|
Commissie
voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen |
Commission
des Affaires sociales, de l'Emploi et des Pensions |
|
van Woensdag 7 oktober 2026 Namiddag ______ |
du Mercredi 7 octobre 2026 Après-midi ______ |
La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 07 et présidée par Mme Anne Pirson.
De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.07 uur en voorgezeten door mevrouw Anne Pirson.
Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.
De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.
01.01 Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, mijn vraag is al enige tijd geleden ingediend op het moment waarop Aldi had aangekondigd alle winkels op zondag te willen openen tot 13.00 uur. Ondertussen is de vraag niet meer zo concreet als toen het geval was, maar ze is nog altijd van toepassing.
Aldi had gecommuniceerd dat het zondagwerk op vrijwillige basis was. Werknemers zouden op dat zondagwerk kunnen intekenen en eventueel financiële compensatie en extra verlofuren ontvangen. Op dat moment was ik aanwezig op een congres van ACV Retail. Ik heb daar heel veel militanten en werknemers van Aldi gesproken. Ze gaven vooral aan dat zij net voor Aldi hadden gekozen omdat die winkels op zondag niet open zijn. Veel vrouwen merkten ook op dat zondag de enige dag met hun gezin was. Het was een bewuste keuze om voor die winkel te blijven werken.
Bovendien gaven ze mee dat er inzake zondagwerk een race to the bottom bezig is. Dat is ook merkbaar want heel veel winkels blijven op zondag na 12.00 uur geopend. Nochtans is dat volgens ons en volgens de arbeidswetgeving helemaal niet mogelijk en niet toegelaten. Ze merken op dat daarop te weinig wordt gecontroleerd. Daarom wil ik u verschillende vragen stellen.
Kunt u nogmaals bevestigen dat de arbeidswetgeving bepaalt dat een supermarkt tot 13.00 uur open mag zijn en niet langer? Als daar uitzonderingen op gebeuren, op welke wettelijke basis is dat dan?
Ik had toen nog een andere vraag, maar ik denk dat ze nu minder urgent is. Heeft Aldi contact opgenomen met de FOD WASO om na te gaan of de sociale inspectiediensten een afwijking of een uitzondering konden toestaan? Wat was de uitkomst daarvan?
Worden er vooral controles uitgevoerd op de naleving van de regelgeving inzake zondagsarbeid? Wat zijn daarvan de resultaten? Kunt u daarover voor de voorbije vijf jaar een stand van zaken geven? Zult u nog bijkomende maatregelen treffen om de naleving van de regels inzake zondagsarbeid af te dwingen en te controleren?
Ik kijk uit naar uw antwoord.
01.02 Annik Van den Bosch (PVDA-PTB): Mijn vragen in verband met de staking bij Aldi dateren van april 2026. Dat is zes maanden geleden. Ze worden nu pas behandeld. Ik vind dat heel respectloos tegenover het personeel van Aldi. Het personeel zit met heel veel vragen en verkeert in onzekerheid over de werkomstandigheden, het leven en de toekomst. In die omstandigheden zal ik mijn vragen dan ook anders formuleren.
We hebben het inderdaad over zondagswerk. Bij Aldi is dat nu nog niet het geval, maar het personeel ligt er wel wakker van. Ze vrezen echt dat het hun door de strot geduwd zal worden. Ik deel die vrees.
Het personeel krijgt nu al geen voltijdse contracten. Het moet overuren doen op drukke dagen en thuisblijven als het rustig is. Alles hangt af van de willekeur van de baas. Doordat personeelsleden geen voltijds contract krijgen, hoewel ze dat heel graag zouden willen, worden ze zelf verplicht om te gaan flexi-jobben. Anders komen ze niet toe met hun loon. Dat is niet alleen zo bij Aldi.
Ziet u de bui eigenlijk al hangen, mijnheer de minister? Wat zal er gebeuren met het personeel en zijn contracten als ALDI ook op zondag opent? Ik kan u voorbeelden geven van hoe het eraan toegaat in winkels die nu al op zondag open zijn en hoe ze daar omgaan met de arbeidsvoorwaarden die nog steeds gelden, ondanks de goedgekeurde wet betreffende de afschaffing van de wettelijke sluitingsdag en de uitbreiding van de openingsuren.
Ik heb spijtig genoeg geen zes maanden tijd. Daarom kom ik tot mijn vragen, mijnheer de minister. Welke concrete impact hebben uw plannen inzake de flexibilisering van de arbeidstijd op het personeel van Aldi? Welke concrete impact hebben uw plannen inzake de flexibilisering van de arbeidstijd op de gehele maatschappij?
Dank u wel.
01.03 Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, la volonté d'Aldi d'ouvrir ses magasins le dimanche continue de susciter de vives inquiétudes parmi les travailleurs et les organisations syndicales. Le SPF Emploi a récemment rappelé qu'en dehors de certaines exceptions prévues par la loi, Aldi ne peut faire travailler son personnel le dimanche au-delà de midi. Si les travailleurs étaient occupés jusqu'à 13 h chaque dimanche, comme l'envisage l'enseigne, celle-ci enfreindrait la législation du travail.
Mais le problème dépasse largement le seul cas d'Aldi. Selon les organisations syndicales, plusieurs supermarchés feraient déjà travailler leur personnel le dimanche après-midi en violation de la législation, avec trop peu de contrôles et des sanctions jugées peu dissuasives.
Cette situation s'inscrit dans une évolution plus large portée par votre gouvernement: extension des horaires, suppression du jour de repos hebdomadaire obligatoire et flexibilisation accrue du travail. Derrière le discours de la modernisation, les travailleurs subissent une pression toujours plus forte pour s'adapter à des horaires étendus et à la banalisation du travail dominical.
Les révélations récentes sont dès lors particulièrement inquiétantes. Alors que toujours plus de flexibilité est demandée aux travailleurs, plusieurs enseignes seraient déjà en infraction avec les règles existantes. Les organisations syndicales alertent également sur les conséquences pour la vie familiale, la santé et l'équilibre entre vie privée et vie professionnelle des travailleurs et des travailleuses.
Avez-vous déjà eu des contacts avec la direction d'Aldi ainsi qu'avec les organisations syndicales à la suite du rappel effectué par le SPF Emploi?
Combien de contrôles ont été réalisés concernant l'occupation de travailleurs le dimanche dans le secteur de la grande distribution et quelles suites ont été données aux infractions constatées?
Considérez-vous que les contrôles et les sanctions actuelles sont suffisants?
Comment comptez-vous garantir le respect de la législation du travail dominical ainsi que la protection des conditions de travail dans le secteur?
01.04 Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur le ministre, la récente annonce d'Aldi d'ouvrir l'ensemble de ses magasins belges jusqu'à 13 h le dimanche a suscité de nombreuses réactions. Elle relance également le débat sur l'application de la réglementation relative au travail dominical dans le commerce de détail. Selon les informations relayées par la presse, les travailleurs qui accepteraient de prester le dimanche le feraient sur une base volontaire et bénéficieraient, en contrepartie, d'une compensation financière ou de jours de congé supplémentaires.
Toutefois, plusieurs organisations syndicales ont rappelé que, sauf exception prévue par la législation ou dérogation spécifique, les travailleurs occupés dans le commerce de détail ne peuvent actuellement être employés le dimanche que jusqu'à midi, et non jusqu'à 13 h. Le SPF Emploi a d'ailleurs confirmé publiquement cette interprétation de la réglementation. Dans le même temps, certaines organisations syndicales affirment que des infractions seraient déjà constatées dans une partie du secteur de la distribution et s'interrogent dès lors sur l'effectivité des contrôles ainsi que sur le caractère suffisamment dissuasif des sanctions applicables.
Au-delà du cas particulier d'Aldi, cette situation soulève des questions plus larges quant à l'application uniforme de la législation, à l'égalité de traitement entre les acteurs du secteur ainsi qu'à l'adaptation éventuelle du cadre réglementaire face à l'évolution des habitudes de consommation.
Monsieur le ministre, pouvez-vous préciser comment la réglementation actuelle relative au travail dominical dans le commerce de détail doit être interprétée et appliquée? Des contacts ont-ils lieu entre l'entreprise et vos services à ce sujet? Combien de contrôles relatifs au respect de la réglementation sur le travail dominical ont été réalisés au cours des cinq dernières années dans le secteur de la distribution? Combien d'infractions ont été constatées? Enfin, estimez-vous que les moyens de contrôle et les sanctions actuellement prévus permettent de garantir le respect de la législation?
01.05 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, ik heb een vraag over hetzelfde
onderwerp, maar wel van een totaal andere strekking en veeleer vanuit een
rechtse invalshoek. U zult dus ongetwijfeld goed naar mij luisteren.
In de jaren 80 gingen de mensen op zondag naar de kerk en luisterden ze naar de priester. Vandaag gaan de mensen op zondag naar de winkel. Ze gaan naar tuinwinkels, ze gaan naar de Ardennen, ze gaan naar de supermarkten. Ze gaan overal naartoe, want de mensen kunnen daarvan genieten. De regering heeft dankzij minister Simonet winkelen op zondag mogelijk gemaakt. Ze heeft ook de verplichte wekelijkse rustdag afgeschaft. Dat is een goede zaak.
Ik heb mevrouw Simonet wel ondervraagd over het feit dat winkelen op zondag nu wel mogelijk is, maar dat arbeid op zondag heel moeilijk blijft. Mevrouw Vanrobaeys heeft dat ook bevestigd. Het gevolg is dat bijvoorbeeld een supermarkt als Colruyt op zondag eigenlijk de deuren niet kan openen, omdat de arbeidsvoorwaarden zo streng zijn dat het onbetaalbaar is om regulier personeel tewerk te stellen. Wat is het gevolg? Aangezien men het op zondag zo duur maakt voor vast personeel, lopen de winkels vol met jobstudenten en flexi-jobbers. Wat de regering zou moeten doen, is de arbeid flexibiliseren, ook op zondag, zodat iedereen daar kan werken, niet alleen de jobstudenten en de flexi-jobbers.
Dus, mijnheer de minister, klopt het dat terwijl men het winkelen op zondag heeft geliberaliseerd en de verplichte rustdag heeft afgeschaft, de arbeidsrechtelijke regels nog altijd dezelfde zijn gebleven? Is dat dan allemaal geen maat voor niets? Voor een winkel zonder personeel is er meer vrijheid en meer flexibiliteit, maar voor winkels met personeel blijft het even moeilijk. Bent u in uw drang om met uw grote hervormingsregering te hervormen, alsnog van plan om de arbeidsflexibiliteit tot zondag uit te breiden? Erkent u dat de afschaffing van de verplichte sluitingsdag zonder aanpassing van de arbeidsreglementering voor veel winkels met personeel eigenlijk een maat voor niets blijft?
La présidente: Mme Demesmaeker n'est pas présente pour poser sa question n° 56019333C.
01.06 Nathalie Muylle (cd&v): De collega’s hebben de problematiek inzake de arbeidswetgeving al goed geschetst. De heer Van Quickenborne had het over het winkelen op zondag en de gevolgen voor ons arbeidsrecht. In mijn eigen stad is meer dan de helft van de supermarkten op zondag zelfs tot 18.00 of 20.00 uur open, vooral nadat Delhaize en Albert Heijn overgingen tot franchisering van hun supermarkten.
Collega's, sta me toe een nieuw element in de discussie te brengen, met name het effect op de cao’s in de distributie. Daarover bestaan een aantal rapporten. De CRB is daarover ook een oefening aan het maken. Mijnheer de minister, ik heb gehoord dat u maandag een rondetafelgesprek met de sector hebt en ik vind het logisch dat u onze opmerkingen in het debat vandaag meeneemt naar dat rondetafelgesprek. Het probleem dat collega Van Quickenborne aankaart, is trouwens ook het gevolg van cao’s die vandaag nog van toepassing zijn Ik herinner mij – ik kom uit zo’n bedrijf – dat werkgevers zoals GB en Carrefour hun personeelsleden voor het werken op zondag recuperatiedagen moesten bieden en daarbovenop ook nog eens 300 % betalen.
Mijnheer de minister, staat dat dossier op de agenda van het rondetafeloverleg van komende maandag? Op welke manier kijkt u naar de problematiek? Welke oplossingen ziet u?
01.07 David Clarinval, ministre: Mesdames et messieurs les députés, il y a lieu de rappeler qu'en Belgique, l'occupation de travailleurs le dimanche est, en principe, interdite, sauf dans les cas de dérogation expressément prévus par la réglementation. À cet égard, il convient toutefois de garder à l'esprit que la suppression du jour de fermeture obligatoire prévue dans l'accord de gouvernement implique, certes, la possibilité d'ouvrir un magasin le dimanche, sans que cela signifie pour autant que les travailleurs peuvent y être occupés pendant l'entièreté de la journée du dimanche.
L'occupation de travailleurs le dimanche dans les grandes surfaces est autorisée dans les limites et conditions fixées par l'article 14 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail et par l'arrêté royal du 3 décembre 1987 concernant l'occupation des travailleurs le dimanche dans le secteur de la distribution. En vertu de ces dispositions, un grand magasin ou un commerce de détail qui vend des biens au consommateur final est autorisé à faire travailler ses employés tous les dimanches de 8 h à midi.
Par voie de dérogation complémentaire, l'article 3 de l'arrêté royal précité autorise également l'occupation de travailleurs toute la journée du dimanche pendant trois dimanches par année civile, à choisir librement par l'employeur, mais également pendant trois dimanches supplémentaires par année civile, à choisir librement par l'employeur, pour autant qu'il soit lié par une convention collective de travail conclue au niveau sectoriel ou de l'entreprise réglant les conditions de travail et de rémunération des prestations dominicales supplémentaires. À défaut d'une telle convention collective de travail, et pour autant qu'ait été institué un conseil d'entreprise ou une délégation syndicale dans l'entreprise concernée, l'employeur doit, afin d'employer des travailleurs pendant les trois dimanches supplémentaires, conclure un accord individuel prévoyant que les prestations dominicales supplémentaires doivent être rémunérées à un taux majoré d'au moins 100 % par rapport à la rémunération due pour les prestations effectuées pendant la semaine.
Pour pouvoir travailler toute la journée du dimanche, les travailleurs concernés doivent y consentir librement. Ils doivent également être occupés habituellement dans le magasin ouvert le dimanche et être inscrits au registre du personnel de l'entreprise qui exerce son activité dans ce magasin.
En outre, cet article dispose que l'employeur qui désire faire usage de la dérogation permettant d'occuper des travailleurs pendant trois ou six dimanches complets, doit en informer au moins 24 heures à l'avance l'inspecteur-chef de district de l'Inspection des lois sociales compétent ainsi que la délégation syndicale. Par ailleurs, dans les stations balnéaires et climatiques ainsi que dans les centres touristiques, les travailleurs peuvent être occupés au travail le dimanche dans les magasins de détail, à condition que l'occupation du dimanche soit limitée à 39 dimanches par an pour chaque travailleur individuel, conformément à l'article 14 de la loi sur le travail.
Certaines entreprises sont donc autorisées, en vertu de l'arrêté royal de 1987, à faire travailler leurs travailleurs toute la journée du dimanche durant toute l'année. Il s'agit en l'occurrence des boucheries, des boulangeries et des pâtisseries, des magasins d'alimentation comptant moins de cinq travailleurs, des entreprises de journaux, des stations-services pour le personnel de vente, des magasins d'appareils médicaux et chirurgicaux, des débits de tabac et des fleuristes. En revanche, les autres commerces de détail, sous réserve du respect des conditions applicables, peuvent occuper des travailleurs pendant un maximum de six dimanches complets par année civile.
Een opening van een supermarkt op zondagmiddag is dus niet noodzakelijk onwettig. Om te beoordelen of de arbeidswetgeving wordt nageleefd, moet voor elke concrete situatie worden nagegaan of werknemers worden ingezet en indien dat het geval is, op welke wettelijke of reglementaire afwijking de werkgever zich beroept alsook of alle daaraan verbonden voorwaarden zijn vervuld.
Een handelszaak kan bovendien geopend zijn zonder dat er werknemers worden tewerkgesteld, bijvoorbeeld wanneer de uitbater de activiteit zelf uitoefent.
Ook om die reden kan uit de loutere vaststelling dat een supermarkt op zondagnamiddag geopend is, niet zonder meer worden afgeleid dat de arbeidswetgeving wordt overtreden. De naleving van de regels inzake zondagsarbeid wordt gecontroleerd door de bevoegde sociale-inspectiediensten.
Wanneer bij een controle wordt vastgesteld dat werknemers op zondag worden tewerkgesteld zonder dat er een wettelijke of reglementaire afwijking van toepassing is, kan worden opgetreden overeenkomstig de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek. De inspectiediensten bepalen hun optreden op basis van hun wettelijke bevoegdheden, hun risicoanalyse, de informatie waarover ze beschikken en eventuele klachten of meldingen.
Het is evenwel niet mogelijk om uitsluitend op grond van verschillende openingsuren van winkels te besluiten dat er sprake is van oneerlijke concurrentie of van een overtreding.
Voor uw vraag aangaande het aantal onderzoeken verricht door de inspectie en het toezicht op de sociale wetten en het aantal sancties, zal ik de cijfergegevens bezorgen via het commissiesecretariaat.
Samenvattend heeft minister Simonet dus in uitvoering van het regeerakkoord de wettelijk verplichte wekelijkse sluitingsdag afgeschaft. Een aanpassing van de regels inzake zondagsarbeid maakt daarentegen geen deel uit van het regeerakkoord.
Dat de toepassing van de beschreven voorwaarden op het terrein tot verwarring kan leiden, is echter begrijpelijk. We moeten inderdaad waakzaam blijven en geen oneerlijke concurrentie in de hand werken. Ik zal dan ook samen met minister Simonet bekijken op welke manier we de sector goed kunnen informeren over de toepasselijke economische en sociale regelgeving.
De problematiek zal ook aan bod komen tijdens de gesprekken met de sociale partners in het kader van de rondetafels die samen met de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de FOD WASO worden georganiseerd.
Als uit die gesprekken blijkt dat maatregelen wenselijk zijn, kunnen ze eveneens worden meegenomen in het actieplan dat ik samen met de sociale partners wil uitwerken.
Tot slot, wat het overleg binnen de verschillende ondernemingen betreft, wil ik erop wijzen dat de partijen steeds een beroep kunnen doen op de diensten van de FOD WASO, die daarvoor ter beschikking zijn.
01.08 Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.
Mijnheer Van Quickenborne, elke keer brengt u hier het riedeltje over op zondag naar de kerk gaan en taart gaan eten bij uw tante. Ik heb in juni met werknemers van Aldi gesproken en het eerste wat zij me vroegen was of u niet zelf ooit hebt gezegd dat het ontbijt met uw gezin op zondag heilig is. Wel, voor hen is dat ook heilig. Zij willen die ene dag in de week die ze hebben samen met hun gezin doorbrengen en ze begrijpen echt niet waarom u steeds de aanval inzet inzake de zondagsarbeid. Wat eerlijke concurrentie betreft, is het een gegeven dat veel kleine zelfstandigen op zondag open zijn. Zij zeggen dat als de grote supermarkten nu ook nog eens op zondag open zullen zijn, dat hun nekschot is. Hun zaken zijn op zondag open, maar kunnen dan absoluut niet meer concurreren met de grote supermarkten. Wie beschermt u dus eigenlijk, de kleine zelfstandigen of de enorm grote ketens, die een race to the bottom organiseren?
Mijnheer de minister, u hebt de wetgeving helemaal opgesomd. Dat is ooit mijn eerste nota geweest bij de Nationale Arbeidsraad, dus ik weet dat de regelgeving zeer complex is. U geeft dat ook zelf aan. Ik denk dat een kat haar jongen niet meer terugvindt in welke regels er bestaan, wanneer zondagsarbeid al dan niet toegelaten is in winkels en hoe dat dan verhoudt tot de economische wetgeving. Ik ben dan ook heel blij dat u zegt dat u dat aspect maandag ook zult meenemen naar de rondetafel, want dat maakt voor mij echt wel deel uit van het eerlijke speelveld, net zoals de arbeidsvoorwaarden in supermarkten.
Ik ben corona immers nog niet vergeten. Voor de supermarktmedewerkers hebben we toen allemaal geapplaudisseerd. Zij waren degenen die in moeilijke omstandigheden onze rekken vulden, dus ik vind dat zij goede arbeidsvoorwaarden, lonen en respect verdienen. Het is goed dat u dat mee opneemt tijdens de rondetafel.
01.09 Annik Van den Bosch (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, u hebt hier net de hele wetgeving voorgelezen. Die kennen wij ook, maar zo wordt ze in de praktijk niet toegepast.
U hebt ook niet geantwoord op mijn vragen, dus zal ik het zelf maar doen. De annualisering van de arbeidstijd betekent dat de hele maatschappij zich daaraan zal moeten aanpassen: scholen, winkels, sportclubs, openbaar vervoer, vakanties en familie. Ik denk dat u de impact van die wet op de hele maatschappij zwaar over het hoofd ziet.
Ik heb minister Simonet gewaarschuwd voor wat er zou gebeuren met de afschaffing van de verplichte sluitingsdag en de uitbreiding van de openingsuren. We zijn een maand verder en het is al zover.
Ik heb u gewaarschuwd voor het effect dat de uitbreiding van de flexi-jobs naar alle sectoren zou hebben op de reguliere contracten. De resultaten zijn duidelijk. Ik waarschuw u nu voor de gevolgen van de wet op de annualisering van de arbeidstijd. Hoeveel waarschuwingen hebt u nog nodig, mijnheer de minister?
01.10 Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, comme chaque fois, vous ne répondez pas à la question de fond. Avant d'élargir les possibilités de travail le dimanche et d'assouplir davantage les règles, il faudrait faire respecter celles qui existent déjà. Les organisations syndicales ont tiré la sonnette d'alarme à plusieurs reprises et dénoncent depuis très longtemps des infractions dans plusieurs enseignes, avec des contrôles insuffisants et des sanctions qui, finalement, ne freinent personne. Vous vous réjouissez d'avoir les chiffres. Je m'attendais à ce que vous répondiez, pour une fois, à ma question de fond et nous fournir ces chiffres concernant ces infractions. Nous attendrons donc de recevoir le courriel et d'en prendre connaissance.
Monsieur le ministre, vous revenez toujours avec cette même logique de flexibilisation, de plus d'heures d'ouverture, de suppression du jour de repos hebdomadaire obligatoire, sans aucune garantie supplémentaire pour les travailleurs et les travailleuses. Rien ne démontre que cela crée de l'emploi. Là non plus, il n'existe pas de chiffres. Rien ne démontre davantage que cela augmente le chiffre d'affaires des commerces. Comme je l'ai dit à votre collègue Mme Simonet, toute une série d'organisations, que ce soit le Syndicat neutre des indépendants, l'UNIZO, l'UCM, ne sont pas favorables à l'ouverture accrue des commerces, notamment le dimanche, parce que cela n'améliore tout simplement pas leur rentabilité. Les consommateurs ne disposent pas d'un pouvoir d'achat plus élevé parce que les magasins sont ouverts le dimanche. Les ventes n'augmentent pas.
En revanche, pour les petits indépendants, cela augmente les coûts énergétiques et, éventuellement, ceux liés à l'engagement de personnel supplémentaire. Avec la flexibilisation et le recours accru aux étudiants, la porte est ouverte à bien des choses. Surtout, cela renforce les inégalités de concurrence entre les grandes et les petites enseignes.
Pour revenir aux travailleurs et aux travailleuses, cela leur laisse encore moins de temps pour leur vie privée. Ils doivent composer avec des horaires toujours plus morcelés et subir une pression croissante quant à leur disponibilité.
Monsieur Van Quickenborne, j'espère que vous allez faire vos courses le dimanche.
01.11 Vincent Van Quickenborne (Anders.): (…)
01.12 Sophie Thémont (PS): Comme beaucoup de monde? Ah, la liberté, mais oui! Je voulais simplement savoir si c'était vous ou votre épouse qui faisiez les courses.
01.13 Anne Pirson (Les Engagés): Je retiendrai que l'application de la réglementation sur le travail dominical dans la distribution doit rester une priorité absolue et d'une interprétation stricte. Nous y serons extrêmement attentifs et assurerons un suivi avec les retours de terrain.
01.14 Vincent Van Quickenborne (Anders.): Nu stellen parlementsleden ook al vragen aan mij. Dat is interessant.
Collega's, links leeft nog in de vorige eeuw. Voor links is winkelen op zondag des duivels. Mevrouw Vanrobaeys, in de jaren 80 zaten de kerken vol op zondag. Twintig jaar geleden pleitte ik al voor winkelen op zondag, uw voormalige kopman, de heer Stevaert, zei toen dat men op zondag naar de bomma moet gaan om 'pateekes' te eten.
De wereld is veranderd. In de wereld van vandaag kan men shoppen via internet. Kent u dat? Dat is een systeem via een computer, de winkels daar zijn 24 uur op 24 open, 7 dagen op 7. Er bestaat daar geen sluitingsdag. Ik ken mensen die 's nachts dingen kopen en ik heb daar ook geen probleem mee. Als men de concurrentie wil aangaan, moet men dus een beetje meer vrijheid toestaan.
Mevrouw Vanrobaeys, ik ben het met u eens als u zegt dat de regels waanzinnig complex zijn – 3 zondagen, 6 zondagen, 39 zondagen; wel aanvragen, niet aanvragen; benzinestation, geen benzinestation. Niemand begrijpt dat. Er is minstens nood aan vereenvoudiging.
Mevrouw de voorzitster, de beste uiteenzetting was die van mevrouw Muylle. Mevrouw Muylle heeft, net als mevrouw Van den Bosch, ook veel ervaring in de supermarkt en de distributie. In Kortrijk dan nog, of all places.
Collega’s, het is toch vreemd dat bijvoorbeeld Delhaize, dat ik apprecieer, op zondag open is.
Eh oui, madame Thémont, moi, je fais mes courses le dimanche. Quand ma femme me dit: "Maintenant, c'est à toi de faire quelque chose", je lui réponds: "D'accord, je fais les courses." Et je les fais au Delhaize, le dimanche.
Ik ga op zondag naar Delhaize, maar ik zou graag naar Colruyt gaan, want daar is het nog altijd goedkoper. Op zondag is Colruyt echter niet open. Mevrouw Muylle zei terecht dat men niet open kan zijn als men het personeel recup en 300 % moet betalen. Dat is gewoon onmogelijk. Er moet dus een gelijk speelveld en meer vrijheid komen.
Mijnheer de minister, stop die regels, stop die betutteling, stop die controles. Laat de mensen vrij. Laat de mensen zelf beslissen wanneer ze willen winkelen. Laat de mensen die op zondag willen werken, werken. Als men dat niet doet, zal er maar één winnaar zijn en dat is het internet. Eerlijk gezegd, ik shop liever in de winkel dan op het internet. Op dat vlak ben ik heel traditioneel, maar ook dat is de vrijheid van iedereen.
01.15 Eva Demesmaeker (N-VA): Ik heb een deel gemist omdat ik in de andere commissie zat. Ik zal het met veel plezier herbeluisteren. Het lijkt me niet echt zinvol om nu tussen te komen.
01.16 Nathalie Muylle (cd&v): Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister.
Ik sluit me aan bij de collega's die zeggen dat de regelgeving ongelooflijk complex is. Dat is ook sterk verbonden met het cao-verhaal. De distributie is ook typisch een sector waar men in het weekend extra handen nodig heeft. Dat is nooit anders geweest. We zijn nu bezig over zondagen, maar ik herinner me heel goed gelijkaardige discussies over de sluitingsuren op vrijdagavond en zaterdag.
Ik geef een voorbeeld. Bij mij in de winkel was er op 100 medewerkers toen ook een derde van de mensen met contracten van 8 uur en 12 uur. Dat waren de typische vrijdagavond- en zaterdagmensen. Natuurlijk zijn er vandaag flexibelere systemen om arbeid in het weekend in te zetten, maar het feit blijft dat men dan nog altijd veel extra handen nodig heeft. Dat kan men niet met reguliere halftijdse of voltijdse contracten opvangen. Dat blijft dus een typisch gegeven voor die distributie.
Vandaag kampen we echter met een ongelooflijk complexe regelgeving. Er is ook geen gelijk speelveld. Sommige supermarkten met bijvoorbeeld 80 medewerkers, in franchise of in eigen beheer, hebben totaal andere regels. Dat is toch iets wat moet worden opgelost.
De zondagsprestaties en de flexibiliteit op zondag zijn een deel van het cao-verhaal. In dat verhaal staan ook de grote distributieketens vandaag recht tegenover elkaar. In die zin is het positief dat u dat in het rondetafelgesprek wilt meenemen. Het is ook goed dat u met de sociale partners, werkgevers en werknemersorganisaties tot een actieplan wil komen. We steunen dat ten volle. Dit is zeker een dossier waarop we de komende weken en maanden terugkomen.
01.17 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Madame la présidente, monsieur le ministre, veuillez m’excuser pour mon retard, mais j’ai dû assister à des funérailles. J’ai néanmoins suivi attentivement les discussions, et je ne peux pas m'empêcher d'intervenir dans ce débat.
Nous avons eu la même discussion avec la ministre Simonet sur le texte qui visait à étendre les heures d'ouverture des magasins en soirée et le week-end. À présent, j'entends M. Van Quickenborne qui veut en faire de nouveau un clivage entre la gauche et la droite. Selon lui, nous, la gauche, voudrions brider la liberté de ces braves commerçants qui veulent qu'on leur foute la paix et qui ne demandant qu’à pouvoir ouvrir leur commerce quand ils le souhaitent.
Or, à lire les avis qui nous sont transmis, ce n'est pas du tout ce qu'ils racontent. Je vous remercie, dès lors, de reconnaître enfin que vous n'êtes pas les défenseurs des petits indépendants et des petits commerçants. En effet, ils sont les premiers à nous interpeller sur la question des heures d’ouverture car l'extension des plages horaires ne bénéficie qu'aux grosses multinationales et grosses enseignes, tandis que les petits commerçants ne parviennent pas à suivre! Ils perdent donc des clients, car ces derniers se déplacent et ne se multiplient pas.
Par conséquent, cette question est purement idéologique et traduit une volonté de déréguler massivement, une fois de plus sans écouter les acteurs concernés ni examiner les rapports et les conséquences en matière de chiffres. Vu l’augmentation du nombre de faillites enregistrées aujourd'hui en Belgique, franchement, à votre place, je m'abstiendrais de ce type de mesure. Merci!
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
02.01 Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, la Cour constitutionnelle a rendu le jeudi 10 septembre 2026 un arrêt concernant votre réforme du chômage. Elle y annule l'article 212, §1er, alinéas 2, 4° à 6° de la loi-programme du 18 juillet 2025. En termes plus concrets, elle annule les dispositions transitoires qui prévoient une durée du droit aux allocations de chômage plus courte que la durée de 12 mois du nouveau régime général.
Les raisons sont évidentes. Il s'agit des personnes les plus éloignées du marché de l'emploi et rien ne saurait justifier qu'elles disposent d'une si courte période pour s'adapter à la réforme. Mais ce retoquage des premières vagues d'exclusion de votre réforme a des conséquences, notamment budgétaires, très concrètes. Environ 100 000 personnes sont concernées d'après les chiffres de l'ONEM publiés dans la presse. On imagine le travail complexe devant être fourni par vos administrations pour effectuer une telle marche arrière. Il faudra en effet trouver une solution très rapidement pour ces dizaines de milliers de personnes sanctionnées à tort.
J'aimerais savoir comment vous comptez vous y prendre. Combien de personnes récupéreront effectivement leurs allocations injustement perdues, et dans quels délais? Quels montants ces rectifications représentent-elles?
02.02 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, c'est une sacrée tuile qui vous est tombée dessus avec l'arrêt de la Cour constitutionnelle, qui a considéré qu'il était discriminatoire d'avoir exclu aussi rapidement certains chômeurs, plus particulièrement ceux qui étaient les plus éloignés du marché de l'emploi. Il s'agit notamment de personnes qui étaient au chômage depuis parfois 20 ans. Il paraît donc assez évident qu'elles figurent parmi celles qui rencontrent le plus de difficultés pour retrouver un emploi.
Ces exclusions n'auraient donc pas dû avoir lieu. Ces personnes n'ont pas vu leurs droits respectés en étant exclues aussi rapidement. Vous allez dès lors devoir, par l'intermédiaire de vos administrations, les rétablir dans leurs droits. Il faut maintenant voir ce qu'il s'est concrètement passé pour ces personnes au cours des mois écoulés.
Monsieur le ministre, pouvez-vous nous expliquer quelles décisions vous avez prises avec votre homologue chargée des CPAS afin de rétablir ces droits et de réparer cette injustice? Des remboursements sont-ils prévus? Sur quelle base? Des dédommagements pourront-ils être accordés aux personnes qui ont subi cette discrimination? Cela me semblerait être la moindre des choses.
Par ailleurs, lors des discussions en séance plénière, vous avez également évoqué la situation très spécifique des aidants proches. Vous avez indiqué que ces personnes bénéficieraient automatiquement d'un report de la fin du régime transitoire que vous avez mis en place et qu'elles seraient toutes indemnisées jusqu'au 1er juillet. S'agit-il d'une instruction que vous avez donnée à votre administration ou s’agit-il d'une évidence?
Pouvez-vous nous expliquer comment les choses vont se dérouler concrètement? Que se passera-t-il pour les personnes qui, entre-temps, sont passées sous le régime de l'assurance maladie? Ces dernières seront-elles également rétablies dans les droits dont elles bénéficiaient auparavant? La semaine passée, nous avons interrogé votre collègue Van Bossuyt à ce sujet et sa réponse a été très décevante. J'espère que, depuis lors, des discussions ont pu avoir lieu et que des solutions sont en train d'émerger.
02.03 Nathalie Muylle (cd&v): Collega's, de problematiek is geschetst. In de tussentijd is er deze week een communicatie gekomen van de RVA, die wat meer duidelijkheid geeft over de cijfers. De RVA spreekt over 88.000 mensen die in de overgangsperiode hun werkloosheidsuitkering zijn verloren. Er zou een 40.000-tal onder hen richting OCMW en leefloon zijn gegaan en 7.500 zouden naar de ziekteverzekering of het pensioen zijn gegaan, wat betekent dat er nog 40.500 onder hen recht zouden hebben op een volledige werkloosheidsuitkering. Er zou ook een bijpassing moeten gebeuren voor de mensen die naar het leefloon en de ziekteverzekering zouden zijn gegaan.
Mijnheer de minister, mijn vraag is vooral hoe u dat wilt oplossen. Wat zal die bijstelling budgettair kosten? De RVA gaf aan dat dat ten vroegste vanaf november zou kunnen gebeuren. Mijn vraag is dus vooral: hoe kijkt u daarnaar? Hoe organiseert u dat? Hoe zit het met de cijfers, de kostprijs en de doelgroep?
Er wordt hier vaak een eenzijdige lezing gegeven van het arrest van het Grondwettelijk Hof. Daarin staat echter ook heel duidelijk dat de door deze meerderheid doorgevoerde hervorming standhoudt. De basisprincipes en grondbeginselen, namelijk de beperking van de werkloosheidsuitkering tot twee jaar, de uitzonderingen daarop en de duidelijke keuze voor een mogelijke verlenging voor wie bepaalde knelpuntberoepen uitoefent, worden in dat arrest bevestigd. Dat arrest bevat dus ook veel goed nieuws. We vragen echter hoe u die overgangsperiode oplost en wat de kostprijs daarvan is.
02.04 Eva Demesmaeker (N-VA): Ik sluit mij grotendeels aan bij wat collega Muylle hier net voor mij heeft gezegd. Het overgrote deel van het arrest is zeker positief en bevestigt inderdaad dat we de correcte maatregelen hebben genomen. Natuurlijk is er nog dat kleine gedeelte waarvan ik mij ook afvraag hoe u tegen die zaak aankijkt.
Misschien nog even de cijfers. Hoeveel mensen worden effectief getroffen door die gedeeltelijke vernietiging? Welke kosten, ook al aangehaald door andere collega's, zal dat met zich meebrengen? Hoe zal de RVA de OCMW's op de hoogte stellen van de retroactieve uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen, zodat de onterecht uitbetaalde leeflonen kunnen worden teruggevorderd? Kan daarbij gebruik worden gemaakt van netting, zodat de middelen rechtstreeks bij het OCMW terechtkomen in plaats van in twee stappen te werken?
Gelet op de uitspraak, verwacht u voornamelijk ook gelijkaardige effecten van hangende rechtszaken en hoe bereidt u zich daarop voor? Dat zijn vragen die grotendeels ook door de collega's zijn gesteld.
02.05 Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, ik denk dat de context hier al door heel veel collega's is geschetst. Ondertussen – de vraag is ook al een tijdje geleden ingediend – heeft de RVA inderdaad de cijfers bekendgemaakt die collega Muylle daarnet netjes heeft opgesomd: 88.000, waarvan meer dan 40.000 naar het OCMW-leefloon en 7.500 met risico's voor het pensioen. Al deze informatie is al meegedeeld. Mijn vragen gingen vooral over de manier waarop u die regularisatie voor die mensen zult organiseren.
Mevrouw De Mesmaeker, ik hoor u vragen hoe die retroactieve uitbetaling wordt geregeld voor degenen die al een leefloon ontvangen en of dat leefloon dan wordt teruggevorderd. Mijnheer de minister, ik hoop dat dat op een andere administratieve manier zal worden georganiseerd. Die mensen hebben een beslissing gekregen waardoor hun werkloosheidsuitkering op een bepaald moment werd beperkt. Dat heeft al enorme stress, angst en een administratieve mallemolen veroorzaakt. Nu krijgen ze die regularisatie. Het Grondwettelijk Hof is duidelijk: het moet twaalf maanden zijn en de andere termijnen zijn discriminerend. Tot daar is er zeker geen probleem.
Ik hoop wel dat we die mensen niet opnieuw door zo'n administratieve mallemolen met een hoop stress laten gaan en dat de regularisatie met de OCMW's, het RIZIV en alle instanties die nu uitkeringen verlenen, op een degelijke manier wordt georganiseerd. Daarbij heb ik nog een bijkomende vraag die hier nog niet is gesteld. Welke impact kan die retroactieve toekenning hebben op andere rechten en sociale voordelen? Ik had gelezen dat de RVA een analyse had gemaakt. Zijn die aspecten ook meegenomen in die analyse?
Soms geeft een uitkering ook recht op een aantal andere sociale voordelen. Ik denk niet alleen aan een energietarief, maar ook aan de fiscale gevolgen wanneer mensen opnieuw aan de slag zijn en toch nog recht hebben op dat gedeelte van de periode waarin ze eventueel nog geen werk hadden gevonden.
02.06 Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur le ministre, l’arrêt rendu le 10 septembre dernier par la Cour constitutionnelle conforte le cap choisi par l'Arizona et la solidité juridique de cette réforme équilibrée, négociée au sein de cette majorité.
La Cour annule une partie limitée du régime transitoire. Je n'en répéterai pas ici les différentes dispositions. Il convient désormais de reconstituer les droits de ces personnes qui n'ont pas été indemnisées jusqu'au moment où elles auraient dû l'être. Certaines d'entre elles ont cependant déjà pu solliciter le revenu d’intégration auprès d’un CPAS. Une coordination étroite entre l’ONEM, les organismes de paiement et les CPAS est donc nécessaire pour garantir une régularisation rapide et juridiquement sécurisée.
Monsieur le ministre, combien de personnes sont-elles concernées par cette annulation et combien avaient-elles déjà effectivement perdu leur droit aux allocations de chômage en vertu des dispositions annulées?
Quelles ont été les instructions adressées à l’ONEM et aux organismes de paiement afin de reconstituer automatiquement et rétroactivement leurs droits, selon quel calendrier et sans leur imposer de démarches administratives supplémentaires?
Comment la coordination avec les CPAS sera-t-elle organisée afin de régulariser les périodes durant lesquelles un revenu d’intégration a éventuellement été versé, sans récupération préjudiciable ni insécurité financière pour les bénéficiaires?
02.07 Annik Van den Bosch (PVDA-PTB): Mijn collega Moscufo is ziek en ik vervang haar hier.
Mijnheer de minister, u verheugde zich over het arrest van het Grondwettelijk Hof. Het Hof oordeelde echter ook dat een deel van uw hervorming discriminerend is. Mensen die al lang werkloos waren, verloren hun uitkering na slechts 6, 8 of 9 maanden, terwijl de nieuwe regeling in principe een minimum van 12 maanden voorziet. Voor sommigen gaat het dus om 6 maanden minder rechten. Volgens het ABVV zouden bijna 100.000 mensen getroffen kunnen zijn. Het gaat om mensen die het nu zonder uitkering moeten stellen of bij het OCMW moeten aankloppen.
Na de problemen voor PWA-werknemers en mantelzorgers is dit opnieuw een groep die onrechtvaardig gevolgen ondervindt van een hervorming die eigenlijk overhaast werd doorgevoerd. Telkens zijn het de betrokken mensen die met de gevolgen van uw hervormingen moeten leven.
Hoeveel mensen worden precies getroffen door dit arrest? Wanneer zullen zij de uitkering ontvangen waarop zij recht hebben? Wanneer zullen zij persoonlijk worden geïnformeerd?
Hebt u instructies gegeven aan de uitbetalingsinstellingen en de OCMW's? Kunt u garanderen dat niemand naar de rechtbank zal moeten stappen om zijn rechten terug te krijgen?
La présidente: Merci, madame Van den Bosch, de vous être jointe au débat. Vous ne remplacez donc pas Mme Moscufo puisqu'il n'est pas possible de remplacer, nous sommes bien d'accord là-dessus.
02.08 David Clarinval, ministre: Chers collègues, le 10 septembre 2026, la Cour constitutionnelle s'est prononcée sur quatre des sept recours introduits concernant la réforme de l'assurance-chômage. Dans cet arrêt, la Cour confirme l'essentiel de la réforme. Elle juge que la limitation dans le temps du droit aux allocations de chômage et aux allocations d'insertion, compte tenu des mesures d'accompagnement et du contexte budgétaire, peut être raisonnablement justifiée au regard des objectifs consistant à augmenter le taux d'emploi et à préserver la soutenabilité de la sécurité sociale à long terme.
La Cour annule toutefois l'article 212, § 1er, alinéas 2, 4 à 6 de la loi-programme du 18 juillet 2025 en ce qu'il limite le droit aux allocations de chômage des travailleurs qui étaient en troisième période d'indemnisation au 30 juin 2025 à une durée plus courte que celle de 12 mois, qui découle en règle du nouveau régime général. Pour le reste, la Cour rejette les quatre recours examinés.
Le régime transitoire prévoyait une sortie progressive pour les personnes qui se trouvaient déjà dans la troisième période d'indemnisation au 30 juin 2025. Les personnes qui, à cette date, avaient été au chômage pendant plus de 20 ans bénéficiaient encore de 6 mois, celles qui avaient été au chômage pendant plus de 8 ans bénéficiaient encore de 8 mois et les autres chômeurs de longue durée concernés bénéficiaient encore de 9 mois. La Cour juge que la différence avec le nouveau régime général, qui garantit en principe une durée minimale d'indemnisation de 12 mois, n'est pas raisonnablement justifiée. Elle annule, dès lors, les dispositions en ce qu'elles prévoient, pour ces personnes, une durée inférieure à 12 mois.
J'ai pris acte de l'arrêt et veillerai, bien entendu, à son exécution correcte et complète. Je constate en même temps que la Cour a confirmé, dans les recours sur lesquels elle s'est prononcée, le choix fondamental de limiter dans le temps le droit aux allocations de chômage. C'est donc évidemment une excellente nouvelle pour le gouvernement.
J'ai immédiatement demandé à l'ONEM d'analyser en profondeur les conséquences de l'arrêt et de préparer son exécution rapide et ordonnée. La portée d'un arrêt en annulation de la Cour constitutionnelle, précisée dans la loi spéciale sur la Cour constitutionnelle, est une autorité absolue de chose jugée. Contrairement à un arrêt rendu sur une question préjudicielle, l'annulation vaut erga omnes et lie donc toutes les instances normatives, exécutives et juridictionnelles, mais également les particuliers et les personnes morales de droit public et privé.
En outre, le dispositif de l'arrêt ne se limite pas à une annulation. La Cour y précise également le sens dans lequel les dispositions légales doivent être comprises. Elle annule, en effet, la disposition "en ce que": celle-ci ne permet pas aux personnes visées par la mesure transitoire, en l'occurrence les chômeurs de longue durée, de bénéficier d'au moins une année d'allocations conformément à la règle générale prévue à l'article 169 applicable à partir du 1er juillet 2025.
En rédigeant son arrêt de cette manière, la Cour entend identifier de façon très précise et circonscrire strictement l'objet de sa déclaration d'invalidation. L'arrêt nous paraît, dès lors, très clair sur ce point. Dans d'autres arrêts, la Cour invite explicitement le législateur à intervenir. Elle ne l'a pas fait ici. Elle considère que la disposition transitoire constitue une disposition dérogatoire et que cette dérogation engendre une discrimination par rapport au régime général prévu à l'article 169, qui fixe en principe la durée à 12 mois.
Comme dans certains arrêts antérieurs, nous comprenons que la Cour, confrontée à une disposition de nature législative, a elle-même comblé une lacune. Cette extension, figurant dans un arrêt d'annulation, acquiert l'autorité absolue de la chose jugée et s'impose donc erga omnes.
Le dispositif de la Cour lie également les autorités chargées d'appliquer la norme concernée. Celles-ci doivent partant respecter ce dispositif et appliquer la disposition aux personnes ou aux situations auxquelles la Cour a entendu étendre son champ d'application. Par conséquent, l'ONEM est tenu d'appliquer sans délai le régime général tel qu'il résulte de l'arrêt.
Les personnes concernées seront informées de la modification de leur dossier de chômage concernant la durée des allocations auxquelles elles peuvent prétendre à partir du 1er juillet 2025, selon la procédure habituelle. Concrètement, l'arrêt signifie que les chômeurs concernés peuvent, en principe, encore bénéficier d'une période supplémentaire de trois, quatre ou six mois afin d'atteindre une durée totale de douze mois. Pour une personne dont la période transitoire a débuté le 1er juillet 2025, la date de fin est donc en principe reportée au 30 juin 2026.
Selon les données transmises par l'ONEM, 87 744 personnes appartiennent théoriquement aux catégories concernées: 9 090 personnes soumises à une période transitoire de six mois, 36 864 à une période de huit mois et 41 790 à une période de neuf mois. Ce chiffre ne peut, toutefois, pas être assimilé au nombre de personnes qui percevront effectivement des allocations de chômage durant l'intégralité de cette période supplémentaire.
Il ne peut pas être assimilé au nombre de personnes parce que, durant la période visée, toutes les conditions ordinaires d’indemnisation doivent toujours être remplies. Ainsi, une personne qui était en incapacité de travail pendant cette période et qui a perçu une indemnité de maladie ne peut pas recevoir d’allocations de chômage pour la même période. Le droit à une indemnité d’incapacité de travail est maintenu dans ce cas.
Lorsque l’on tient compte d’une première série de telles situations, il s’agit, selon les données de l’ONEM, d’environ 80 524 personnes. Le nombre réel, et surtout le montant final, ne pourront être établis qu’après une analyse approfondie, dossier par dossier. Il en va de même pour les jours pendant lesquels une personne a travaillé ou n’était pas indemnisable pour une autre raison. En outre, des milliers de personnes appartenant à ce groupe ont travaillé, pendant au moins une période, comme salariées ou comme indépendantes après la fin de leur droit. Pour elles aussi, il faudra examiner pour quels jours un droit aux allocations de chômage existe encore, le cas échéant. En ce qui concerne l’exécution, aucune nouvelle demande d’allocations de chômage ne doit, en principe, être introduite par l’assuré social.
Lors de l’application des mesures transitoires, la date de fin du droit a été enregistrée dans chaque dossier de chômage concerné. L’ONEM dispose donc des données nécessaires pour adapter d’office les dossiers concernés. L’ONEM communiquera ensuite l’adaptation du dossier de chômage à l’organisme de paiement selon les procédures habituelles. Cette décision adaptée constitue la base du paiement. Les organismes de paiement informeront par écrit les personnes concernées de la nouvelle date de fin ainsi que des démarches qu’elles doivent encore entreprendre.
Un paiement ne peut évidemment intervenir que lorsqu’il peut également être établi, pour les mois concernés et ainsi déterminer les jours pour lesquels la personne était effectivement indemnisable. La personne concernée devra donc introduire, pour ces mois, les cartes de contrôle requises et y mentionner, comme d’habitude, les éventuels obstacles à l’indemnisation, tels qu’un jour de travail, une maladie ou un séjour à l’étranger.
Lorsque des modifications sont intervenues entre-temps, par exemple dans la situation familiale, celles-ci devront également être traitées. L’ONEM tiendra compte, à cet égard, de la situation exceptionnelle créée par l’arrêt de la Cour et dérogera, si nécessaire, au délai ordinaire d’introduction des demandes.
Ook wanneer een individuele beslissing van de RVA later door een arbeidsrechtsbank wordt vernietigd, moeten uitkeringen voor een periode in het verleden worden gereconstrueerd en betaald. Voor de meeste dossiers moet de doorlooptijd daarom beheersbaar blijven, mede afhankelijk van de snelheid waarmee de betrokken personen na de kennisgeving de noodzakelijke informatie aan hun uitbetalingsinstelling bezorgen.
Er was ook een belangrijke vraag over de OCMW’s. Ongeveer 40.000 van de betrokken personen hebben in de betrokken periode een leefloon ontvangen. Uiteraard kan voor dezelfde periode niet zonder meer zowel een volledig leefloon als een volledige werkloosheidsuitkering worden behouden.
On parle ici de quasiment la moitié du nombre de personnes concernées. La moitié des bénéficiaires ont perçu une indemnisation du CPAS et on devra donc en tenir compte pour ce qui est des 80 000 personnes citées tout à l'heure.
De RVA en de POD Maatschappelijke Integratie werken momenteel samen om de noodzakelijke gegevens uit te wisselen om de verrekening maximaal rechtstreeks te laten verlopen. De bedoeling is dus uitdrukkelijk niet dat iemand eerst de volledige werkloosheidsuitkering ontvangt en vervolgens zelf een reeds ontvangen leefloon moet terugstorten. Administratieve carrousels moeten zo veel mogelijk worden vermeden, zowel voor de burgers als voor de OCMW's en de RVA.
Ik verwijs voor de gevolgen voor de OCMW's naar mijn collega bevoegd voor Maatschappelijke Integratie. Ik heb mijn administratie gevraagd constructief samen te werken met de diensten van mevrouw Van Bossuyt om de administratieve lasten voor de OCMW's als gevolg van het arrest zo veel mogelijk te vermijden.
Reeds aangevatte begeleidingstrajecten worden door de regularisatie niet automatisch ongedaan gemaakt. Wie ondertussen werkt, blijft uiteraard aan het werk. Wie door OCMW's of een regionale arbeidsbemiddelingsdienst wordt begeleid, hoeft door de administratieve regularisatie niet opnieuw van nul te beginnen. De bedoeling is de financiële rechten uit het arrest correct te herstellen en niet om nuttige trajecten naar werk te onderbreken.
De retroactieve aanpassing kan bovendien gevolgen hebben voor bepaalde afgeleide sociale rechten. De gecorrigeerde gegevens zullen via de gebruikelijke elektronische stromen van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid beschikbaar worden gesteld aan de instellingen die daarvan gebruikmaken. Waar mogelijk, zullen aanpassingen daardoor automatisch kunnen doorwerken. Voor eventuele regionale voordelen hangt het concrete gevolg af van de regelgeving die voor het voordeel geldt. Het zijn uiteraard de bevoegde regionale instanties die daarover beslissen.
Op fiscaal vlak gelden de gewone regels. De werkloosheidsuitkeringen zijn belastbaar overeenkomstig de toepasselijke fiscale regels. De uitbetalingsinstellingen zullen de vereiste fiscale gegevens mededelen.
Ten slotte, aangaande de budgettaire impact wil ik vandaag geen theoretisch bedrag presenteren alsof dat de uiteindelijke nettokosten zouden zijn. De bruto-uitgaven aan bijkomende werkloosheidsuitkeringen moeten worden gecorrigeerd voor onder meer periodes van ziekte, arbeid en andere vergoedbaarheidsbeslissingen. Bovendien moet rekening worden gehouden met de bedragen aan leefloon die kunnen worden gerecupereerd. De uiteindelijke budgettaire impact kan dus pas betrouwbaar worden vastgesteld nadat de betrokken dossiers voldoende zijn verwerkt. Het arrest heeft bovendien betrekking op de overgangsfase van de hervorming. Het wijzigt niet de structurele beperking tot maximaal 24 maanden in het nieuwe stelsel.
De budgettaire ramingen voor 2026 zullen vanzelfsprekend moeten worden aangepast aan de effectieve kosten van de regularisatie, maar het arrest verandert de structurele opzet van de hervorming voor de daaropvolgende cohorten niet. Hetzelfde geldt voor de activeringseffecten. De betrokken personen krijgen voor de overgangsperiode langer recht dan oorspronkelijk voorzien. Dat kan het tijdstip van bepaalde uitstroombewegingen beïnvloeden, maar het verandert de structurele werking van het nieuwe stelsel niet. Ook die effecten zullen in de verdere monitoring van de RVA worden meegenomen.
Ten slotte zijn er nog andere beroepen aanhangig bij het Grondwettelijk Hof. Mijn administratie volgt de overige procedures nauwgezet op, zodat ook aan toekomstige arresten snel en correct uitvoering kan worden gegeven. Ik loop niet vooruit op de uitspraken in die procedures, maar kijk de uitkomst daarvan met vertrouwen tegemoet. In zijn arrest van 10 september heeft het Hof immers de fundamentele opzet en de doelstellingen van de beperking in de tijd aanvaard in de beroepen waarover het uitspraak heeft gedaan.
Voor het arrest dat vandaag aan de orde is, is mijn lijn dus eenvoudig. We voeren het arrest onverwijld uit, we herstellen de rechten waarop de betrokken personen aanspraak kunnen maken, we vermijden zoveel mogelijk dubbele betalingen en terugvorderingen en we organiseren de uitvoering zo dat de administratieve lasten voor de burgers, de OCMW's en de instellingen tot het strikt noodzakelijke worden beperkt.
02.09 Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, merci pour les nombreuses informations techniques relatives à l'arrêt.
Quant à ce qui va véritablement se passer pour les personnes concernées, si je comprends bien, l'ONEM va prendre contact spontanément avec elles. Je pense que c'est une bonne chose que les démarches ne doivent pas venir, en plus, de ces personnes pour qu’elles puissent récupérer leurs droits.
Vous évoquez quand même un certain nombre de démarches qui devront être entreprises par ces personnes pour qu’elles puissent être réintégrées dans leurs droits. J'attire quand même votre attention sur le fait qu'il s'agit ici d'une erreur qui a été commise par votre gouvernement. Il importe donc bien de réduire au minimum les entraves à leur réintégration dans leurs droits.
Par ailleurs, plusieurs questions doivent quand même être traitées plus techniquement. Par exemple, vous nous dites que 50 % des personnes exclues sont allées au CPAS et qu’à elles, on ne doit pas donner de compensation. En fait, cela dépend de la différence de montant perçu. Il me paraît évident qu'elles doivent être remboursées des différences en question.
Les CPAS vont-ils être mis à contribution pour rouvrir les dossiers des intéressés? Des moyens supplémentaires vont-ils être confiés aux CPAS pour pouvoir remplir ces missions-là? On parle des personnes qui bénéficient d'un RIS, mais je suppose qu'on parle aussi de celles qui auront bénéficié d'une autre aide, pas forcément du RIS, mais par exemple d'une aide pour régler une facture d'électricité ou d'une prise en charge de certains frais par le CPAS.
Il en découle plusieurs questions de différentes natures. Je pense aussi à la maladie. Vous nous dites que si quelqu'un est en maladie, alors il ne perçoit plus le chômage. Mais de nouveau, il faut comparer les montants des allocations. Je pense que c'est important.
Plus globalement, j'attire quand même votre attention sur le fait que la discrimination que ces personnes ont subie a eu un impact sur leur capacité à se retourner. Certaines ont fait des choix plus rapidement, peut-être moins bons pour eux, en raison de la courte durée endéans laquelle elles devaient se réorganiser, alors qu'elles auraient dû bénéficier de davantage de temps. Je pense, par exemple, à un changement de logement en raison d'une perte de revenu, au fait d'accepter un travail en deçà de ses compétences en raison d'une courte durée pour pouvoir chercher un emploi, etc. Je pense que ces personnes ont subi un dommage et qu'il faudrait envisager qu'un dédommagement leur soit versé. Je vous remercie.
02.10 Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, merci pour vos réponses.
Je reste néanmoins inquiète parce qu’il est dommage que vous ne nous ayez pas écoutés. Nous avons tiré la sonnette d'alarme à plusieurs reprises, nous avons eu des débats en commission ainsi qu’en séance plénière, nous avons attiré votre attention sur les risques de discrimination et les conséquences pour les personnes les plus éloignées de l'emploi, mais vous ne nous avez pas écoutés.
En fait, si vous nous aviez écoutés, il n'y aurait pas eu cette erreur “technique”. Aujourd'hui, il va falloir corriger les conséquences de cette réforme et réparer le préjudice subi par les personnes concernées. Je suis d'autant plus inquiète pour nos CPAS, parce que le travail qui attend vos administrations va être extrêmement complexe, et ce alors que nos CPAS sont déjà asphyxiés. Je rappelle que près de 200 000 personnes vont être exclues du chômage, et il ressort des chiffres du SPP Intégration sociale que 53 000 des 100 000 premières personnes exclues ont déjà introduit une demande de revenus d'intégration sociale et que 44 000 l'ont obtenue. Nous sommes donc bien loin des 30 % dont vous avez fait état dans vos interventions.
Dans un contexte tel que celui-là, les CPAS vont devoir subitement rouvrir des milliers de dossiers, recalculer les droits, gérer les conséquences financières de cette régularisation, alors que personne n’ignore que les CPAS manquent de personnel et de moyens. Vous allez me dire que ces aspects ne relèvent pas de votre compétence mais de celles de votre collègue Van Bossuyt, mais vous travaillez quand même ensemble! À partir du moment où vous entreprenez une réforme, vous savez que celle-ci entraînera des conséquences, notamment sur les CPAS.
Dès lors, je pense – en tout cas, j’espère – que les personnes concernées recevront des réponses claires à leurs questions parce qu'elles doivent savoir rapidement si elles vont récupérer leur allocation et, le cas échéant, quand et comment leur situation sera régularisée.
02.11 Nathalie Muylle (cd&v): Dank u wel voor uw zeer uitgebreide antwoord.
Ik denk dat er heel veel bezorgdheden in het parlementaire debat zijn meegegeven. Ik herinner me dat in tussenkomsten vaak werd gezegd dat de volledige wetgeving van het Parlement discriminerend was. Dat lees ik niet in het arrest.
Integendeel, ik denk dat de grondvesten van die hervorming volgens het arrest duidelijk overeind blijven, wat cruciaal is. Wat het arrest aanhaalt, is volgens mij een correcte interpretatie. Dat moeten we rechtzetten. U hebt vandaag aangetoond dat dat ook op een correcte manier zal gebeuren. Voor mij was dit antwoord voldoende. Dank u.
02.12 Eva Demesmaeker (N-VA): Mijnheer de minister, u hebt inderdaad aangehaald dat wat onduidelijk was of waarover verwarring bestond, zal worden rechtgezet. U hebt de aantallen genoemd.
Ik maak me uiteraard een beetje zorgen over de budgettaire impact. Die kunnen we moeilijk inschatten. Ik begrijp natuurlijk ook dat die moeilijk in te schatten is. Ik ben wel benieuwd op welk bedrag we uiteindelijk zullen uitkomen. Het stelt mij alvast gerust dat u ermee bezig bent. Daar heb ik alle vertrouwen in.
02.13 Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, ook bedankt voor uw heel uitgebreide juridische analyse en antwoord.
Uiteraard begrijp ik dat wanneer iemand niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet, er niet plots een werkloosheidsuitkering kan worden toegekend. Mijn bezorgdheid draaide vooral om de mensen die nu een leefloon ontvangen.
U spreekt over 40.000 mensen. Sommigen van hen hebben hopelijk al werk gevonden. Het stelt mij enigszins gerust dat u zegt dat de bedragen rechtstreeks zullen worden verrekend. Ik was wat bang dat, zeker omdat het om een groep langdurig werklozen en dus een kwetsbare groep gaat, eerst de werkloosheidsuitkering zou worden gestort en vervolgens het leefloon zou worden teruggevorderd.
U zegt ook dat dat verder wordt opgevolgd door minister Van Bossuyt. Ik zal zeker niet nalaten haar daarover te ondervragen, want ik vind het belangrijk dat die mensen, die door de hervorming al heel veel stress hebben gehad, niet opnieuw met dezelfde angst en stress worden geconfronteerd. Ze mogen niet opnieuw door die administratieve mallemolen moeten. Ze moeten gewoon krijgen waarop ze recht hebben.
Dat geldt anderzijds ook voor de OCMW's. We hebben gisteren of eergisteren nog een debat met de minister daarover gehad. Het water staat hun ook aan de lippen. De regeling moet daarom in goed overleg en op een eenvoudige manier verlopen, zodat ze al dat werk nog kunnen bolwerken.
02.14 Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et pour votre long exposé sur l'arrêt de la Cour constitutionnelle.
Je ne serai pas longue non plus et je comprends que votre administration prenne du temps pour analyser cet arrêt. J'ai simplement une question incidente: un groupe de travail – Mme Vanrobaeys vient d'en parler également – a-t-il été constitué avec la ministre Van Bossuyt? Vous parliez des CPAS et des potentiels indus qu'il pourrait y avoir. Une compensation est-elle prévue dans le cas où la personne aurait effectivement eu droit au chômage et que le montant était plus élevé? Vous me voyez venir, monsieur le ministre: le but est aussi d'éviter de surcharger les CPAS, dans la mesure du possible, en matière de récupération d'indus.
02.15 David Clarinval, ministre: Je vous confirme qu'un groupe de travail informel a été formé avec l'ONEM, le SPP Intégration sociale, le cabinet de Mme Van Bossuyt et le mien ainsi que les représentants des CPAS. Ce groupe de travail réfléchit à la manière d'éviter au maximum les problèmes administratifs à ce sujet et de simplifier autant que possible les procédures, en donnant accès aux bases de données, etc.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
03.01 Axel Ronse (N-VA): Mevrouw de voorzitster, u ziet er ongelofelijk goed uit vandaag; zeker in vergelijking met de andere dagen waarop deze commissie samenkomt.
En tous cas, je vous remercie, chère collègue Pirson, pour présider cette merveilleuse commission. Je pense que le vrai président de la commission est à la maison avec un pantalon déchiré. J'ai vu passer des photos et il était en stretch.
We hebben in deze commissie al meermaals de Europese richtlijn inzake loontransparantie besproken. Ik vind dat een draak van een richtlijn. Dat het geslacht geen rol mag spelen bij de verloning van werknemers, onderschrijf ik volledig. Men zou een idiote werkgever moeten zijn om een man omwille van zijn mannelijkheid minder te verlonen dan een vrouw of, omgekeerd, een vrouw omwille van haar vrouwelijkheid minder te verlonen dan een man. De geest van die richtlijn is dus goed. De richtlijn zelf is echter verschrikkelijk. Une catastrophe, vraiment un scandale.
Ten eerste zal die richtlijn ervoor zorgen dat werkgevers in de privésector werknemers niet meer op basis van competenties en inzet vergoeden, maar louter op basis van de functie, net zoals bij de overheid.
Ten tweede zal die richtlijn voor ongelooflijk veel administratieve overlast zorgen. Bij meer dan 5 % deviatie zijn een actieplan en consulting nodig.
Ten derde ben ik nog het meest bevreesd voor het feit dat die richtlijn aanleiding zal geven tot procedures die zeer retroactief zijn. Stel u voor, een man oefent dezelfde functie uit als een vrouw en werkt al vijftien jaar in het bedrijf. Hij stelt vast dat hij minder verdient dan die vrouw en vraagt zijn werkgever om dat te motiveren. Die werkgever zal een dure advocaat onder de arm nemen om ervoor te zorgen dat die motivatie zeker juist is. De werknemer zal dat dan aanvechten met de steun van de vakbonden. Op die manier creëert men zeer veel miserie.
Mijnheer de minister, hoe zullen we die draak, dat gedrocht kunnen stoppen?
03.02 Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, de omzetting van de transparantierichtlijn is vorige donderdag in de plenaire vergadering al aan bod gekomen. U hebt mij toen gezegd dat de Europese Commissie had geantwoord dat die niet in het pakket 'Stop de klok' zit, maar dat ze wel degelijk vraagt die Europese transparantierichtlijn om te zetten omwille van het principe van gelijk loon voor gelijk werk.
Er zijn destijds 30 verduidelijkingsvragen aan de Europese Commissie gesteld. In de plenaire vergadering hebben we daar misschien geen tijd voor, maar mijn vraag aan u is vooral of de Europese Commissie daarop al heeft geantwoord. Nederland en Frankrijk hebben hun voorbereidend wetgevend werk al verricht, waaruit de antwoorden op die vragen zouden kunnen blijken.
Over de stand van zaken hebt u toen verklaard dat u bezig was met de voorbereiding. Mijn vraag is vooral: voor wanneer is het?
Mijnheer Ronse, u verklaarde dat de administratieve lasten te zwaar en te lastig zijn, maar eerlijk gezegd, de CEO van Payflip heeft haar loon gewoon publiek gemaakt. Payflip past loontransparantie nu al toe. Dat stond deze week in de pers. Er zijn heel wat bedrijven – ik denk een kwart ervan – die loontransparantie nu al toepassen. Andere bedrijven zijn bezig met de voorbereidingen.
Eerlijk gezegd, wat een dramaqueens zijn dat hier allemaal! Bedrijven passen het toe en meer nog, Payflip geeft aan dat het een sterk werkgeversmerk is. Het kan zich op die manier profileren op de arbeidsmarkt, die toch wel vrij krap is, en tonen dat het voor gelijke rechten en tegen discriminatie is.
03.03 Nathalie Muylle (cd&v): Collega's, we hebben hier vorige week in de plenaire vergadering inderdaad een zeer uitgebreid debat over gevoerd. Mijn vragen liggen in de lijn van die van collega Vanrobaeys.
U hebt bij de vorige vraagstelling verwezen naar de Nationale Arbeidsraad (NAR) en de aanpassing van de cao’s 25 en 38. Het zou goed zijn om te weten waar we vandaag staan. U hebt toen heel duidelijk gezegd dat u nog wachtte op een aantal technische en juridische antwoorden die u van de Commissie zou moeten krijgen. Die vragen gingen vooral over loontransparantie en de bescherming van persoonsgegevens, maar ook over de behandeling van extralegale voordelen en wat we daarin transparant moeten maken. Daarnaast ging het over de verantwoording van bepaalde historische loonbeslissingen, maar ook de toepassing van de richtlijnen op uitzendarbeid.
Ik had dus graag van u geweten hoe het zit met het werk in de NAR in het kader van de cao’s, en met de antwoorden die u al dan niet hebt gekregen. Ik verwijs ook naar wat er op dit moment in de buurlanden gebeurt. Hoe staan we er vandaag voor en wat is het tijdpad? Ik meen ergens gelezen te hebben dat dat al doorgeschoven zou zijn naar april 2027. Daar had ik graag wat duidelijkheid over gehad.
03.04 Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, la semaine dernière, l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes a publié les chiffres 2024 de l'écart salarial. Sans surprise, ils confirment la persistance des inégalités en Belgique: 6,6 % après correction de la durée du travail et 19 % sans correction. Les ouvrières du secteur privé sont particulièrement touchées: 19,2 % d'écart au niveau du salaire horaire et plus de 41 % lorsqu'on tient compte du temps de travail.
Ces inégalités ne relèvent pas de la fatalité. Elles sont liées à des choix politiques, à des secteurs qui dévalorisent le travail des femmes, au temps partiel trop souvent imposé et à une opacité salariale qui permet aux inégalités de perdurer. Le temps partiel n'est pas anodin. Les femmes assument davantage les tâches ménagères et familiales et sont plus nombreuses dans des secteurs comme le commerce ou encore le nettoyage. Elles exercent aussi plus souvent des emplois moins rémunérés et occupent moins de fonctions dirigeantes.
Dans ce contexte, la directive européenne sur la transparence salariale constitue un levier essentiel. Elle doit rendre les critères de rémunération plus transparents et permettre d'identifier et de corriger les écarts injustifiés. Nous attendons toujours que vous transposiez cette directive. Pendant qu'ici vous gagnez du temps, les ouvrières, les employées et les travailleuses du care continuent à être moins bien payées pour un travail de valeur égale. Les inégalités salariales, elles, n'attendent pas.
Monsieur le ministre, comment justifiez-vous aujourd'hui que la Belgique ne respecte pas une échéance pourtant connue de longue date sur un texte aussi structurant pour l'égalité salariale? Quelles garanties concrètes pouvez-vous apporter pour que ce délai supplémentaire permette réellement d'aboutir et qu'il n'aboutira pas à un énième report? Où en êtes-vous des clarifications demandées à la Commission européenne avec votre collègue, M. Beenders? Les contacts entre cabinets ont-ils abouti à un avant-projet de loi finalisé? Quand ce texte sera-t-il soumis au gouvernement? Enfin, quelle initiative entendez-vous prendre pour lever les blocages actuels et faire enfin de la transparence salariale une réalité effective dans notre pays?
03.05 Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur le ministre, vous avez confirmé, en séance plénière la semaine dernière, que la Belgique procéderait enfin à une transposition fidèle et complète de la directive européenne relative à la transparence des rémunérations.
Pour nous, le respect du droit européen et de sa primauté ne peut pas être à géométrie variable. Lorsqu’une directive a été adoptée démocratiquement au niveau européen, la Belgique doit la transposer loyalement et complètement. C'est une obligation juridique, mais aussi une question de crédibilité pour notre pays, qui se veut depuis toujours au cœur de la construction européenne.
Cette directive représente également une avancée importante pour rendre effectif le principe "à travail égal, salaire égal" et lutter contre les écarts salariaux persistants entre les femmes et les hommes. Elle prévoit notamment davantage de transparence lors du recrutement, un droit d’accès des travailleurs à certaines informations salariales et des obligations de rapportage pour les entreprises concernées.
Il faut maintenant assurer une mise en œuvre à la fois effective et praticable. La Belgique dispose déjà de plusieurs instruments, tels que le bilan social, le rapport d’analyse de la structure de rémunération et différentes conventions collectives de travail. Il conviendra donc d’articuler ces mécanismes sans créer de procédures inutilement redondantes.
Monsieur le ministre, quel calendrier prévoyez-vous pour l’adoption de l’avant-projet de loi, son dépôt au Parlement et l’entrée en vigueur effective de cette transposition? Comment garantirez-vous une transposition complète et conforme au droit européen, tout en articulant les nouvelles obligations avec les dispositifs belges existants et en accompagnant concrètement les employeurs et les travailleurs?
03.06 David Clarinval, ministre: Mesdames et messieurs les députés, il convient tout d'abord de rappeler que la Belgique n'a pas attendu la directive européenne pour agir en matière d'égalité de rémunération. Notre pays dispose depuis longtemps, et même depuis plusieurs années, de dispositifs visant à garantir ce principe, et figure, selon les données de Statbel, parmi les États membres présentant les écarts de rémunération entre les femmes et les hommes les plus faibles.
La transposition de la directive vient donc en réalité s'ajouter à un cadre belge qui existe déjà. Des échanges ont effectivement eu lieu avec la Commission européenne concernant la transposition de la directive sur la transparence des rémunérations. Ces échanges ont permis de clarifier plusieurs aspects juridiques et techniques du texte, et de mieux identifier les marges de manœuvre dont nous disposons dans sa mise en œuvre au niveau national.
Ils ont également confirmé la position de la Commission quant à la nécessité d'assurer une transposition conforme de la directive. Cette position est en phase, d'ailleurs, avec les déclarations récentes de la commissaire Hadja Lahbib, qui a indiqué que la Commission n'envisageait pas d'inclure la directive dans un futur paquet de simplifications ou dans une mesure de type stop the clock.
Considérant cette directive comme essentielle à la mise en œuvre effective du principe d'égalité de rémunération entre les femmes et les hommes, la Belgique avait demandé à la Commission de tenir compte du délai supplémentaire nécessaire pour finaliser les travaux de transposition, dans le contexte, notamment, des discussions encore en cours au sein du CNT et des différentes questions juridiques et techniques identifiées par les cabinets compétents. La réponse de la Commission rappelle que sa priorité reste une transposition de la directive dans les meilleurs délais, et qu'elle continuera à accompagner les États membres dans sa mise en œuvre. Nous prenons donc acte de cette disposition et poursuivons dès lors les travaux sur cette base.
Le gouvernement veillera, dès lors, à assurer une transposition fidèle des obligations européennes, tout en limitant autant que possible les charges administratives pour les entreprises, en préservant la cohérence avec le cadre juridique belge et en évitant bien évidemment toute forme de gold-plating conformément à l'accord de gouvernement.
Cette attention portée à la simplification se traduit également dans le plan national de simplification administrative, dans lequel une mesure spécifique consacrée à la transposition de la directive sur la transparence a été intégrée, précisément afin de veiller à limiter autant que possible les charges administratives qui en découlent pour les entreprises. Cette volonté de limiter les charges administratives se traduit notamment dans l'articulation entre les obligations de rapportage européennes et le dispositif belge qui existe déjà aujourd'hui. Les entreprises à partir de 100 travailleurs devront satisfaire les obligations de rapportage prévues par la directive européenne.
En revanche, la Commission européenne a suggéré qu'il était possible d'éviter à ces entreprises de devoir, en parallèle, établir également le rapport d'analyse sur la structure de la rémunération prévue par la loi nationale de 2012. Nous examinons, dès lors, les modalités permettant de limiter cette duplication, notamment en prévoyant que, pour ces entreprises, ce rapport d'analyse puisse être établi sur une base volontaire. Pour les entreprises de 50 à 99 travailleurs, l'obligation de réaliser le rapport d'analyse sur la base de la loi nationale de 2012 demeurera applicable conformément aux principes du standstill. Dans le même esprit, les administrations concernées travaillent déjà à la mise en œuvre concrète du dispositif.
Le SPF Emploi, l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes ainsi que l'ONSS travaillent notamment à l'élaboration du modèle de rapportage qui sera mis à la disposition des entreprises, de même qu’à la mise en place de l'organe fédéral de suivi qui sera chargé de la centralisation et de la publication des données. L'objectif est de disposer d'un modèle permettant de limiter le rapportage aux seules données strictement nécessaires. À plus long terme, la mise en œuvre d’eGov 3.0 doit permettre d'aller encore plus loin dans cette simplification en mettant à disposition des entreprises un modèle de rapportage préalablement complété à partir des données administratives disponibles qu'elles pourront compléter ou corriger, le cas échéant, avant transmission.
Naast die rapportage maken de administraties ook werk van het ter beschikking stellen van instrumenten om ondernemingen en sectoren concreet te ondersteunen bij de uitvoering van de nieuwe verplichtingen. Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen en de FOD Werkgelegenheid ontwikkelen met name instrumenten en handleidingen om ondernemingen en sociale partners te ondersteunen bij de analyse van loongegevens, het identificeren van eventuele loonverschillen en het evalueren en invoeren van genderneutrale systemen voor het classificeren van functies.
Wat de stand van zaken betreft, worden de werkzaamheden op verschillende vlakken voortgezet. In de privésector zetten de sociale partners hun werkzaamheden binnen de Nationale Arbeidsraad voort om een belangrijk deel van de richtlijn om te zetten via collectieve arbeidsovereenkomsten. De cao's nr. 25 en 38 worden aangepast. Op wetgevend vlak werd door de bevoegde administraties een eerste voorontwerp van wet uitgewerkt. Dat wordt momenteel opnieuw bekeken in het licht van de verduidelijkingen die werden verstrekt tijdens gesprekken met de Europese Commissie. De werkzaamheden worden op die basis voortgezet. In de openbare sector worden de werkzaamheden eveneens voortgezet bij de deelstaten, met verschillende stadia van vooruitgang naargelang van de betrokken bevoegdheden.
De omzettingstermijn is inderdaad al geruime tijd bekend, aangezien de richtlijn in 2023 werd aangenomen. Er moet echter aan worden herinnerd dat de huidige regering in 2025 is aangetreden. Sinds het begin van deze legislatuur zijn concrete werkzaamheden aangevat met betrekking tot de verschillende onderdelen van de omzetting, zoals ik u zonet heb uitgelegd. Aangezien de Europese deadline van 7 juni 2026 niet werd gewijzigd, worden de werkzaamheden voortgezet. Het is in dit stadium echter moeilijk om een definitieve timing voor de afronding van het hele proces mee te delen, omdat nog meerdere elementen moeten worden afgerond, met name in het kader van het sociaal overleg en het wetgevingsproces.
De verschillende werkzaamheden zijn echter al opgestart en worden parallel voortgezet. Ons doel bestaat er dus in de omzetting voort te zetten, zodat wordt voldaan aan de Europese vereisten en tegelijk de beschikbare bewegingsruimte maximaal wordt benut om een coherente, proportionele en zo weinig mogelijk belastende regeling voor de ondernemingen te garanderen.
03.07 Axel Ronse (N-VA): Ik ben gechoqueerd. Ik denk dat de Europese commissaris, mevrouw Lahbib, eraan moet worden herinnerd dat MR staat voor Mouvement Réformateur en niet voor Monstre Rapportage.
Ik ben vorige week vrijdag naar Duinkerke geweest om een bedrijf te bezoeken. De brutoloonkosten liggen daar 20 % lager dan bij ons, en de energiekosten zelfs 30 %. Dat is ons buurland! Ik heb het zelf nog niet eens over niet-Europese landen waarmee we concurreren. De economische groei hier bedraagt 0 %. Welke zot gelooft er nog dat we hier vandaag, onder die omstandigheden, maakbedrijven en jobs kunnen aantrekken?
We moeten nagaan hoe we ons land competitiever kunnen maken om ervoor te zorgen dat er hier meer bedrijven en meer jobs komen en dat we hier welvaart creëren. Wat verplicht Europa ons? Dat we wetgeving maken waardoor bedrijven nog meer moeten rapporteren en nog meer papier moeten produceren. Waanzin!
Het tweede punt is nog veel gevaarlijker. Werknemers zullen hun werkgever kunnen dagvaarden als die niet de juiste motivering geeft waarom de ene werknemer in dezelfde functie minder verdient dan de andere. Men zal hier op een bepaald moment niemand meer in dienst durven nemen. Dan zal men inderdaad komen tot gelijke verloning voor iedereen. Nul euro, want er zullen op een bepaald moment geen jobs meer zijn. Ik voorspel het u, dit soort richtlijn is waanzin!
Mijnheer de minister, ik zal me daar met hand en tand, te land, ter zee en in de lucht tegen verzetten. Ik vind het ook een schande als mensen wegens hun geslacht verschillend verloond worden. Geslacht mag niet meetellen in de verloning.
Dit is een fausse bonne idée met
waanzinnig gevaarlijke gevolgen. Stop de klok! Mag ik het nummer van mevrouw
Hadja Lahbib om haar te bellen en haar te overtuigen dat dit werkelijk in de
stop-de-klokpot voor richtlijnen moet? Ceci est vraiment dingue. C’est fou!
03.08 Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer Ronse, Frankrijk krijgt dezelfde verplichting. Meer nog, Frankrijk is klaar met zijn wetsvoorbereiding.
Mijnheer de minister, u zegt dat België niet heeft stilgezeten. Gelukkig maar. De cijfers van vorige week zijn echter duidelijk. Er is nog steeds een loonkloof van 6,6 % en bij arbeidsters is het ongeveer 19 %.
Uiteraard moeten die verplichtingen administratief zo eenvoudig mogelijk worden doorgevoerd. We moeten er alles aan doen om ondernemingen daarbij te ondersteunen. Nogmaals, er zijn ondernemingen die het nu al toepassen. Payflip past het gewoon toe, zonder de dramaqueen uit te hangen. Het kan, zonder alle voorstellen die u nu nog zult doen ter ondersteuning.
Ik heb nog één vraag. U hebt geen uitstel gekregen van de Europese Commissie. U zegt verder te werken en zegt dat u zich niet kunt vastpinnen op een timing. Mij verontrust het volgende. Er dreigen ons in dat geval miljoenenboetes boven het hoofd te hangen. De vraag is dan wanneer Europa dat effectief zal toepassen. In deze tijden zou ik niet graag hebben dat we daarvoor extra moeten betalen aan Europa. We zouden beter gewoon verder werken en ervoor zorgen dat binnen de deadlines gelijk loon voor gelijk werk wordt gegarandeerd.
03.09 Sophie Thémont (PS): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.
Je ne suis pas du tout convaincue par ce que vous venez de dire. Cela laisse visiblement entendre que cette directive ne sera pas transposée dans les meilleurs délais, alors qu'elle aurait déjà dû l'être depuis un certain temps.
Vous avez évoqué le cadre belge, qui existe déjà. Mais force est de constater, à la lecture de cet article, et comme je l'ai indiqué dans ma question à travers les chiffres cités, qu'il subsiste encore d'importantes inégalités et discriminations. Dès lors, quoi de mieux que de transposer cette directive le plus rapidement possible, afin de renforcer la lutte contre les inégalités et les discriminations?
Je rappelle tout de même qu'aujourd'hui une femme gagne moins qu'un homme dès son premier job étudiant pour le même travail. Elle gagne moins une fois diplômée, elle gagne moins en fin de carrière et elle perçoit une pension inférieure, avec un écart qui atteint aujourd'hui 25 %.
Nous ne pouvons pas fermer les yeux face à cette réalité, monsieur le ministre. Vous devez être attentif à cette situation. Lorsque nous regardons regarde ce qui se fait ailleurs, nous constatons que la Lituanie, la Slovaquie et la Grèce ont déjà transposé cette directive. En Espagne et au Portugal, elle est en cours de transposition. Et, comme souvent, la Belgique est à la traîne. Nous attendons et pendant ce temps les écarts se creusent.
Monsieur le ministre, bougez-vous pour les femmes, s'il vous plaît.
03.10 Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.
Je pense que vous connaissez notre opinion sur ce dossier. La question de la transposition est un non-débat pour nous: la primauté du droit européen s'impose à nous. Nous ne referons donc pas un débat qui a déjà eu lieu au Parlement européen. Il faut vraiment veiller maintenant à imbriquer convenablement cette directive dans le cadre belge existant.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
04.01 Sophie Thémont (PS): Madame la présidente, je renvoie au texte de ma question déposée.
Monsieur le ministre,
les derniers indicateurs de la Banque
nationale et de l'ONSS confirment un ralentissement préoccupant du marché du
travail. Selon l'analyse de l'économiste Philippe Defeyt, la croissance de
l'emploi salarié est aujourd'hui particulièrement faible. Les heures de travail
rémunérées progressent à peine depuis trois ans, tandis que l'emploi recule
dans plusieurs secteurs, notamment l'industrie et la construction. Les offres
d'emploi diminuent également, éloignant toujours davantage la Belgique de
l'objectif de 80 % de taux d'emploi.
Dans le même temps, les formes d'emploi qui
progressent le plus sont les flexi-jobs et le travail étudiant. Or ces
dispositifs ne répondent pas aux difficultés du marché du travail. Ils ne
constituent pas davantage une perspective pour les milliers de personnes que
votre gouvernement a déjà exclues du chômage. Ils ne permettent ni une
insertion durable sur le marché de l'emploi, ni une véritable sécurité
professionnelle, ni de vivre dignement de son travail.
Il y a donc une contradiction majeure dans
votre politique. Vous exigez un retour rapide à l'emploi alors même que les
créations d'emplois salariés ralentissent, que les offres d'emploi diminuent et
que les formes d'emploi qui se développent sont précisément celles qui offrent
le moins de stabilité et de protection.
Dans ce contexte, de nombreux travailleurs
et demandeurs d'emploi ont aujourd'hui le sentiment que les perspectives
d'emploi durable se réduisent, alors même que les exigences à leur égard se
renforcent.
Dès lors monsieur le ministre:
Quel bilan tirez-vous du ralentissement
observé de l'emploi salarié et de la baisse des offres d'emploi dans plusieurs
secteurs ?
Comment entendez-vous atteindre l'objectif
de 80 % de taux d'emploi dans ce contexte?
Comment justifiez-vous les exclusions du
chômage alors que les perspectives d'embauche se dégradent et que les formes
d'emploi actuellement en croissance ne constituent pas une réelle perspective
pour les personnes concernées?
Enfin, quelles mesures concrètes
comptez-vous prendre afin de soutenir la création d'emplois stables et de
qualité plutôt que la multiplication de formes d'emploi toujours plus flexibles
et précaires?
Je vous remercie,
04.02 David Clarinval, ministre: Madame la députée, certains indicateurs doivent, en effet, retenir notre attention. La croissance de l'emploi salarié ralentit, certains secteurs connaissent des difficultés et l'objectif d'un taux d'emploi de 80 % reste ambitieux. Mais il faut garder le sens des proportions. L'emploi en Belgique reste à un niveau historiquement élevé et le chômage à un niveau historiquement bas. Nous restons aussi confrontés à un taux élevé de postes vacants et à de réelles difficultés de recrutement dans de nombreux secteurs.
Ce ralentissement n'est donc pas une raison pour renoncer aux réformes. Au contraire, c'est une raison pour accélérer les réformes de fond, rendre le travail encore plus attractif, réduire les charges sur le travail, moderniser le marché du travail, renforcer la formation et améliorer l'adéquation entre les compétences disponibles et les besoins des entreprises. C'est en menant ces réformes de fond que nous pourrons établir des conditions de concurrence équitables avec les pays voisins et rendre à nouveau les investissements en Belgique plus attractifs.
En ce qui concerne la réforme du chômage, je ne partage pas votre focalisation sur les exclusions. Nous avons réformé un système qui permettait à certaines personnes de rester pendant des années, parfois des décennies, dans l'assurance chômage. Le chômage doit redevenir une protection temporaire en cas de perte d'emploi, assortie d'un retour vers le travail, la formation ou un accompagnement adapté. Dire que le marché du travail ralentit et qu'il faudrait donc maintenir indéfiniment les personnes dans le chômage revient à accepter le renoncement. Je ne partage pas cette analyse.
Quant aux flexi-jobs et au travail étudiant, ils constituent un élément important d'une politique globale. Ils répondent à d'autres besoins: des pics d'activité, des premières expériences professionnelles, des revenus complémentaires et des pénuries ponctuelles. Certes, il ne faut pas en faire le cœur de notre politique de l'emploi, mais il serait tout aussi erroné d'en faire la cause des difficultés structurelles du marché du travail. Les emplois durables ne sont pas créés par les ministres, mais par les entreprises, les indépendants, les associations et les employeurs qui investissent et recrutent. Pour cela, il est important de créer un cadre propice à l'entrepreneuriat, d'être à l'écoute des réalités du terrain et de mener les réformes nécessaires pour renforcer la compétitivité de nos entreprises. C'est ainsi que nous pourrons favoriser la création d'emplois de qualité, permettre à davantage de personnes de participer durablement au marché du travail et construire un tissu économique solide, créateur d'emplois durables.
04.03 Sophie Thémont (PS): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.
Alors rendre le travail plus attractif, là je suis désolée mais on n'a pas la même définition de l'attractivité étant donné qu'il n'y a aucun emploi stable et durable proposé. Vous misez sur les flexi-jobs et le travail étudiant pour afficher quelques chiffres positifs, mais ces statuts ne garantissent ni un emploi stable, ni un revenu suffisant, ni une véritable sécurité professionnelle. En outre, personne ne sait précisément dans quelle mesure il crée réellement de l'activité ou remplace finalement des emplois classiques.
J'aimerais apporter une petite correction à vos propos. Je n'ai jamais dit qu'il fallait laisser les gens au chômage. Ce n’est pas ce que j'ai dit. Comme vous le savez, pendant la législature précédente, avec Pierre-Yves Dermagne, vous avez contribué à créer quelque 300 000 emplois. Aujourd'hui, force est de constater qu'un emploi sur cinq est vacant et que le taux d'emploi n'a pas augmenté. Il est stable et se situe exactement au même niveau qu’en 2024, à savoir 72,8 %. Nous voyons également qu'entre 2025 et 2026, ce taux a progressé de 0,4 %, ce qui correspond à environ 20 000 postes.
Enfin, depuis 2022, les heures qui sont effectivement prestées et les heures rémunérées n'augmentent presque pas non plus, et l'emploi salarié recule. Je suis désolée de le dire, mais il recule depuis plusieurs trimestres. Et dans le secteur privé, la création nette d'emploi est désormais dans le rouge. Ce n’est pas moi qui le dis, c'est écrit noir sur blanc dans la presse. Comme je l'ai dit, on voit que les offres d'emploi diminuent, que l'emploi recule dans les trois Régions. À cet égard, la baisse est particulièrement brutale en Wallonie.
05.01 Caroline Désir (PS): Monsieur le ministre, la loi du 15 mai 2024 a instauré un régime de responsabilité solidaire spécifique pour le secteur du déménagement.
La mise en œuvre de cette loi passe par la création et la gestion d'une banque de données des dettes salariales, qui doit être hébergée au sein du SPF Emploi, auprès de la Direction générale Contrôle des lois sociales. Cette banque de données doit permettre au donneur d'ordre de vérifier ou de signaler l'existence d'infractions en matière de non-paiement des salaires par ses contractants ou sous-traitants avant le début de l'exécution des activités.
Si le donneur d'ordre poursuit sa collaboration avec un contractant ou un sous-traitant malgré des infractions connues et antérieures, il devient alors solidairement responsable des éventuelles dettes salariales pendant toute la durée des activités. Ce régime spécifique est entré en vigueur le 1er juillet 2025, mais il semblerait qu'il ne soit pas encore pleinement effectif.
Monsieur le ministre, pouvez-vous nous indiquer si cette banque de données est aujourd'hui conçue et entièrement opérationnelle? Si oui, combien d'entreprises y ont été inscrites et combien de consultations ont été enregistrées depuis son entrée en vigueur? Dans le cas contraire, quel calendrier est prévu pour la mise en œuvre de cette mesure importante en matière de protection des salaires des travailleurs et des travailleuses?
05.02 David Clarinval, ministre: Madame la députée, la protection de la rémunération des travailleurs constitue évidemment une problématique très importante et requiert toute mon attention. Cela étant, en ce qui concerne spécifiquement la banque de données destinée au contrôle des dettes salariales, je confirme qu'à ce jour, une telle banque de données n'a pas pu être mise en œuvre, et ce pour les raisons suivantes.
Il est d'abord important de noter que le développement et la mise en œuvre d'une telle banque de données, qui découlaient de mesures législatives adoptées sous le gouvernement précédent, impliquaient pour le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale un coût estimé à 1,2 million d'euros pour l'année 2026, auquel devait s'ajouter, à partir de l'année 2027, des frais de maintenance récurrents de 120 000 euros par an.
Par ailleurs, et indépendamment de cet aspect budgétaire important, le régime de responsabilité solidaire salariale en cas d'activité dans le secteur du déménagement, auquel est lié une telle banque de données, impose aux entreprises potentiellement responsables solidairement des charges administratives supplémentaires, à savoir d'importantes obligations d'information et de vérification. En outre, un tel régime de responsabilité solidaire prévoit un système complexe de retenues sur factures à charge de certains responsables solidaires, qui doivent les verser au fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprise.
En plus de ses missions habituelles, cet organisme se verrait donc imposer des charges administratives supplémentaires. Il devrait notamment identifier lui-même les travailleurs concernés par le procès-verbal et auxquels le fonds devrait ensuite verser les sommes retenues. Dans ce cadre, le fonds serait susceptible de devoir demander des informations aux différentes parties concernées et de vérifier que les montants à verser aux travailleurs n'ont pas déjà été payés.
Enfin, et c'est l'élément le plus important à mes yeux, à la suite des vérifications effectuées par mes services, je constate que, s'agissant des procès-verbaux dressés pour non-paiement de la rémunération due dans le secteur du déménagement, lesquels conditionnent, en cas d'infraction récente, l'inscription de l'employeur concerné dans la banque de données ainsi que l'application du régime de responsabilité solidaire salariale, seuls sept procès-verbaux ont été dressés par la Direction générale Contrôle des lois sociales durant la période comprise entre le 1er janvier 2019 et le 9 septembre 2026. Ce qui représente moins d'un procès-verbal par an!
Dès lors, compte tenu du coût susmentionné de 1,2 million d'euros pour le lancement du système, auquel s'ajoutent 120 000 euros de frais annuels de maintenance, des charges administratives imposées aux entreprises et au fonds précité, ainsi que du nombre extrêmement réduit d'infractions constatées dans le secteur par les services d'inspection, la mise en œuvre du régime de responsabilité solidaire salariale dans le secteur du déménagement, et plus particulièrement la création de la banque de données permettant cette mise en œuvre, ne me paraît actuellement ni réaliste ni réalisable.
05.03 Caroline Désir (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie. Je suis quelque peu surprise par votre réponse. Si je vous comprends bien, vous remettez en question l'utilité même de cette loi. Cette réaction m'étonne d'autant plus que cette loi est en vigueur depuis 2025. Vous constatez aujourd'hui des difficultés et un manque de moyens budgétaires, mais ce que vous me dites, au fond, c'est que vous n'en voyez pas réellement l'utilité.
De deux choses l'une. Si cette loi existe, et je pense qu'il faut alors la mettre en œuvre, surtout qu'il s'agit d'une loi qui vise à protéger les travailleuses et les travailleurs d'un secteur où la concurrence déloyale est une réalité importante. Si vous considérez que cette loi est inutile, pourquoi ne pas en proposer l'abrogation? Je dois avouer être quelque peu étonnée par votre réponse, car soit un ministre décide d'appliquer la loi et de dégager les moyens nécessaires à son exécution, soit il estime que cette loi est inutile – même si je ne suis pas d'accord avec vous – et propose de l'abroger. Aujourd'hui, nous semblons plutôt nous trouver dans une forme de no man's land juridique un peu étrange.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
06.01 Sophie Thémont (PS): Madame la présidente, je renvoie au texte de ma question déposée.
Monsieur le Ministre,
Les agence de travail intérimaire et autres
intermédiaires du travail jouent un rôle clé dans la mobilité des travailleurs
et travailleuses à l'intérieur de l'Union Européenne. Dans certains États
membres, les agences d'intérim représentent jusqu'à 10 %, voire davantage, des
travailleurs détachés entrants. Cependant, ils constituent aussi des acteurs
particulièrement à risque en matière d'infractions sociales.
Dans le cadre d'une action d'inspection
ciblée, les autorités chargées du contrôle de quatorze États membres de l'Union
européenne ont collaboré afin de vérifier 70 entreprises et près de 2 800
travailleurs. Les entreprises ont été ciblées en fonction de facteurs de
risques ou de l'existence de plaintes.
La campagne d'inspection a mis en évidence
des infractions grave : non-respect des obligations applicables aux agences
d'intérim, sous-paiement, erreurs ou fraudes dans le traitement des indemnités
et cotisations sociales, faux détachements, travail non déclaré, emploi illégal
de ressortissants de pays tiers, atteintes aux conditions de travail et au
principe d'égalité de traitement.
En Belgique, six entreprises du secteur de
la viande ont été contrôlées, dont quatre entreprises belges et deux
entreprises étrangères. Au total, 29 travailleurs ont fait l'objet d'un
contrôle.
Monsieur le Ministre,
Pouvez‑vous quelles infractions ont été constatées ou sont
actuellement suspectées dans ces quatre entreprises contrôlées ?
Comment les services d'inspection belges
vont-ils se saisir des résultats de cette opération pour identifier de
potentielles campagnes d'inspection à venir ?
Plus concrètement, comment les services
belges d'inspection coordonnent-ils leurs actions avec les autres États membres
et l'Autorité européenne du travail afin de remonter les chaînes de
sous-traitance, d'identifier les employeurs réellement responsables et de
garantir la récupération effective des salaires et cotisations dus ?
Je vous remercie.
06.02 David Clarinval, ministre: Madame la députée, conformément à l'article 58/1 du Code pénal social, l'enquête administrative est confidentielle et les personnes appelées à y collaborer sont tenues au secret professionnel. Il n'est de ce fait pas possible de communiquer à ce stade des informations relatives au contenu, aux constatations et au déroulement des contrôles en cours.
De manière générale, les campagnes coordonnées sous l'égide de l'ELA visent notamment à détecter les infractions liées au détachement des travailleurs, au travail intérimaire transfrontalier, à la déclaration des prestations, au respect des conditions salariales et de travail, ainsi qu'à l'emploi illégal de ressortissants de pays tiers. Les résultats des contrôles constituent une source importante pour l'orientation des actions futures. Ils alimentent l'analyse des risques et permettent d'identifier des phénomènes récurrents, de nouveaux modes opératoires ou schémas de fraude ainsi que des secteurs ou activités présentant des risques particuliers. Combinés à d'autres sources d'informations et aux priorités nationales et européennes, ces enseignements permettent de mieux cibler les contrôles et peuvent conduire à l'organisation de nouvelles campagnes coordonnées. En Belgique, ils alimentent régulièrement également les analyses stratégiques et les priorités du plan d'action du SIRS.
La coopération avec le centre de l'ELA s'appuie notamment sur les CJI, Concerted and Joint Inspections. Des contrôles peuvent être organisés simultanément dans plusieurs États membres ou être menés conjointement, notamment avec la présence d'inspecteurs étrangers en tant qu'observateurs.
En Belgique, le SIRS assure la coordination de ces inspections et l'échange préalable des informations nécessaires avec les autorités concernées. Cette coopération permet aux services d'inspection de mobiliser leur propre base de données afin de vérifier les employeurs, les travailleurs et les chaînes de sous-traitance. Les informations requises sont ensuite partagées entre les États membres afin de compléter les dossiers et, le cas échéant, de permettre des contrôles complémentaires dans le pays d'origine. Au-delà des CJI, d'autres formes de coopération et d'échange d'informations existent également, notamment dans le cadre du Benelux et du franco-belge.
06.03 Sophie Thémont (PS): Je vous remercie.
Je dirais peut-être que cette campagne européenne confirme les risques qui sont évidemment liés au travail intérimaire, mais aussi aux chaînes de sous-traitance.
Nous constatons des situations de sous-paiement, de faux détachements, de travail non déclaré ainsi que des fraudes aux cotisations sociales. Il faut savoir qu'en Belgique, seules six entreprises ont finalement été contrôlées.
Il faudra vraiment veiller à ce que ces contrôles ne restent pas sans suite et que les éventuelles infractions puissent donner lieu à des sanctions, mais aussi au remboursement des salaires dus ainsi qu'au paiement des cotisations sociales qui ont été éludées.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
07.01 Nathalie Muylle (cd&v): Mevrouw de voorzitster, gezien de tijdsdruk verwijs ik naar de tekst van mijn ingediende vraag.
Op 18 juli bereikte de regering in de
ministerraad een akkoord over de annualisering van de arbeidstijd. Het
uitgangspunt daarbij is dat de arbeidsduur niet langer uitsluitend per week
wordt bekeken, maar gemiddeld over een periode van één jaar. Werknemers zouden
daardoor in drukkere periodes meer kunnen werken en in rustigere periodes
minder. De regeling zou bovendien enkel kunnen worden toegepast met het akkoord
van de werknemer.
Tegelijk werd bij het akkoord een
belangrijke randvoorwaarde naar voren geschoven: er werd gevraagd aan de
sociale partners om na te gaan wat de impact van de annualisering op de
koopkracht van werknemers is. Indien uit die analyse zou blijken dat bepaalde
werknemers daadwerkelijk koopkracht verliezen, is het ook aan de sociale
partners om alternatieven voor te stellen om hieraan tegemoet te komen.
In die context heb ik volgende vragen:
Werd deze analyse door de sociale
partners al opgestart, zo ja, wat is de stand van zaken?
Wat is de timing van deze opdracht aan de
sociale partners? Heeft u een deadline opgelegd en zo ja, welke?
Hoe ziet u de timing van de effectieve
invoering van de annualisering van de arbeidstijd? Wanneer verwacht u met een
definitief wetsontwerp naar het parlement te kunnen komen?
07.02 Minister David Clarinval: Mevrouw Muylle, op 18 juli heeft de ministerraad het voorontwerp van wet houdende de annualisering van de arbeidstijd goedgekeurd. Dit voorontwerp van wet voorziet in de invoering van zogenaamde accordeonuurroosters, waarbij een werknemer tot 12 uur per dag en 48 uur per week kan werken, zolang op jaarbasis de normale wekelijkse arbeidsduur op gemiddelde wijze wordt nageleefd. Bij elke betaalperiode heeft de werknemer recht op het gewoon loon voor zijn normale werkelijke arbeidsduur. De werknemer die in deze nieuwe regeling instapt, zal dus een stabiel inkomen hebben, dat op basis van zijn normale wekelijkse arbeidsduur wordt berekend, ongeacht of hij in een bepaalde periode veel of weinig heeft gewerkt.
Het regeerakkoord bepaalt dat de annualisering wordt ingevoerd met het akkoord van de betrokken werknemers, zonder verlies van koopkracht en met de vrije keuze tussen inhaalrust of uitbetaling. In uitvoering hiervan voorziet het voorontwerp van wet dat de annualisering op basis van een individueel akkoord tussen de werkgever en de werknemer kan worden ingevoerd.
De vrije keuze tussen inhaalrust en overloon wordt als volgt gewaarborgd. Een werknemer die kiest voor een annualisering, kiest voor inhaalrust. Deze inhaalrust wordt opgenomen tijdens de weken waarin minder uren worden gepresteerd. Werknemers die niet instappen in het systeem van annualisering, werken elke week hetzelfde aantal uren en ontvangen overloon wanneer zij overuren presteren.
Over de koopkracht is het uitgangspunt van deze regering duidelijk. Annualisering mag niet leiden tot koopkrachtverlies voor de werknemers. We hechten hier bijzonder veel belang aan en willen hiervoor de nodige garanties. Precies daarom werd het ontwerp opnieuw aan de sociale partners voorgelegd. De NAR werd gevraagd om tegen 30 oktober 26 een advies uit te brengen.
Tegelijk is het belangrijk om het debat correct te kaderen. Het spreiden van de arbeidsduur over een jaar is op zich geen nieuw gegeven. Ook vandaag bestaan verschillende systemen waarbij binnen bepaalde grenzen meer uren kunnen worden gepresteerd in drukkere periodes en minder uren in rustigere periodes, zolang de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur over de referteperiode wordt gerespecteerd. Denk bijvoorbeeld aan de kleine flexibiliteit, continue arbeid, glijdende uurroosters of andere nieuwe arbeidsregelingen. Ook binnen deze bestaande systemen geeft de spreiding van de arbeidsduur op zich geen automatisch recht op een bijkomende premie.
Op uw vraag over de verdere timing kan ik kort zijn. Ik heb advies gevraagd aan de NAR, de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO en de Raad van State. Zodra we alle adviezen hebben ontvangen en verwerkt, zal de annualisering opnieuw door de regering besproken worden, met het oog op een tweede lezing in de ministerraad, waarna het dossier in het Parlement kan worden ingediend.
De datum van inwerkingtreding is momenteel vastgesteld op 1 april 2027. De annualisering maakt deel uit van het regeerakkoord en als minister van Werk heb ik me ertoe geëngageerd daaraan loyaal uitvoering te geven. Ik vertrouw erop dat mijn collega's binnen de regering datzelfde engagement delen.
07.03 Nathalie Muylle (cd&v): Dank u wel voor uw uitgebreide antwoord.
Laat mij heel duidelijk zijn: wat u zegt, steunen en volgen we. Als we vandaag een systeem van annualisering invoeren, dan betekent dat niet dat er geen overuren meer kunnen worden gepresteerd. Op basis van een referteperiode kan dat nog perfect. Daarom is dit voor ons een heel correcte analyse. Dat is ook de reden waarom we de eerste lezing hebben gesteund.
De hele discussie over koopkracht kunnen we niet los zien van het debat over de loonnorm dat vandaag binnen de Nationale Arbeidsraad (NAR) gevoerd wordt. Laat mij duidelijk zijn: mijn partij vindt dit een correct ontwerp.
Het incident
is gesloten.
L'incident est clos.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.02 uur.
La réunion publique de commission est levée à 16 h 02.