het rapport onthoud ik eveneens de toepassing van het middelenonderzoek. Bijna 9.000 aanvragen voor een leefloon werden geweigerd.
Wat de budgettaire impact betreft, wil ik voorzichtig blijven. Daarvoor moeten verschillende elementen samen worden onderzocht: de besparing in de werkloosheidsverzekering, het beroep op het leefloon, de uitstroom naar werk, de overgang naar ziekte en, belangrijk, het tijdstip waarop die bewegingen plaatsvinden en hun duurtijd. De oorspronkelijke ramingen hadden bovendien betrekking op de hervorming in haar geheel en niet op de eerste maanden van de eerste golven, die net de moeilijkste profielen betreffen.
Er werd eveneens opgemerkt dat de activering zo vroeg mogelijk moet plaatsvinden. Ik ben het daar volledig mee eens. Net daarom wijzigt deze hervorming de logica van het systeem. Niemand zal nog jarenlang in de werkloosheidsverzekering kunnen blijven zonder dat de noodzaak van de terugkeer naar werk van meet af aan duidelijk is. Ook de degressiviteit van de uitkeringen werd versterkt en hersteld, zodat tijdens de eerste cruciale werkloosheidsperiode een financiële prikkel voelbaar is, waar die voorheen voor grote groepen volledig ontbrak.
Begeleiding, opleiding, arbeidsbemiddeling en opvolging behoren binnen een institutioneel kader hoofdzakelijk tot de bevoegdheid van de gewesten. De federale hervorming creëert echter het kader, de prikkels en de urgentie, zodat zij bij hun opdrachten worden ondersteund in plaats van tegengewerkt.
We moeten voorzichtig blijven als het gaat over de volgende golven. De cijfers uit het jongste monitoringsrapport laten nog niet toe om daarvan een beeld te vormen. De eerste signalen bevestigen evenwel de verwachtingen van de regering. Naarmate de betrokken groep minder lang werkloos was, neemt de kans op een snelle uitstroom naar werk toe. Ik verwacht dan ook dat de dynamiek naar werk verder zal versterken naarmate de hervorming wordt voortgezet.
Ten slotte, ik begrijp dat sommige leden al een definitieve bilan van deze hervorming willen opmaken. We mogen echter niet toegeven aan de verleiding om overhaaste conclusies te trekken op basis van een voorlopige momentopname, die slechts betrekking heeft op een eerste deel van de hervorming.
Deze hervorming is veel meer dan een technische ingreep in de werkloosheidsreglementering. Ze vormt een echte paradigmaverschuiving. Voor het eerst in decennia is werkloosheid niet langer een situatie waarin men zich zonder beperking in de tijd kan nestelen, alsof het om een alternatief loopbaanplan gaat. Iedereen die voortaan werkloos wordt, weet dat dit recht beperkt is in de tijd, dat de solidariteit sterk is maar niet onbegrensd, en dat de werkloosheidsuitkering geen louter vangnet is maar moet dienen als een trampoline die het mogelijk maakt om van de ene baan naar de volgende te veren. Die fundamentele mentaliteitswijziging vormt de werkelijke inzet van deze hervorming. Ik ben er dan ook van overtuigd dat ze positieve effecten zal blijven ressorteren.
01.11 Kurt Moons (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden, die echter niet bijzonder concreet waren, behalve op de punten die we al konden lezen in het monitoringrapport van de RVA.
Onze partij is altijd al voorstander geweest van een beperking van de werkloosheid in de tijd. Laat daar dus geen misverstand over bestaan. Het is evenwel nuttig en nodig om voorlopige cijfers te kunnen interpreteren en analyseren. Ze geven ook een aantal trends weer. Waarom zijn die trends belangrijk? Dat is om maatregelen te kunnen treffen waar het verkeerd of minder goed loopt dan gepland.
Er waren in het plan twee zaken die vooropstonden. De bedoeling was dat we met de beperking van de werkloosheid in de tijd ook de werkzaamheidsgraad zouden verhogen. In werkelijkheid blijkt het tegendeel het geval, want op een jaar tijd is de werkzaamheidsgraad in België gedaald van 73,3 % naar 72,8 %. Dat gaat dus minder goed.
Anderzijds was het de bedoeling om een derde, een derde, een derde te bereiken. Op dat punt blijven we nog wat op onze honger. U geeft inderdaad ook aan dat mensen die al langer van de arbeidsmarkt waren verwijderd het moeilijker zullen hebben om werk te vinden. Er zijn echter ook niet genoeg vacatures. Als we mensen moeten activeren, moeten er ook vacatures zijn. Ook daar loopt het totaal verkeerd. We hebben maar 133.000 vacatures tegenover 200.000 mensen die uit de werkloosheid komen en met de beperking te maken zullen krijgen. Bovendien zijn er nog de langdurig zieken en dergelijke. We hebben dus niet genoeg jobs om die mensen te activeren. Net daaraan hebben we al maanden gewerkt, om aan te geven dat er passende maatregelen moeten worden getroffen. Het industrieel beleid moet worden aangepast.
Ook regionaal zijn de verschillen groot. Het is dan ook normaal dat er in de verschillende regio's verschillende maatregelen worden getroffen, omdat de problematieken er ook verschillen. Er is op dat vlak nog heel wat werk om een gedifferentieerd activeringsbeleid uit te werken voor de OCMW's, de langdurig zieken en bij de arbeidsbemiddelingsbureaus.
Op dat vlak hebben we dus nog wel wat werk, want dat heeft sowieso gevolgen voor uw begrotingsdiscussies. Die besprekingen zien er vandaag al niet fraai uit en zullen er de komende maanden en jaren waarschijnlijk nog minder fraai uitzien.
01.12 Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, j'avais deux questions. Non seulement vous ne venez pas souvent et vous ne restez pas longtemps, mais en plus vous ne répondez pas aux questions. Cela me pose problème. Avec notre équipe, nous avions bien lu les documents dont vous venez de vulgariser une partie. Je vous en remercie, mais ce n'était pas nécessaire, car nous les avions bien étudiés.
Je vais vous relire les questions auxquelles vous n'avez pas répondu. Les chiffres que vous apportez représentent-ils une hausse par rapport aux sorties du chômage observées depuis le début de votre réforme? Disposez-vous de données permettant de comparer le nombre de chômeurs qui quittaient le chômage chaque mois ou chaque trimestre avant votre réforme?
Quel type d'emploi les personnes qui ont perdu leurs allocations de chômage ont-elles trouvé? Quelle est la proportion de contrats à durée indéterminée, de contrats à durée déterminée et de contrats précaires? Combien de jours ces personnes ont-elles effectivement travaillé depuis la fin de leurs allocations? Et combien d'heures travaillent-elles par semaine?
Savez-vous pourquoi nous vous posons ces questions? C'est parce que nous sommes le Parti du Travail. Nous voyons le travail dans sa dimension émancipatrice. Pour nous, il doit structurer la vie. Nous sommes donc contre les jobs précaires destinés à vous donner l'illusion que les chiffres sont meilleurs pendant quelque temps. Ce n'est pas du tout notre vision de la manière dont il faut moderniser le marché du travail.
Vous, vous avez une tout autre vision. De plus, votre réforme appauvrira les communes. Vous avez reçu mes questions non pas ce matin, mais déjà hier. Vous aviez donc le temps d'y répondre. Soit vous y répondez soit je les redéposerai rapidement afin d'obtenir les réponses que j'attends. Voilà, monsieur le ministre, le débat démocratique auquel nous avons le droit d'avoir ici! Vous avez votre vision, nous avons la nôtre, et cela mérite un débat. Or, avec la réponse que vous nous avez apportée aujourd'hui, vous évitez le débat en ne répondant pas à nos questions. Peut-être ne le faites-vous pas consciemment.
Vous parlez des allocations comme d'un tremplin vers l'emploi. Franchement, sur ce point, je suis sincèrement d'accord avec vous. Ce que vous appelez des allocations, c'est ce que la classe travailleuse a construit voilà plus d'un siècle pour se protéger des crises économiques. Il ne s'agit pas d'une assistance publique, mais bien de notre sécurité sociale. Comme il y a trop peu d'emplois disponibles, cela ne devient malheureusement plus forcément un tremplin. Que fait-on face au déclin du secteur industriel que nous sommes en train de subir parce que nous n'avons plus la mainmise dessus? Si nous n'accélérons pas également notre politique industrielle, nous ne serons pas en mesure d'offrir un emploi durable à la génération qui arrive sur le marché du travail.
Je n'accepte pas que vous laissiez entendre que les gens s'installeraient dans une forme d'assistance. Non, il s'agit de notre sécurité sociale! Nous ne la laisserons pas être accaparée par vous et votre gouvernement, monsieur le ministre. Voilà pourquoi ce débat est crucial. Voilà pourquoi je reviens avec mes questions.
01.13 Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, u geeft een aantal cijfers uit de monitoringrapporten. Dat is geen evaluatie, maar het is wel goed dat dit wordt gemonitord. Voor mij is elke werkzoekende die een job vindt winst, want met een job heeft men niet alleen een inkomen, maar krijgt men ook waardering en zelfvertrouwen. Ik vind dat belangrijk, want het gaat hier om een bijzonder kwetsbare groep.
Ik heb aan het loket van de vakbonden gezeten. Daar kwamen mensen die 10, 15 of 20 jaar werkloos waren met een brief van de VDAB waarin stond dat ze ontoeleidbaar waren, dat ze geen werk meer moesten zoeken, dat wij dat voor hen ook niet meer zouden doen en dat ze zelfs geen opleiding meer mochten volgen. Ik vind het bijzonder wreed hoe men mensen zo aan hun lot overlaat en in de put duwt.
Voor de stemming over de hervorming van de werkloosheid heb ik u gewaarschuwd dat het om kwetsbare groepen gaat. Die mensen zullen niet zelf aan werk geraken. Ik hoor u nu zeggen dat het vooral de OCMW's zijn die de mensen naar werk moeten begeleiden. We hebben hier gisteren een debat gehad. Het water staat de OCMW's ook aan de lippen. Ik hoor uit de praktijk dat de VDAB gewoon zegt, ook tegen mensen die geen leefloon hebben: ga maar naar het OCMW, maar bij de OCMW’s zeggen ze dat ze al te veel werk hebben.
U hebt daar kort iets over gezegd, maar ik vrees, mijnheer de minister, dat er echt nog een tandje bij moet worden gestoken op het vlak van samenwerking met de regionale bemiddelingsinstanties. Men kan die mensen echt niet loslaten. Men moet die mensen blijven begeleiden totdat ze werk hebben. U zegt dat het een trampoline is, maar als het een trampoline moet worden, moet er echt meer op samenwerking worden ingezet.
Ik denk ook dat de extra middelen voor maatwerk echt moeten worden verdeeld. Daarover zal ik volgende week een vraag stellen. De maatwerkbedrijven zitten daarop te wachten, maar ook de kwetsbare werkzoekenden zitten echt te wachten op een kans op aangepast werk in zo’n maatwerkbedrijf. Dat is superbelangrijk voor hen.
01.14 Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. U zegt dat we niet voortijdig conclusies mogen trekken. Je veux bien, maar ondertussen bereiken ons wel hulpkreten van de mensen die zich in die situatie bevinden, en evengoed van de OCMW's, van de organisaties op het terrein en van de maatwerkbedrijven. Het lukt niet. Misschien was het allemaal te verwachten wat er nu gebeurt, maar ik stel toch vast dat er op het terrein onvoldoende voorbereiding was op wat er allemaal te verwachten was.
Collega's Demesmaeker en Muylle illustreren eigenlijk perfect hoe de doelpalen verschuiven. Had de regering eerst de ambitie om een derde te activeren, nu staat men met enige nuance te juichen als het om een tiende gaat.
Het is waar, die mensen staan ver van de arbeidsmarkt en het is moeilijk om hun duurzaam een goede job te geven. Reden te meer om daar ook een actief beleid rond te voeren, maar dat doet men niet, niet federaal, maar ook niet in de gewesten. We zullen het straks horen in de Vlaamse septemberverklaring, als ze nog voor september is.
Federaal is het zelfs volledig het omgekeerde. Men doet er alles aan om het die mensen nog moeilijker te maken, of het nu over flexi-jobs gaat waarmee men in concurrentie moet gaan, de herinvoering van de proefperiode of de jacht op de zieken. Men doet er alles aan om het mensen moeilijk te maken een job te vinden en die duurzaam te behouden.
Het enige antwoord dat deze regering kent, is pijn. Pijn, pijn, pijn. Financiële prikkels, degressieve uitkeringen, extra controles. Ik denk niet dat dat in het belang is van die mensen, van onze arbeidsmarkt of van onze maatschappij.
01.15 Eva Demesmaeker (N-VA): Bedankt voor uw antwoord, mijnheer de minister.
Nogmaals, mijnheer Van Lysebettens, die één derde moet natuurlijk wel worden bekeken op een bepaalde termijn. Men kan niet de regels herschrijven en verwachten dat die mensen van vandaag op morgen plots aan de slag zijn. Dat hebben we ook nooit gezegd.
We zijn nog maar een paar maanden ver, maar we zien dat – de minister heeft het ook aangehaald – 16 % wel al werk heeft gevonden. Vooral de mentaliteit is ook veranderd. Men weet nu: ik kan niet voor de rest van mijn dagen werkloos blijven. Men beseft dat men opnieuw werk zal moeten zoeken, dat men opnieuw aan de slag zal moeten gaan. Die kentering is wel degelijk ingezet.
Het enige waar ik mij nog wel zorgen over maak – ik deel de bezorgdheid daarover met uw collega – is dat ik ook echt goed zicht wil krijgen op de cijfers van het aantal mensen die doorvloeien, niet alleen naar de OCMW's, maar ook naar de ziekte-uitkeringen. Ik heb daarover een aantal vragen gesteld, maar ik ben eerder bezorgd over het antwoord en over de vraag of we die verschuiving op dit moment wel goed in het oog kunnen houden. Ik hoop dus dat er bij de collega toch ook op aangedrongen wordt om de gemaakte afspraken effectief na te komen en ook daar met duidelijke antwoorden naar ons terug te keren.
01.16 Nathalie Muylle (cd&v): Collega's, ik wil eenvoudigweg wat nuance in het debat brengen en heb dat net ook proberen te doen, maar blijkbaar is dat nogal moeilijk. Op basis van de 37 % werklozen die het laatste jaar aan de slag zijn gegaan, los van die 16 % van de twee trimesters, kan ik alleen zeggen dat er daar vooruitgang is. Ik ben er ook van overtuigd dat we de maatregelen pas op een goede manier kunnen evalueren vanaf juli 2027. We hebben immers juli 2025 als ijkpunt en de overgangsmaatregelen zijn nog van kracht tot juli 2027. Pas daarna kunnen we aan een evaluatie beginnen en onderzoeken of we in ons opzet slagen. Betekent dat dat we nu niets moeten doen? Uiteraard niet.
Collega Moons, ik wil ook andere zaken nuanceren, ook al loop ik dan het risico verwijten naar het hoofd geslingerd te krijgen. U zei dat er vandaag geen vacatures meer zijn in ons land. Vandaag zijn er nochtans 134.000 openstaande vacatures. Het klopt dat het aantal vacatures lichtjes gedaald is, maar de Europese cijfers geven aan dat België, samen met Duitsland en Nederland, koploper is in het aantal vacatures. Spanje heeft 90.000 vacatures en Italië heeft 48.000 vacatures. Zeggen dat er vandaag geen vacatures zijn en dat er geen mogelijkheden zijn, klopt dus niet. Ik woon in een regio met immens veel vacatures zijn, op 20 minuten van Henegouwen, waar vandaag de werkloosheidsgraad ongeveer 15 % bedraagt. Toch slagen we er niet in om die mensen aan het werk te krijgen. Er komen meer Fransen in de regio werken dan Henegouwers, terwijl de verplaatsingstijd slechts 15 à 20 minuten bedraagt.
Mijnheer de minister, laten we daarom kijken naar samenwerking. De samenwerking met de regio's is zo cruciaal om mensen te zoeken en te activeren. Men heeft al tal van zaken geprobeerd om werklozen uit andere regio’s te activeren, maar ik denk dat het een ongelooflijke opportuniteit is voor de toekomst om die mensen daar aan de slag te krijgen, want dit is de enige juiste weg.
01.17 Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, encore une fois, nous n'allons pas être d'accord. Nous n'avons pas du tout la même lecture des chiffres ni, pour certains, la même réalité de terrain.
Dans les questions que je vous ai posées, je vous demandais les chiffres des années précédentes afin que nous puissions comparer avec ce que vous nous affirmez aujourd'hui et que nous puissions aussi vérifier le soi-disant succès de cette "super réforme" du chômage. Vous n'avez pas non plus répondu à ma question sur le type d'emploi et la stabilité des emplois que, selon vous, les gens retrouvent aujourd'hui.
Dans ce rapport de l'ONEM, pour le groupe concerné par la première vague, les transitions vers l'emploi passent de 2 à 3,5 %. Cela veut dire que l'immense majorité des personnes concernées n'ont pas trouvé d'emploi à ce moment-là. Et l'ONEM reconnaît lui-même qu'il est impossible de déterminer ce qui relève réellement de la réforme. Il évoque aussi, j'imagine que vous l'avez lu, un possible effet d'éviction, c'est-à-dire une concurrence accrue entre les différents groupes de demandeurs d'emploi pour un nombre limité de postes.
En revanche, ce qui est vraiment très clair, c'est la forte hausse des transitions vers la maladie pour ce même groupe, puisqu'elles passent de 2,1 % à 10,4 %. En outre, depuis le début de la réforme, 44 % des personnes sorties des allocations perçoivent le revenu d'intégration.
Monsieur le ministre, ce qui manque dans cette réforme, ce sont des emplois suffisamment nombreux, stables et de qualité. La création d'emplois doit être la priorité. Je reviens à chaque fois avec les chiffres de faillite: 11 685 faillites en 2025, 7 000 faillites pour les huit premiers mois de 2026. Je ne sais pas où vous comptez aller chercher votre taux d'emploi, dont vous nous dites qu'il va passer à 80 %. Moi, je n'en vois pas la couleur.
Par ailleurs, que faites-vous des plus de 55 ans? J'entends différents retours du terrain. Moi, j'ai rencontré une personne de 55 ans et une de 62 ans aujourd'hui. Ces femmes travaillaient toutes les deux à temps plein. Elles ont perdu leur boulot en raison de restructurations. Et, aujourd'hui, elles postulent. Elles viennent aussi me trouver en permanence, et ce ne sont pas les mêmes retours. On ne les engage pas. Pourquoi? Parce qu'elles coûtent trop cher à la société, monsieur le ministre. Et ne parlons pas des emplois ALE!
Les jeunes rament et crèvent pour essayer de trouver du boulot. On ne les prend pas parce qu'ils n'ont pas assez d'expérience. Et je ne vous dis même pas la concurrence que vous installez avec les flexi-jobs sur le marché du travail. Donc, monsieur le ministre, vous devez investir, créer des emplois et accompagner véritablement les personnes vers le travail.
01.18 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, la défense que nous entendons de la part de la majorité est assez hallucinante. Quand on a un mauvais bulletin, on l'assume; on n'essaie pas de bidouiller les chiffres. Nous sommes ici face à un résultat médiocre: une personne sur dix retrouve du boulot. Cette réforme est un échec, et le contexte est catastrophique. Voilà la situation!
Vous nous dites observer des éléments intéressants: "Les personnes les moins éloignées de l'emploi retrouvent plus facilement du travail". Mais quel scoop! Et "on ne retrouve pas un emploi le lendemain de son exclusion." Incroyable, qui aurait pu le prédire!? Sérieusement, est-ce que vous vous foutez de nous?
Les faillites sont plus nombreuses que jamais, avec des taux records: 250 faillites de plus que l'année dernière pour la même période. Les associations ferment ou licencient, les administrations ne remplacent plus leur personnel en raison des mesures d'austérité que vous mettez en place, les flexi-jobs remplacent les emplois stables dont ces personnes ont besoin, sans parler des défis tels que l'intelligence artificielle qui remplace les boulots, en particulier ceux des jeunes aujourd'hui.
Quand vous réveillerez-vous? Vous et vos collègues des régions, avez-vous vu le bilan? Le dispositif mis en place par le ministre de l'Emploi en Région wallonne – et ceci intéressera aussi les collègues flamands – proposait de tout rationaliser (ils étaient également en majorité auparavant, ne l'oublions pas) en disant: "On va tout rationaliser, parce que cela ne fonctionne pas. Un taux d'un sur deux pour des chômeurs de longue durée, c'est un mauvais score. Donc, on rationalise tout, on installe un nouveau dispositif et on licencie à gauche et à droite, dans tous les CISP". Et quel est le résultat du nouveau dispositif Job Plus? Plus de la moitié des aides de Job Plus sont siphonnées par l'intérim, monsieur le ministre. Plus de la moitié! Est-ce cela que vous proposez aux gens: des jobs d'intérim?
Vous nous dites qu'à l'approche de l'exclusion, les gens finiront par accepter un boulot, mais en fait, dites-nous plutôt directement qu'ils accepteront n'importe quel boulot, en dessous de leurs qualifications, en deçà ou bien loin de leurs aspirations. Cela ne vous intéresse-t-il donc pas que les gens puissent se projeter dans un emploi qui leur plaît ? Ne devrait-ce pas être l'un de vos objectifs en tant que ministre de l'Emploi?
Monsieur le ministre, aujourd'hui, il faut vraiment vous remettre au travail pour donner à ces personnes de véritables perspectives d'avenir et non simplement des jobs d'intérim qui ne leur permettent pas de se projeter dans l'avenir ni même de contracter un emprunt. C'est cela, votre travail!
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
02.01 Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, une étude récente de l'institut Athéna révèle un constat interpellant dans le commerce alimentaire. Depuis 2018 et l'arrivée des flexi-jobs dans le secteur, les salariés ont perdu 3,4 millions d'heures de travail. Dans le même temps, les flexi-jobistes en ont gagné 3 millions. Autrement dit, l'emploi standard diminue tandis que les flexi-jobs augmentent. De plus, des signalements récents dans le secteur de la grande distribution montrent que certains employeurs organiseraient désormais leurs horaires en fonction des disponibilités de leurs flexi-jobistes. Le résultat est que les travailleurs sous contrat fixe se retrouvent avec les créneaux restants.
Cette pratique est inacceptable et illustre parfaitement les effets pervers de votre politique. Les flexi-jobs ont été créés pour répondre à des besoins ponctuels, pas pour remplacer de l'emploi stable. Or, depuis le 1er juillet 2026, vous avez largement étendu le recours aux flexi-jobs à de nouveaux secteurs. Sans garde-fous suffisants, cette extension risque de renforcer la concurrence entre différents statuts et de fragiliser progressivement la place de l'emploi stable. Dans certains cas, les travailleurs sous contrat fixe pourraient ainsi perdre la maîtrise de leurs horaires, tandis que les employeurs privilégieraient la flexibilité offerte par les flexi-jobistes. Cette évolution pose donc une question fondamentale: la flexibilité ne peut pas devenir un modèle d'organisation du travail qui se fait au détriment de celles et ceux qui disposent d'un contrat classique.
Monsieur le ministre, avez-vous connaissance de telles situations dans la grande distribution ou dans d'autres secteurs? Comment comptez-vous garantir que la généralisation des flexi-jobs ne dégrade pas les conditions de travail des salariés sous contrat classique et ne leur fasse pas perdre la maîtrise de leurs horaires? Une évaluation de l'impact de cette extension sur l'emploi stable et sur l'organisation du travail est-elle prévue? Enfin, envisagez-vous des mesures afin que les flexi-jobs restent complémentaires à l'emploi classique et ne servent ni à le contourner ni à le remplacer?
Des signalements récents dans le secteur de
la grande distribution montrent que certains employeurs organiseraient
désormais leurs horaires en fonction des disponibilités de leurs flexi-jobbers.
Résultat: les travailleurs sous contrat fixe se retrouvent avec les créneaux
restants.
Cette pratique est inacceptable et illustre
parfaitement les effets pervers de votre politique. Les flexi-jobs ont été
créés pour compléter des besoins ponctuels, pas pour remplacer l'emploi stable.
Or, depuis le 1er juillet 2026, vous avez largement étendu le recours aux
flexi-jobs à de nouveaux secteurs. Sans garde-fous suffisants, cette extension
risque de renforcer la concurrence entre différents statuts et de fragiliser
progressivement la place de l'emploi stable. Dans certains cas, les travailleurs
sous contrat fixe pourraient ainsi perdre la maîtrise de leurs horaires, tandis
que les employeurs privilégieraient la flexibilité offerte par les
flexi-jobbers.
Cette évolution pose donc une question
fondamentale. La flexibilité ne peut pas devenir un modèle d'organisation du
travail qui se fait au détriment de celles et ceux qui disposent d'un contrat
classique.
Dès lors monsieur le ministre, avez-vous
connaissance de telles situations dans la grande distribution ou d'autres
secteurs?
Comment comptez-vous garantir que la généralisation des
flexi-jobs ne dégrade pas les conditions de travail des salariés sous contrat
classique et ne leur fait pas perdre la maîtrise de leurs
horaires?
Une évaluation de l'impact de cette
extension sur l'emploi stable et l'organisation du travail est-elle prévue?
Enfin, envisagez-vous des mesures pour que
les flexi-jobs restent complémentaires à l'emploi classique et ne servent pas à
le contourner ou à le remplacer?
Monsieur le ministre, une étude récente de
l'institut Athéna révèle un constat interpellant dans le commerce alimentaire.
Depuis 2018 et l'arrivée des flexi-jobs dans le secteur, les salariés ont perdu
3,4 millions d'heures de travail. Les flexi-jobbers, eux, en ont gagné 3 millions.
Autrement dit: l'emploi standard diminue,
les flexi-jobs augmentent.
Et ces constats sont d'autant plus
préoccupants lorsqu'on les met en regard de la réalité du marché du travail.
4.385 employeurs n'ont aujourd'hui plus de travailleurs classiques et
n'engagent plus que des étudiants ou des flexi-jobbers. Les revenus tirés de
ces flexi-jobs restent par ailleurs particulièrement faibles, avec un salaire
médian de 133 euros par mois pour les moins de 65 ans et de 158 euros pour les
plus de 65 ans.
J'ai vous ai déjà alerté à plusieurs
reprises: la généralisation des flexi-jobs, combinée au traitement fiscal et
social ultra-avantageux, produit des « effets indésirables et pervers ». Cela
signifie très concrètement la suppression d'emplois réguliers et stables, une
précarisation croissante du marché du travail, et une baisse des recettes pour
la sécurité sociale et les finances publiques.
Alors monsieur le ministre, je m'interroge.
D'un côté, il faudrait trouver 10 milliards d'euros pour assainir les finances
publiques et faire peser l'effort sur les travailleurs, les pensionnés, les
familles. Et de l'autre, vous mettez en place des mesures qui creusent le
déficit de l'État et de la sécurité sociale !
Comment justifiez-vous cette incohérence?
Envisagez-vous enfin de remettre à plat ce
régime fiscal et social particulièrement avantageux, alors que son coût pour la
collectivité ne cesse de s'accroître?
02.02 Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, en plus de toutes les mesures déjà prises contre le monde du travail, vous souhaitez économiser 10 milliards d'euros supplémentaires. Où irez-vous chercher cet argent? On nous répète à longueur de journée qu'il n'y a pas d'argent dans ce pays. Or, dans le même temps, on dégage des milliards pour la guerre. Il me paraît clair que la population ne va pas payer pour cela. Les citoyens saignent déjà lorsqu'ils font le plein à la pompe. Maintenant, basta!
Et, heureusement, ils se mobilisent. Une grande manifestation aura lieu le 9 octobre en front commun, avec pour mot d'ordre: "Pas dans nos poches!" Il faut aller chercher l'argent là où il se trouve, c'est-à-dire dans les poches du 1 % le plus riche de ce pays. Les travailleurs et les travailleuses de ce pays ainsi que leurs organisations syndicales pourront compter sur le PTB à leurs côtés le 9 octobre prochain à Bruxelles.
Pour en revenir précisément à cette question des flexi-jobs, comment justifierez-vous la contradiction manifeste entre les arguments que vous utilisiez déjà à l'époque pour ne pas suivre l'avis du Conseil d'État et la réalité économique des secteurs à laquelle vous êtes confronté aujourd'hui? En effet, toute une série de secteurs refusent désormais l'installation des flexi-jobs. Je ne vais pas tous les énumérer ici. Dès lors, monsieur le ministre, maintenez-vous toujours vos arguments selon lesquels les flexi-jobs constitueraient une nécessité et une demande de l'ensemble des employeurs de ce pays?
02.03 Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, ik wil niet het hele debat overdoen. We hebben het er al vaak genoeg over gehad en ik denk dat ik er een zeer genuanceerde visie op heb. Vooruit heeft u altijd aangegeven dat het systeem moet worden opgevolgd en geëvalueerd. We hebben gevraagd dat de betrokken sectoren een veiligheidsevaluatie zouden doen; dat zijn toch wel belangrijke elementen voor ons.
Ik had twee vragen ingediend omdat er me twee concrete problemen ter ore zijn gekomen. Ten eerste kreeg ik verontrustende getuigenissen binnen van buschauffeurs die na een volledige werkdag bij de onderaannemer van De Lijn toch nog ingezet worden als flexi-jobber voor lange internationale ritten voor touringcarbedrijven. Dat betekent dat ze te weinig rust nemen. Dat is niet goed voor hen en evenmin voor ons allemaal, want het gaat in tegen de verkeersveiligheid.
Tijdens het debat zei u te willen bekijken hoe dat gecontroleerd moet worden en of niet via de digitale tachograaf kan worden nagegaan of dat soort gecombineerde prestaties niet leidt tot een overschrijding van de rij- en rusttijden. Kortweg: wat is daar de stand van zaken? Krijgt u ook die signalen en hoe wilt u garanderen dat de rij- en rusttijden gerespecteerd worden?
Van het tweede probleem hoorde ik vorige week. Het gaat over een taxibedrijf uit Brussel dat ook actief is op de luchthaven van Zaventem. Ik kan u straks gerust de naam zeggen. Hetzelfde gaat op voor een busmaatschappij uit Tienen, waar personeelsleden met een contract van onbepaalde duur bij de baas geroepen worden en verplicht worden hun ontslagbrief te ondertekenen, om dan ter vervanging een flexi-job van twee dagen aangeboden te krijgen. Sommige van die werknemers die dat tekenen, en zelfs de werknemer die ik aan de lijn had, zeggen dat ze het ergens wel begrijpen. Wel, ik begrijp het eerlijk gezegd helemaal niet!
Het betekent dat mensen met tien, elf jaar anciënniteit vrijwillig hun arbeidsovereenkomst beëindigen om als flexi-jobber – en dat systeem is ook niet voor eeuwig – opnieuw aan de slag te gaan. Volgens mij is het gewoonweg strijdig met de arbeidswetgeving om iemand met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur zelf te vragen ontslag te nemen, om hem of haar vervolgens als flexi-jobber opnieuw in dienst te nemen.
Krijgt u ook dit soort signalen, mijnheer de minister? Wat doet u eraan? Beschikt u over gegevens per sector? Dit lijken mij misbruiken die moeten worden aangepakt. Ik hoop dat u het met mij eens bent dat we daarvoor niet hoeven te wachten op de evaluatie.
02.04 François De Smet (DéFI): Dans un entretien accordé au journal De Standaard, le ministre du Budget a déclaré: "Les flexi-jobs sont en train de déraper. Sans correction, notre État-providence ne restera pas finançable." Il va jusqu'à redouter, au vu des chiffres budgétaires actuels, un rappel à l'ordre du Fonds monétaire international (FMI) et de la Commission européenne d'ici cinq ans. Sa déclaration date du 13 juillet, mais je ne suis pas sûr qu'il ait fondamentalement changé d'avis depuis lors.
Alors, à mesure que le flexi-job se substitue à de l'emploi ordinaire pleinement cotisé, les recettes de la sécurité sociale s'érodent, alors même que le régime ouvre, c’est vrai, des droits, notamment de pension et de vacances annuelles, dont le coût est différé. La Cour des comptes et le Comité de gestion de l'Office national de sécurité sociale ont, par le passé, souligné l'absence d'évaluation ex post systématique des extensions du régime.
Monsieur le ministre, confirmez-vous le diagnostic de votre collègue chargé du Budget selon lequel le régime des flexi-jobs dérape? Disposez-vous, depuis l'extension du 1er juillet 2026, de chiffres actualisés sur le nombre de flexi-jobistes, leur répartition sectorielle et la part des heures flexibles dans le volume total des secteurs concernés?
En outre, quel est l'incidence nette du régime sur le financement de la sécurité sociale, compte tenu à la fois du manque à gagner en cotisation ordinaire, des effets de substitution à l'emploi classique et des droits sociaux différés? Vous me renverrez peut-être vers le ministre compétent pour la Sécurité sociale sur le sujet, mais vous avez peut-être quand même un avis.
Enfin, le gouvernement envisage-t-il, comme le suggère le ministre du Budget, de resserrer les conditions du régime?
02.05 Nathalie Muylle (cd&v): Dank u wel, voorzitter. Ik ga me niet wagen aan een debat dat voor de zomer al dagenlang is gevoerd over de flexi-jobs.
Ik heb drie vragen ingediend en wil heel concreet twee vragen ter opvolging stellen. Ten eerste, hebben we als wetgever de mogelijkheid opengelaten om voor een opt-in of opt-out te kiezen? We hebben daar voor de zomer al met elkaar over van gedachten gewisseld. Voor een aantal sectoren voelen we aan dat het jammer is dat bepaalde keuzes zijn gemaakt. Ik wil graag weten waar we vandaag staan. Hoeveel sectoren zijn er? Er lopen vandaag ook nog onderhandelingen in het kader van sectorale akkoorden. Hoe zit het met de opt-in en opt-out? Hebt u, ook in het kader van de uitbreiding van de sectoren, zicht op waar we staan?
Een tweede punt betreft de discussie van voor de zomer over een aantal aspecten van de combinatie met flexi-jobs, bijvoorbeeld de langdurig zieken. Daarbij fronsen we toch de wenkbrauwen. Vandaag kan iemand die langdurig ziek is nog een flexi-job starten en hij kan dat onbeperkt in de tijd doen. Voor werklozen en voor mensen die tijdskrediet of ouderschapsverlof opnemen, hebben we wel beperkingen ingebouwd, maar voor langdurig zieken niet. Er zijn in deze commissie wetsvoorstellen daarover hangende.
U hebt voor de zomer gezegd dat u goed in beeld wilde brengen wat de averechtse effecten en excessen zouden zijn. U hebt toen ook het volgende gezegd: “Ik ga samen met mijn collega, de minister van Sociale Zaken, in het kader van twee belangrijke werven die in het regeerakkoord staan, kijken hoe we de regels inzake de samenloop van arbeidsongeschiktheid en het uitoefenen van een flexi-job kunnen aanpassen. We gaan een initiatief nemen in de regering om dat, in overleg met de sociale partners, verder uit te werken.”
U zou daar in het najaar op terugkomen. Zijn die initiatieven genomen? Is daar een bepaalde timing voor? Hoe kijkt u daarnaar? Wanneer kunnen we effectieve antwoorden verwachten in dit dossier? Dat hangt, denk ik, samen met een aantal initiatieven van deze commissie.
02.06 Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur le ministre, je ne vais pas refaire le débat sur les flexi-jobs ni remettre en cause ce système parce qu'on est convaincu qu'il correspond vraiment à une demande des travailleurs et des employeurs. On estime en revanche qu'il faut vraiment rester attentif à d'éventuels effets pervers ou à des possibilités d'optimisation sociale ou fiscale et qu'il faut poursuivre la réflexion pour assurer une plus grande cohérence entre les différents régimes de revenus complémentaires, tout en préservant leur activité. Mme Muylle vient d'en parler. On a aussi déposé une proposition de loi pour sécuriser le régime des flexi-jobs pour les personnes en incapacité de travail.
Monsieur le ministre, pouvez-vous déjà faire état des secteurs qui, à ce jour, ont décidé de recourir au mécanisme d'opt-out? Selon quel calendrier le gouvernement compte-t-il procéder à une évaluation globale de la réforme? L'objectif est vraiment de mesurer les effets sur l'emploi, sur les pénuries de main-d’œuvre, sur la lutte contre le travail au noir, sur le financement de la sécurité sociale aussi et de pouvoir ensuite, le cas échéant, ajuster les dispositifs pour faire des corrections.
02.07 Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, collega De Smet heeft er ook naar verwezen. Ik heb deze vraag ingediend naar aanleiding van de uitspraken van uw collega Van Peteghem nog voor het reces. Ik moet zeggen dat ik redelijk pissed was toen. We hebben hier weken gediscussieerd, de hele oppositie stelde dat u moest oppassen met de uitbreiding van de flexi-jobs, dat het de sociale zekerheid op kosten kan jagen. De meerderheid duwde het er toch door in plenum. Hoera, hoera. Twee weken later zei de tjeef der tjeven dan dat er misschien wel enige problemen zijn met de uitbreiding van die flexi-jobs. Ik heb al veel hypocrisie gezien, maar dat was toch het summum.
In het Nieuwe Testament staat dan ook dat er in de hemel meer vreugde is voor één schaap dat weer op het goede pad terechtkomt dan voor de duizend die steeds op het goede pad zijn gebleven. We kunnen maar hopen dat dit een permanente wijziging is van de visie van deze regering.
Mijnheer de minister, deelt u de analyse van uw collega Van Peteghem? Ligt de herziening van het systeem van de flexi-jobs en de uitbreiding naar alle sectoren op de regeringstafel, bijvoorbeeld naar aanleiding van de aankomende begrotingsonderhandelingen?
Mijn tweede vraag houdt daar een beetje verband mee. We hebben het in het debat in mei en juni gehad over de evaluatie van de uitbreiding van het systeem van flexi-jobs, die besteld was door de vorige regering met betrekking tot de uitbreiding die men toen heeft gedaan. Is die evaluatie er? Wat zijn de conclusies? Wat leert u daaruit? Wat gaat u daarmee doen om het systeem bij te sturen?
02.08 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, la loi de 2023 relative au régime des flexi-jobs prévoyait que, deux ans après son entrée en vigueur, une évaluation de la loi portant des dispositions diverses en matière sociale serait accomplie. Il s'agissait de vérifier si le dispositif des flexi-jobs atteignait ses objectifs et quels étaient ses impacts notamment sur le budget de la sécurité sociale, les revenus et les dépenses publiques, l’évolution de la structure de l’emploi, ainsi que sur les pics de travail, les pénuries, le marché du travail et la santé des travailleurs. Autrement dit, le but était de voir dans quelle mesure les flexi-jobs phagocytent de vrais emplois pour les personnes qui en ont besoin.
Vous avez décidé de passer outre cette analyse et d'étendre ce régime à tous les secteurs avant même d'avoir reçu cette évaluation. C'est assez hasardeux, surtout dans la période compliquée où nous nous trouvons.
Plus intéressant encore, votre collègue le ministre du Budget a exprimé ses plus vives inquiétudes à propos du système des flexi-jobs. C'était assez incroyable: tout à coup il a rejoint l'opposition et s'est mis vent debout contre les flexi-jobs. Malheureusement, c'était un peu tard, car le vote étendant ce système à tous les secteurs avait eu lieu quelques jours auparavant. C'était donc assez cocasse.
Il estime urgent d'éliminer les injustices et les contradictions: "Actuellement, pour un flexi-job, on ne paie pas de cotisations sociales personnelles, mais on acquiert tout de même des droits à la retraite, alors que, pour un job étudiant, on paie bien une cotisation personnelle, mais on n’acquiert pas de droits à la retraite. Quant à ceux qui gagnent un revenu complémentaire en tant que bénévoles, ils doivent payer 20 % d’impôts sur ces revenus. Ces différences sont inexplicables." Nous ne pouvons que le rejoindre dans cette analyse! Il estime que le manque à gagner pour l’État a représenté près de 400 millions d’euros en 2024 et près d’un demi-milliard en 2025, selon des sources gouvernementales.
Monsieur le ministre, confirmez-vous ces chiffres? Ce dossier est-il sur la table des négociations visant à boucler le budget 2027, pour lequel vous cherchez 10 milliards?
02.09 David Clarinval, ministre: Madame la présidente, ma réponse sera peut-être un peu longue, mais j'aime répondre de manière exhaustive à tous les intervenants. Je vous prie d'ores et déjà de m'en excuser.
Mesdames Thémont et Moscufo, à propos de l'avis du Conseil d'État, permettez-moi d'abord de rappeler que les flexi-jobs constituent un instrument efficace et souple qui permet à de nombreux travailleurs de compléter leurs revenus, tout en répondant aux besoins de main-d'œuvre dans les secteurs en pénurie, notamment l'horeca et autres activités confrontées à des pics d'activité. Ce dispositif contribue à renforcer l'emploi légal, à soutenir le pouvoir d'achat et à améliorer la compétitivité des entreprises sans alourdir de manière significative le coût du travail. C'est dans cet état d'esprit que le gouvernement a décidé d'en étendre l'accès, afin de rendre le marché du travail plus flexible, de faciliter les recrutements dans les secteurs en tension et d'offrir aux travailleurs davantage de possibilités de revenus complémentaires.
Pour répondre à votre question spécifique concernant les remarques du Conseil d'État, je renvoie volontiers à l'explication détaillée que j'ai déjà fournie à ce sujet au sein de cette commission les 26 mai et 9 juin derniers. Le projet de loi assure une exécution loyale de l'accord de gouvernement, tout en respectant l'autonomie des partenaires sociaux. Il appartient ensuite à ces derniers de déterminer la manière dont ils souhaitent utiliser les possibilités qui leur sont offertes. Pour ma part, je constate qu'une demande réelle existe – tant du côté des employeurs que des travailleurs – en faveur d'une extension des flexi-jobs. La nouvelle loi constitue la réponse apportée par le gouvernement à cette demande et offre au secteur la possibilité d'y répondre de manière adaptée à leur réalité.
En ce qui concerne les questions relatives à l'évaluation du Conseil national du Travail (CNT), je peux vous dire que l'article 192 de la loi-programme du 22 décembre 2023 prévoyait qu'une évaluation du dispositif des flexi-jobs devait être finalisée pour le 30 juin 2026. Le 14 juillet dernier, le CNT a clôturé ses travaux relatifs à l'évaluation du système de flexi-jobs par l'avis unanime numéro 2496. Cet avis a été publié sur le site web du CNT, accompagné des analyses de la Cour des comptes et du Bureau fédéral du Plan. En résumé, le CNT estime que les analyses destinées aux évaluations futures doivent être poursuivies et affinées.
Le CNT souhaite également rester associé à ces évaluations futures. Par ailleurs, il met en garde contre le fait que, le Bureau fédéral du Plan n'ayant réalisé qu'une analyse détaillée pour le secteur horeca, il convient de rester vigilant lorsque l'on étend les conclusions et les constatations relatives aux flexi-jobs à d'autres secteurs. Un suivi supplémentaire est également nécessaire pour pouvoir évaluer l'impact sur le travail au noir ou la capacité à pallier les pénuries sur le marché du travail.
Le CNT demande par ailleurs de renforcer la future évaluation des flexi-jobs en prévoyant, si nécessaire, l'accès aux données de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, en complément des données de l'ONSS, ainsi qu'en menant une enquête qualitative auprès des groupes représentatifs d'employeurs et de travailleurs, mais aussi en confiant cette enquête à un institut de recherche indépendant qui associera également les partenaires sociaux.
Cela dit, la nouvelle loi répond déjà à certaines de ces recommandations.
En ce qui concerne les évaluations futures – madame Muylle, madame Thémont, monsieur De Smet –, la réglementation prévoit ce qui suit: un an après l'entrée en vigueur de la présente loi, une évaluation sera réalisée pour l'ensemble des secteurs publics et privés. Cette évaluation visera à examiner dans quelles fonctions et pour quel volume de travail les flexi-jobistes sont occupés, si le système atteint ses objectifs, ainsi que son impact sur le budget de la sécurité sociale, sur les recettes et les dépenses publiques, sur l'évolution de la structure de l'emploi, sur l'évolution du temps de travail des travailleurs fixes au sein des entreprises, ainsi que sur les pics d'activité, les pénuries sur le marché du travail et la santé des travailleurs.
Les analyses nécessaires à cette évaluation seront, une nouvelle fois, réalisées par le Bureau fédéral du Plan, mais également par l'ONSS et le SPF Finances. Cette analyse sera ensuite transmise au CNT ainsi qu'au Comité A, qui établiront chacun, pour les secteurs relevant de leurs compétences, un rapport final sous la forme d'un avis à destination du gouvernement, au plus tard dix-huit mois après l'entrée en vigueur de la présente loi. Cette évaluation sera ensuite répétée chaque année.
Mevrouw Vanrobaeys, u stelde mij enkele vragen over de rij- en rusttijden van buschauffeurs. Ik heb tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de commissie voor Sociale Zaken al gewezen op de verplichting van de werkgever om een arbeidsorganisatie op te zetten die de veiligheid en het welzijn van de werknemers waarborgt. Tegelijkertijd is ook de werknemer gehouden de nodige maatregelen te nemen om de verplichtingen die voortvloeien uit zijn arbeidsovereenkomst naar behoren uit te voeren.
Net als u ben ik bezorgd over bepaalde getuigenissen die in de media of elders naar voren komen. Tegelijkertijd lijkt het me belangrijk om daaruit geen algemene conclusies te trekken. De meerderheid van de werkgevers en werknemers neemt haar verantwoordelijkheid op inzake veiligheid en welzijn op het werk. Ik verwijs hier ook graag naar de bepaling in de nieuwe wet die uitdrukkelijk voorziet in een evaluatie door de bevoegde paritaire comités uit zowel de publieke als de private sector één jaar na de inwerkingtreding ervan, met als doel na te gaan of veilige arbeidsomstandigheden worden gewaarborgd en arbeidsongevallen worden voorkomen.
In dat kader kunnen de sectoren al gebruikmaken van de nodige RSZ-gegevens over het gebruik van flexi-jobwerknemers, onder meer met betrekking tot het aantal gepresteerde arbeidsuren. Bovendien wordt de sectoren gevraagd om eventuele vermoedens van ernstige inbreuken op de regelgeving inzake veilige arbeidsomstandigheden over te maken aan de bevoegde inspectiediensten. Zij zullen tevens aanbevelingen formuleren om de veiligheid en het welzijn op het werk verder te versterken. Ik zal die aanbevelingen alvast met de grootste aandacht onderzoeken en waar nodig de gepaste initiatieven nemen.
Wat de invoering van de arbeidstijdregistratie betreft, verwijs ik naar andere vragen die daaromtrent ingediend werden en die ik nog zal beantwoorden. Ik beperk me hier tot de mededeling dat het voorontwerp van wet dat uitvoering geeft aan deze regeringsbeslissing momenteel voor advies voorligt bij de Nationale Arbeidsraad.
De heer Van Quickenborne had ook een vraag ingediend, maar hij is niet aanwezig. Hij vroeg mij naar de nieuwe cijfers van Sigedis. Ik zal het antwoord schriftelijk bezorgen via het commissiesecretariaat.
Voor de overige vragen over cijfergegevens van mevrouw Muylle en de heer De Smet verwijs ik graag naar de website van de RSZ, waar uitgebreide en actuele statistieken beschikbaar zijn. Ik kan wel al meegeven dat uit de analyse voor het eerste kwartaal van 2026 blijkt dat de horeca, de uitzendsector en de handelssector het meest gebruikmaakten van de flexi-jobs.
U stelde eveneens vragen over het uitblijven van flexi-jobs in de land- en tuinbouwsector. Als minister van Landbouw betreur ik dat de sociale partners van de land- en tuinbouw hebben beslist om geen flexi-jobs toe te laten en dus voor een opt-out te kiezen. Er is inderdaad geen enkele juridische beletsel waarom beide systemen, namelijk flexi-jobs en seizoenarbeid, niet naast elkaar zouden kunnen worden gebruikt. Ik krijg veel vragen vanuit de sector om flexi-jobs alsnog toe te laten.
Ik ben echter ook minister van Werk en respecteer de autonomie van de sociale partners, zowel aan vakbondszijde als aan werkgeverszijde, die met name wordt vertegenwoordigd door de Boerenbond en de FWA. Het zijn de sociale partners, en zij alleen, die deze keuze hebben gemaakt. Die autonomie werd gegarandeerd in het regeerakkoord en die heb ik dus ook loyaal behouden in de nieuwe wetgeving.
Concreet hebben de paritaire comités nr. 144 Landbouw en nr. 145 Tuinbouw voor een opt-out gekozen. In die laatste sector zijn flexi-jobs wel toegelaten in de subsector aanleg en onderhoud van parken en tuinen. In paritair comité nr. 132, bevoegd voor de technische land- en tuinbouwwerken, werd de bestaande opt-out echter niet bevestigd. Die sector zal dus kunnen gebruikmaken van flexi-jobs.
Of een hoevewinkel of een onthaalactiviteit op een landbouwbedrijf vandaag wel een flexi-jobber kan inzetten, wordt bepaald door de hoofdactiviteit van de juridische entiteit. Gaat het om een hoevewinkel als aparte juridische entiteit en is dat de hoofdactiviteit, dan behoort die tot de kleinhandel, waar geen opt-out bestaat. Een ander voorbeeld, een hoeve die haar eigen ijs maakt en dat ijs vervolgens als secundaire activiteit verkoopt in een winkel, valt onder paritair comité nr. 118. Ook daar is er geen opt-out.
Mevrouw Muylle, mevrouw Pirson, de recentste informatie over de andere sectoren die kiezen voor een opt-out kunt u steeds terugvinden op de website van de RSZ en werd al toegelicht in de commissie voor Sociale Zaken.
Het gaat dan om, ten eerste, het paritair comité voor het beheer van gebouwen, de vastgoedmakelaars en de dienstboden die deel uitmaken van het paritair comité voor het beheer van gebouwen, de vastgoedmakelaars en de dienstboden, PC 323; ten tweede, het paritair comité voor de begrafenisondernemers, PC 320; ten derde, het paritair comité voor de landbouw, PC 144; ten vierde, het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf, PC 145; ten vijfde, het paritair comité voor de zeevisserij, PC 143.
Een nieuwe aanvraag van paritair comité voor de schoonmaak, PC 121, zal deze week goedgekeurd worden op de ministerraad en zal voor advies worden bezorgd aan de Raad van State. Die sector wenst een gedeeltelijke uitsluiting om de flexi-jobs voor te behouden aan gepensioneerden.
M. De Smet, Mme Schlitz et M. Van Lysebettens m'ont également posé des questions sur les déclarations de mon éminent collègue Vincent Van Peteghem deux semaines après le vote de la loi qui nous occupe.
Dans la mesure où la question reste d'actualité aujourd'hui – je rappelle tout de même que c'était au cours de l'année parlementaire précédente et je ne peux que répéter que son groupe a approuvé cette réforme, et qu'en sa qualité de ministre du Budget, il n'a formulé aucune objection officielle au moment de la prise de décision au sein du gouvernement. Je vous invite d'ailleurs à relire son avis, vous verrez qu'il est limpide.
Je tiens à rappeler une nouvelle fois que 83 % des flexi-jobbistes occupent déjà un emploi à temps plein. Ils contribuent donc pleinement au financement de notre sécurité sociale par le biais de leur activité principale. En outre, l'employeur qui les occupe dans le cadre d'un flexi-job acquitte également une cotisation patronale de 28 %. Dès lors, l'affirmation selon laquelle les flexi-jobs éroderaient notre sécurité sociale, qui est fréquemment répétée par plusieurs collègues ici présents, ne correspond absolument pas à la réalité – Mme Schlitz est partie, c'est dommage, j'aurais aimé qu'elle l'entende.
La suggestion selon laquelle les travailleurs réduiraient massivement leur temps de travail à un quatre cinquièmes afin d'exercer un flexi-job ne résiste pas à l'analyse des faits. C'est faux! Un tel choix implique non seulement une diminution du salaire, mais également une réduction du nombre de jours de congés, une réduction du pécule de vacances et de la prime de fin d'année ainsi que d'autres avantages liés à la rémunération et aux conditions de travail. En outre, un délai d'attente de deux trimestres s'applique aux travailleurs qui réduiraient leur régime de travail à un quatre cinquièmes dans le but d'exercer un flexi-job. Ils devraient attendre six mois avant de pouvoir faire un flexi-job!
Lorsque l'on met tous ces éléments en perspective avec le nombre moyen d'heures prestées en flexi-job – 190 heures pour les travailleurs de moins de 65 ans – et avec le revenu annuel moyen qui en découle – inférieur à 3 000 euros –, il apparaît rapidement qu'une telle démarche ne présente que peu voire aucun intérêt financier pour la grande majorité des travailleurs.
Je tiens également à rappeler avec insistance que l'extension des flexi-jobs constitue une mise en œuvre de l'accord de gouvernement. Comme pour l'ensemble des engagements repris dans cet accord, il est de la responsabilité du gouvernement de l'exécuter loyalement. Cette extension n'a d'ailleurs pas été décidée au hasard. Elle répond à une demande claire émanant du terrain: depuis plusieurs années, tant les employeurs que les travailleurs demandaient que ce système puisse être étendu et élargi.
J'insiste toutefois sur le fait que cette réforme fera l'objet d'un suivi attentif. On a déjà parlé de l'évaluation auparavant.
Le débat sur les flexi-jobs mérite d'être mené avec sérénité, sur la base de faits et d'évaluations objectives, et non pas sur des hypothèses ou des scénarios catastrophes dont les effets ne sont aujourd'hui nullement démontrés. Les déclarations prématurées ne font avancer personne. Laissons à cette réforme le temps de produire ses effets sur le terrain et aux évaluations le soin d'établir les faits, afin que d'éventuels ajustements reposent sur des éléments objectifs plutôt que sur des pressions ou des attentes émanant de certains acteurs!
Madame Thémont, vous affirmez avoir reçu des informations selon lesquelles les employeurs établissent les horaires de travail en fonction de la disponibilité des flexi-jobistes et que les travailleurs permanents doivent prendre les heures restantes. Je tiens à rappeler une fois encore que les flexi-jobs ont été mis en place pour répondre à une réalité très concrète du marché du travail, en particulier dans le secteur de l'horeca, à savoir offrir aux entreprises la possibilité de renforcer leurs équipes, lorsque l'activité l'exige, et donner aux personnes qui le souhaitent la possibilité de travailler davantage et d'augmenter ainsi leurs revenus. Je comprends que l'organisation des horaires puisse parfois être source de frustration au sein d'une équipe. De telles situations doivent être prises au sérieux, mais on ne peut pas généraliser à l'ensemble du système sur la base d'un petit nombre de témoignages.
Lorsqu'un employeur n'organise pas correctement les horaires ou répartit les charges de manière inégale, il s'agit d'un problème de gestion et d'organisation du travail et non d'une caractéristique inhérente aux flexi-jobs, mais je partage votre point de vue, ce n'est absolument pas le but d'effectuer ce genre de changement dans les horaires. Ce n'est pas pour cela que les flexi-jobs sont prévus. Il est important de souligner qu'un flexi-jobiste ne travaille pas simplement quand bon lui semble, l'emploi s'inscrit dans un cadre contractuel et reste soumis au droit du travail.
La plus grande flexibilité d'un flexi-job tient à son caractère complémentaire. Un travailleur sous contrat de travail classique bénéficie en revanche d'une relation de travail plus stable, d'un volume de travail plus stable, d'un revenu plus stable et aussi d'un horaire normalement plus stable.
À l'heure actuelle, je ne dispose d'aucune donnée indiquant que l'extension des flexi-jobs depuis le 1er juillet 2026 entraînerait une éviction systématique des travailleurs sous contrat de gestion classique ou une perte générale de contrôle sur leurs horaires de travail. S'il existe des indices d'abus ou d'infractions à la législation du travail, ceux-ci peuvent être signalés aux services d'inspection compétents qui interviendront le cas échéant.
Mesdames Thémont et Moscufo, vous avez également fait référence à un document de l'institut Athéna. J'ai également pris connaissance de la brève note rédigée par cet institut. Il est toutefois important de souligner que cette étude contient principalement des constatations descriptives et ne démontre aucun lien de causalité entre le développement des flexi-jobs et l'évolution de l'emploi régulier. En effet, l'évolution de l'emploi dans le secteur du commerce est influencée par de nombreux facteurs, notamment l'évolution des habitudes de consommation, les restructurations et la conjoncture économique générale. En ce qui concerne l'impact des flexi-jobs, l'évaluation du Conseil National du Travail, déjà évoquée, n'a pas apporté de preuves convaincantes d'un effet d'éviction systématique de l'emploi régulier par les flexi-jobs.
En ce qui concerne l'impact budgétaire, le système des flexi-jobs doit être évalué dans son ensemble. Ce système a été mis en place pour permettre des prestations de travail supplémentaires dans les heures confrontées à des pics d'activité, à une pénurie de main-d’œuvre ou à des heures difficiles à pourvoir. L'évolution doit donc tenir compte non seulement des recettes fiscales et des cotisations sociales, mais aussi des effets sur le marché du travail, du pourvoi de postes vacants, de l'activité des entreprises et de la lutte contre le travail non déclaré. C’est précisément pour cette raison – comme je l’ai déjà expliqué – que nous avons prévu des évaluations approfondies.
Mevrouw Muylle, u vroeg naar een stand van zake van de wetgeving die misbruiken van de flexi-jobtewerkstelling tegengaat. Ik heb mijn administratie gevraagd om een voorontwerp van wet op te stellen waarin die problematiek geregeld wordt voor de periode van gewaarborgd loon. Meer concreet zal een verbod ingevoerd worden om een flexi-job uit te oefenen tijdens een periode van gewaarborgd loon wegens ziekte of ongeval bij een andere werkgever. Voor wat betreft de periode waarin de werknemer ten laste is van de ziekte- en invaliditeitsverzekering heeft de minister van Sociale Zaken zich geëngageerd om een antimisbruikregeling uit te werken.
Nous travaillons donc, Frank Vandenbroucke et moi-même, sur un projet de loi anti-abus qui contiendra ces éléments précis.
Mijnheer Van Quickenborne heeft ook een vraag ingediend over het niet tijdig aan geven van het einduur van enkele flexiwerknemers die via een uitzendkantoor worden tewerkgesteld.
De regelgeving bepaalt het volgende. Als de werknemer zijn prestatie vroeger stopzet dan oorspronkelijk gemeld, heeft de werkgever de tijd tot middernacht na het oorspronkelijk voorziene einduur om het werkelijke einduur van de prestatie door te geven. Als de werknemer zijn prestatie later stopzet dan oorspronkelijk gemeld, beschikt de werkgever over een termijn van acht uur na het oorspronkelijk voorziene einduur om het correcte, latere einduur te melden. Als het oorspronkelijk voorziene einduur tussen 20.00 uur en 24.00 uur was voorzien, heeft de werkgever echter tot 08.00 uur de volgende ochtend de tijd om een correct einduur door te geven.
Het niet correct doorgeven of laattijdig aanpassen van een einduur opent de mogelijkheid tot zwartwerk, want een mogelijk gevolg is dat niet alle gepresteerde uren worden doorgegeven en dus niet worden aangegeven bij de RSZ. Wanneer een sociaal inspecteur een dergelijke inbreuk vaststelt, kan hij of zij autonoom beslissen om een waarschuwing te geven dan wel een proces-verbaal op te stellen. De keuze hangt onder meer af van het aantal werknemers dat in overtreding is en van de antecedenten van de werkgever.
De voorzitster: Mijnheer de minister, ik weet niet hoelang u nog wenst te antwoorden. Het is 11.50 uur en u hebt gemeld dat u om 12.00 uur moet vertrekken. De leden hebben nog recht op een repliek.
02.10 Minister David Clarinval: Ik kan nog tien minuten langer blijven.
De voorzitster: Het is belangrijk dat iedereen een antwoord krijgt. De heer Van Quickenborne is niet aanwezig, dus zijn vraag mag u overslaan.
02.11 Minister David Clarinval: Goed, ik beëindig het antwoord op de vraag van de heer Van Quickenborne, maar probeer op alle vragen in te gaan.
Ik ga nu over tot de uitstekende vraag van mevrouw Vanrobaeys.
Mevrouw Vanrobaeys, u verwees naar de situatie waarbij een werkgever een werknemer zou hebben voorgesteld om een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst, om vervolgens dezelfde werknemer als flexi-jobwerknemer aan te werven.
Ik kan bevestigen dat een werkgever aan een werknemer kan voorstellen om zijn bestaande arbeidsovereenkomst te beëindigen en vervolgens een flexi-jobarbeidsovereenkomst te sluiten. De werknemer is echter geenszins verplicht om daarmee in te stemmen. Een ontslag door de werknemer moet berusten op diens vrije en ondubbelzinnige wil.
De werkgever kan de werknemer dus niet rechtsgeldig dwingen om zelf ontslag te nemen, noch hem verplichten een vooraf opgestelde ontslagbrief te ondertekenen. Als de toestemming van de werknemer door dwang of een ander wilsgebrek is aangetast, kan de geldigheid van de beëindiging voor de arbeidsrechtbank worden betwist.
Bovendien kan de in uw vraag beschreven werknemer niet zonder meer onmiddellijk als flexi-jobwerknemer bij dezelfde werkgever worden tewerkgesteld. Die werknemer mag immers tijdens het kwartaal waarin de flexi-job wordt uitgeoefend, niet reeds bij dezelfde werkgever tewerkgesteld zijn of zijn geweest. Daarnaast moet hij in het refertekwartaal, zijnde het derde kwartaal voorafgaand aan het kwartaal van de flexi-job, bij een of meer andere werkgevers minstens 80 % van een voltijdse betrekking hebben gewerkt, tenzij hij onder de bijzondere regeling voor gepensioneerden valt. Een werknemer die zijn gewone arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever beëindigt, maar niet elders minstens vier vijfden werkt, zal bijgevolg in beginsel niet aan de voorwaarden voor een flexi-job voldoen. Die voorwaarden worden bij de Dimona-aangifte gecontroleerd.
Een werknemer die niet wenst in te gaan op een dergelijk voorstel, kan dus eenvoudigweg weigeren om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen. Die weigering maakt op zichzelf geen einde aan de bestaande arbeidsovereenkomst.
Als de werkgever vervolgens zelf tot ontslag overgaat, moet hij de gewone ontslagregels naleven, waaronder de toepasselijke opzeggingstermijn of de betaling van een opzeggingsvergoeding en, in voorkomend geval, de regels inzake ontslagmotivering.
Voor werknemers die onder het toepassingsgebied van cao nr. 101 vallen, kan een ontslag dat geen verband houdt met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of met de noodwendigheden van de onderneming en waartoe een normale en redelijke werkgever nooit zou hebben beslist, als kennelijk en redelijk worden betwist door de arbeidsrechtbank. De concrete beoordeling komt steeds aan de bevoegde rechter toe.
Chers collègues, je vous fais grâce de ma conclusion, car je pense avoir répondu à l'ensemble des questions.
J'ajoute, puisque j'ai été épinglé concernant ma présence en commission, que je serai présent deux heures la semaine prochaine. J'ai également prévu sept heures de présence la semaine du 21. Par ailleurs, la dernière séance du mois de juillet, qui a été annulée, ne l'a pas été de mon fait. J'étais disponible, mais j'ai simplement respecté le souhait de la commission d'annuler cette réunion. Je reste donc à votre disposition pour approfondir les débats qui sont encore sur la table.
De voorzitster: Mijnheer de minister, dat klopt. We hebben toen beslist om alle vragen schriftelijk te laten behandelen, aangezien de plenaire vergadering samenviel met de commissievergadering.
02.12 Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, merci pour vos réponses.
Aujourd'hui, ce sont 4 385 employeurs qui n'emploient plus que des étudiants et des flexi-jobeurs, et plus aucun travailleur sous contrat classique. Il est vraiment essentiel de le souligner. Et vous, vous décidez de continuer à développer les flexi-jobs, au risque de voir encore davantage d'emplois stables remplacés par des contrats flexi-jobs ou des contrats d'étudiants. Vous aviez promis de remettre les gens à l'emploi, mais pas de précariser encore plus les travailleurs et les travailleuses qui cherchent un revenu, mais aussi un travail qui soit stable. Comment trouver un emploi stable si les employeurs ne proposent plus que des flexi-jobs pour remplir les horaires?
Ensuite, vous demandez aux travailleurs de faire toute une série de sacrifices parce que les caisses sont vides. Des emplois stables, des salaires décents et des droits solides, c'est cela que vous devez défendre, monsieur le ministre. Vous devez défendre les travailleurs, le temps plein, un salaire qui permette de vivre tous les jours, de payer son loyer, de se nourrir, d'avoir des horaires pour pouvoir organiser sa vie. Les travailleurs doivent pouvoir vivre de leur emploi sans devoir démultiplier consécutivement les petits boulots, sans devoir se demander s'ils pourront finir leur mois.
Ces contrats flexi-jobs contribuent moins au financement de la sécurité sociale, puisqu'il n'y a pas de cotisation personnelle. Donc, vous faites rentrer moins d'argent dans les caisses de l'État. Pour conclure, monsieur le ministre, ce que les travailleurs vont retenir de cette politique que vous menez aujourd'hui, c'est plus de pression sur le temps de travail, moins de recettes pour financer la sécurité sociale, mais toujours rien en matière de création d'emploi.
02.13 Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, non seulement vous ne venez pas souvent, non seulement vous ne venez pas longtemps, mais de surcroît, quand vous êtes présent, il vous arrive de ne pas répondre et, lorsque vous répondez, vous répétez toujours la même chose depuis le mois de mai. Or, depuis le mois de mai, il existe une réalité concrète. Avez-vous lu le rapport d'évaluation du 14 juillet? De plus, nombre de secteurs ont trouvé un accord pour ne pas recourir aux flexi-jobs, et vous en avez cité vous-même.
Pourtant, vous avez défendu bec et ongles l'extension généralisée des flexi-jobs, en expliquant qu'ils étaient nécessaires dans tous les secteurs. Aujourd'hui, plusieurs secteurs n'en veulent pas, mais vous continuez à répéter la même chose. Pour que ces accords puissent entrer en vigueur dans ces secteurs, vous allez devoir signer un arrêté royal qui va à l'encontre de la conviction que vous défendiez, à savoir que les flexi-jobs étaient nécessaires partout. Ce ne sont pas les employeurs qui vont le signer, c'est vous, monsieur Clarinval! Cela pose question.
Je me suis demandé pourquoi vous ne cessiez de vous répéter. Puis, j'ai finalement compris votre acharnement à défendre les flexi-jobs. L'objectif que vous poursuivez n'a plus rien à voir avec celui de mon copain de Herstal qui attendait simplement de pouvoir prester quelques heures comme chauffeur de taxi en vue de s'occuper de manière satisfaisante durant sa retraite. Monsieur le ministre, nous en sommes loin!
Nous nous heurtons à une politique dont le but est de faire pression sur les salaires. C'est le véritable objectif de votre réforme du travail, que vous appelez "modernisation du travail". Pour y parvenir, vous avez pris toute une série de mesures qui ne sont pas destinées à créer des emplois durables. Pourtant, comme ministre du Travail, cela devrait être votre rôle. Vous avez pris ces mesures visant à augmenter encore davantage la main-d'œuvre disponible sur le marché du travail et accroître l'offre de travail afin d'en diminuer le coût.
Or en quoi consiste le prix du travail dans notre société? Ce sont les salaires. Pour ce faire, vous jouez sur deux tableaux. Tout d'abord, vous avez décidé de prolonger la durée des carrières, en empêchant les travailleurs de quitter le marché du travail et d'accéder enfin au repos, notamment avec votre régime de malus pension, la fin des prépensions et votre logique d'activation vers un nouvel emploi. Ensuite, vous augmentez l'offre d'heures de travail. Vous n'étendez pas la durée légale du travail, mais vous multipliez les mesures permettant de contourner cette durée maximale afin que, dans les faits, les travailleurs prestent plus longtemps que la durée légale. Ce sont vos fameuses heures supplémentaires volontaires. Cela revient à augmenter le nombre maximal d'heures qu'un étudiant peut prester.
Les flexi-jobs servent également à cela, et ce n'est pas le PTB qui l'affirme. C'est écrit noir sur blanc dans les analyses de la Cour des comptes et du Bureau du Plan: le système des flexi-jobs permet de réduire les coûts de la main-d'œuvre, à la fois directement par la baisse des salaires bruts dans l'horeca et, indirectement, par une pression à la baisse sur les salaires bruts au niveau macroéconomique. Ce n'est pas moi qui le dis. Alors, assumez-le! C'est précisément à cette fin que vous défendez votre fameuse "modernisation du travail".
Depuis des mois, les travailleurs l'ont bien compris. Ils luttent contre vos mesures, et je tiens à leur transmettre tout mon respect et ma pleine solidarité, et organisent, par ailleurs, une grande manifestation syndicale le 9 octobre prochain dans les rues de Bruxelles. Nous serons non seulement présents à leurs côtés dans la rue, mais nous ne manquerons pas de revenir vers vous, monsieur le ministre, avec d'autres questions, dès que vous reviendrez. Vous avez indiqué que vous alliez revenir, et c'est très bien. Enfin, c'est tout simplement votre travail, pour que l'on ne se méprenne pas sur mes propos.
02.14 Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, we hebben daar een zwaar debat over gevoerd dat het een en ander heeft genuanceerd. Ik heb ook in het debat gezegd dat het voor Vooruit duidelijk is dat flexi-jobs kunnen bijdragen tot meer koopkracht voor heel wat mensen, maar dat ze ook kunnen leiden tot een afwisseling in hun job. Er zijn mensen die een kantoorjob hebben en zeggen: "Ik doe dat graag vier vijfde, maar op de laatste dag van de week ga ik even graag opdienen in een koffiebar. Dat is voor mij de manier om dat vol te houden.ʺ
Ik wil zeker niet veralgemenen, maar ik heb u twee voorbeelden gegeven van excessen die moeten stoppen. Die moeten er echt uit, die excessen. Er zijn die rust- en rijtijden van de buschauffeurs. Ik heb begrepen dat die tijden zullen worden opgevolgd en gemeten en dat daarvoor advies is gevraagd in de Nationale Arbeidsraad. Ik kijk uit naar dat advies en naar het tijdstip waarop die maatregel effectief wordt geïmplementeerd.
Mijn tweede voorbeeld is nog veel schrijnender: taxichauffeurs en buschauffeurs die gedwongen worden om zelf ontslag te nemen. U zegt dat die uiteraard naar de arbeidsrechtbank kunnen stappen overeenkomstig de algemene regels van het arbeidsrecht, maar dan zijn ze zoveel jaren verder en is het kwaad geschied. Voor die bedrijven is het precies alsof het goud onmiddellijk blinkt. U hebt ook terecht geantwoord dat dat niet zomaar kan, als werkgever taxichauffeurs zelf tot ontslag dwingen en dan hen twee dagen later laten flexi-jobben. Er is een periode tijdens dewelke men niet bij de eigen werkgever kan flexi-jobben. Ik heb dus begrepen dat daarover klachten kunnen worden neergelegd bij de inspectie. Ik hoop dat die wel degelijk worden opgevolgd en ik zal niet nalaten om daar regelmatig een stand van zaken over op te vragen.
Wij kunnen al niet wachten om binnen een jaar die evaluatie te krijgen zodat dergelijke excessen, dergelijke misbruiken die ons vanop het terrein worden gesignaleerd, effectief aangepakt kunnen worden. Die problemen moeten gewoon stoppen.
02.15 Nathalie Muylle (cd&v): Collega Van Lysebettens, ik ben onder de indruk van uw kennis van het Nieuwe Testament. Dat zegt misschien veel over hoe dicht uw partij bij die christelijke leer staat. Ik heb de indruk dat u ze beter kent dan wijzelf.
Ik wil echter nog eens terugkomen op het debat dat we in juli in de plenaire vergadering hebben gehad. Minister Van Peteghem was ook niet de enige om een aantal zorgen uit te spreken over flexi-jobs. We hebben heel duidelijk gezegd dat we vandaag in flexi-jobs geloven als antwoord op een dynamisch arbeidsmarktbeleid, zeker ook om piekarbeid op te vangen.
Waar wij wel altijd de lijn hebben aangehouden, is dat er een aantal inconsequenties zijn. Als men naar vrijwillige overuren kijkt, maar ook flexi-jobs, studentenarbeid, het verenigingswerk, ziet men dat er overal andere sociale rechten zijn met er verschillende plafonds. Het ene is fiscaal en sociaal vrijgesteld, het andere niet. Er zijn ook nog verschillen wanneer men iets bijverdient na de pensioenleeftijd. Als men dat allemaal naast elkaar zet in een tabel, ziet men grote verschillen. Er is vandaag geen gelijk speelveld.
In die zin hebben we gezegd dat er echt een evaluatie nodig is en dat er ook moet worden gekeken naar hoe we dat gelijk speelveld kunnen creëren. We zullen daarbij echter het kind niet met het badwater weggooien.
Bedankt voor uw antwoorden, mijnheer de minister. Wat de opt-out betreft, zijn de sectoren die u noemt geen grote sectoren. Men ziet dat ook heel duidelijk in de cijfers. Het zijn vooral de sectoren die vroeger eigenlijk al de grote afnemers waren, namelijk de handel en de horeca. Zij blijven vandaag ook de grote afnemers in het systeem. Daar zit ook die piekarbeid en daarvoor is het systeem bedoeld.
In het kader van een aantal ongewenste effecten, neveneffecten die er vandaag zijn, spreekt u over arbeidsgeschiktheid tijdens flexi-jobs, het gewaarborgd maandloon en die periode. Dat kan, maar het is meer dan dat. Sommige mensen herstarten niet progressief na maandenlang ziek te zijn geweest omdat het voor hen nadelig zou zijn. Het flexi-jobben kan immers interessanter zijn dan progressief herstarten. Die 20 % gaat men ook vaker niet meer aan de slag, juist omdat men in combinatie met progressief werken, het behoud van die 20 % en het flexi-jobben er eigenlijk beter vanaf is dan wanneer men halftijds opnieuw zou opstarten.
Er zijn dus wel een aantal neveneffecten die echt moeten worden herbekeken. Ik begrijp dat u daarmee bezig bent. Ik heb zo'n vermoeden dat deze commissie de discussie niet zal loslaten.
02.16 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, j'étais malheureusement retenue dans une autre commission à l'occasion d'une question mais j'ai bien lu tous les éléments que vous avez partagés avec nous. Ne vous inquiétez donc surtout pas à ce sujet.
Plus globalement, je constate que vous continuez à défendre cette réforme bec et ongles. C'est normal, elle fait partie intégrante de votre projet de société. Cependant, l'obstination dont vous faites preuve autour de ce dossier décrédibilise totalement l'ensemble de la politique de l'emploi et de la politique socio-économique de votre gouvernement. On ne peut pas, d'un côté, prétendre que le pays fait face à de graves problèmes budgétaires et vouloir chercher dans la poche des citoyens, à tous les niveaux de pouvoir, de lourdes économies qui les impacteront dans leur quotidien, et d'un autre côté, laisser dérailler totalement un système qui coûte chaque année des millions d'euros au budget de l'État et à la sécurité sociale. Une telle attitude vous décrédibilise complètement. Continuez donc à vous obstiner, mais je peux vous assurer que la population comprend ce qui se passe. Il ne faut pas avoir étudié pendant cinq ans pour comprendre que, lorsque des heures de travail sont allouées à une personne qui travaille déjà, cela fait des heures en moins de disponibles pour ceux qui n'ont pas d'emploi. Les gens ne sont pas dupes.
Dès lors, monsieur le ministre, je pense que vous feriez bien de prêter attention aux évaluations. C'est une bonne chose de disposer de rapports et d'évaluations, mais malheureusement, ce gouvernement n'en fait rien. On se demande d'ailleurs ce qu'il en fait. Du feu, des sets de table? Je vous invite donc à vous appuyer plutôt sur ces données afin d'orienter au mieux les politiques en vue d'atteindre vos objectifs, ce que vous ne faites pas pour le moment.
02.17 Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. J'ai bien entendu qu'un an après l'entrée en vigueur de la loi concernant l'élargissement des flexi-jobs à tous les secteurs, une étude serait menée pour en mesurer tous les impacts. Je pense en effet qu'il est nécessaire de disposer d'au moins un an de recul pour pouvoir évaluer toutes les conséquences de cet élargissement, qu'elles soient positives ou négatives.
Je rejoins également l'avis de Mme Vanrobaeys, lorsqu'elle souligne qu'il existe des situations spécifiques et que l'on ne peut sans doute pas attendre un an pour tenter de trouver des solutions. Je compte donc sur vous, monsieur le ministre, pour prendre ces problématiques très au sérieux.
J'ai également pris note de la liste des secteurs qui ont décidé un opt-out. Cela démontre que nous avons eu raison de laisser la liberté aux différents secteurs de choisir ou non d'élargir leur personnel aux travailleurs en flexi-job. Ces secteurs font valoir leurs droits, et c'est une excellente chose.
02.18 Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Helaas is de vreugde in de hemel al verstomd. De ene zondaar die weer op het goede pad was gekomen, is alweer met harde hand door de minister op het verkeerde pad gebracht. De flexi-jobs blijven en worden uitgebreid naar alle sectoren. De minister slaagt er zelfs in het te betreuren dat de sociale partners in bepaalde sectoren tot andere visies komen.
Mijnheer de minister, daarbij volhardt u zelf ook nog eens in de boosheid door opnieuw de verkeerde berekening van de impact van de financiële bijdragen van de flexi-jobs voor te stellen. Het gaat natuurlijk niet om de mensen die vandaag een flexi-job aannemen, waardoor er minder bijdragen zijn. Het gaat erom dat die flexi-jobs in een ander jobsysteem een andere en grotere bijdrage aan de Staatskas zouden hebben. Op die manier wordt een gat in de begroting geslagen. Dat zal de volgende jaren nog veel meer het geval zijn met de uitbreiding naar alle sectoren en de mogelijkheid om dat overal te doen.
Steeds meer mensen nemen, al dan niet uit financiële noodzaak, een flexi-job erbij, bovenop hun pensioen of bovenop de job die ze al doen. Dat is ook een zeer vreemde definitie van de koopkracht verhogen. Om rond te komen, moeten de mensen nu twee jobs gaan doen. De koopkracht is verhoogd, zeggen de socialisten dan.
Het tegendeel is waar, beste mensen. Men investeert steeds meer tijd om een steeds kleiner inkomen te kunnen vergaren, om de steeds grotere kosten van onze samenleving te kunnen betalen. Dat betreur ik absoluut. Ik denk dat we veel meer werk moeten maken van deftige, goede jobs, zodat de mensen een goede verloning hebben en we ook de publieke diensten kunnen vrijwaren.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
De voorzitter: Ik wil alle collega's bedanken voor de vragen en de minister voor zijn antwoorden.
De minister komt terug op 7 oktober van 14 tot 16 uur. Er staan nog twee actuele debatten op de agenda. Ik denk dat we daar nog wel even mee bezig zullen zijn.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.11 uur.
La réunion publique de commission est levée à 12 h 11.