|
Commissie
voor Justitie |
Commission
de la Justice |
|
van Woensdag 07 oktober 2026 Namiddag ______ |
du Mercredi 07 octobre 2026 Après-midi ______ |
La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 20 et présidée par M. Ismaël Nuino.
De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.20 uur en voorgezeten door de heer Ismaël Nuino.
01.01 Dieter Keuten (VB): Mevrouw de minister, ik wil u wijzen op een wet die blijkbaar vorige week donderdag in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd en die alle overheidsdiensten verplicht om minstens drie gelijkwaardige niet-digitale alternatieven te voorzien. Die wet zal tien dagen na publicatie in werking treden, dus dat gebeurt zeer binnenkort.
Heel specifiek gaat mijn vraag over de procedure rond het betwisten van verkeersboetes. We hebben vastgesteld dat wanneer een burger een verkeersboete ontvangt, er geen papieren formulier meer bij zit om de boete te betwisten. Als hij of zij de boete wil betwisten, moet die persoon een QR-code scannen, naar een website gaan of de telefoon nemen om alsnog een papieren formulier toegestuurd te krijgen. Op die manier worden onze burgers die digitaal minder onderlegd zijn benadeeld.
Ik heb daarover een aantal vragen aan u ingediend. Ik zal ze niet allemaal voorlezen, maar ik hoop wel dat u kunt antwoorden op de vraag of er een inventaris bestaat of in opmaak is. Wanneer zal die inventaris van alle burgergerichte dienstverlening waarvoor deze nieuwe wet een volwaardig niet-digitaal alternatief vereist er komen?
Ten slotte, mevrouw de minister, ben ik heel benieuwd of u de procedure voor het betwisten van verkeersboetes zult verbeteren voor mensen die dat op een analoge manier wensen te doen.
01.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Keuten, uiteraard mag digitalisering niet tot uitsluiting leiden. Dat is een standpunt dat ik deel.
Elke burgergerichte dienst die vandaag via Just-on-web wordt aangeboden, gaat terug op een dienstverlening die ook buiten of naast het digitale kanaal bestaat. Het volstaat echter niet dat het alternatief bestaat, het moet ook vindbaar zijn voor iedereen die het nodig heeft.
Daarom wordt informatie niet alleen online aangeboden, maar ook via de documenten die de burger zelf ontvangt, via telefonisch onthaal en aan de loketten in de gerechtsgebouwen. Een geconsolideerd overzicht van de volledige FOD bestaat vandaag niet in die vorm. Voor het detail per dienst verwijs ik graag naar een mogelijke schriftelijke vraag, waarmee die lijst volledig kan worden opgevraagd.
De beoordelingscriteria voor niet-digitale alternatieven zijn federaal een bevoegdheid van de minister belast met Digitalisering. Het uitgangspunt voor die toepassingen is inclusie by design. Binnen dat kader hanteert Justitie als maatstaf dat een alternatief pas volwaardig is wanneer het tot eenzelfde resultaat kan leiden binnen dezelfde wettelijke termijnen en ook bereikbaar is zonder internettoegang.
Een afzonderlijke doorlichting van alle diensten inzake die maatstaf is er vandaag niet. De toetsing gebeurt per dienst, bij het ontwerp en bij elke aanpassing. Het knelpunt dat zich daarbij het duidelijkst aftekent, is niet het ontbreken van een papieren weg, maar de vindbaarheid ervan. Concreet werd sinds het aantreden van deze regering ingezet op nabijheid en ondersteuning. In de gerechtsgebouwen blijven we voorzien in kiosk-pc's waarmee al een groot deel van de gedigitaliseerde dossiers ter plaatse raadpleegbaar is en waar burgers ook terechtkunnen voor informatie en ondersteuning.
Tot slot kom ik bij de verkeersboetes. Daar bestaan twee volwaardige kanalen. Wie digitaal wil werken, dient zijn betwisting volledig online in via Just-on-web. Wie dat niet kan of niet wil, vraagt telefonisch of schriftelijk per brief een blanco betwistingsformulier aan bij het contactcenter, vult het in en stuurt het vervolgens per post terug. Daarvoor is geen enkele online handeling nodig. Het contactcenter is elke werkdag bereikbaar tussen acht en vijf uur, in vier talen bovendien, en beantwoordt zo jaarlijks tot 350.000 oproepen, met een gemiddelde wachttijd van minder dan een minuut. Betwisting blijft mogelijk zolang de onmiddellijke inning openstaat en niet betaald is. Wie de papieren weg volgt, verliest op die manier dus geen rechten.
Verder is er nog een derde, hybride weg voor wie wel online kan, maar geen itsme of e-ID heeft. Met de unieke code op de boete krijgt men toegang tot het dossier, vult men de gegevens online in en verstuurt men het vooraf ingevulde formulier per post. Die weg voorkomt fouten en onvolledige dossiers, maar is een gemak en geen voorwaarde.
01.03 Dieter Keuten (VB): Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw precieze antwoorden. Graag ga ik in op uw laatste antwoord, maar ik ben even de draad kwijt.
U hebt toegelicht dat er een papieren alternatief bestaat, maar de antwoordtermijn daarvan is vandaag niet gelijkwaardig aan die van de digitale methode. De antwoordtermijn van 30 dagen begint immers te lopen op het moment waarop de boete die men wil betwisten verstuurd wordt. Dus iemand die zijn telefoon neemt en vervolgens een papieren formulier in de brievenbus ontvangt, is per definitie twee, drie of vier werkdagen kwijt. Bijgevolg is dat geen gelijkwaardig alternatief. Het is net die gelijkwaardigheid waar wij voor zullen blijven strijden.
U hebt eerlijk geantwoord dat een doorlichting van uw diensten vandaag ontbreekt. Wij zullen u daarover dus blijven ondervragen. Ik zal binnenkort een schriftelijke vraag indienen om die inventaris bij u op te vragen.
Het is goed dat er een niet-digitaal alternatief bestaat. De vindbaarheid ervan kan volgens u nog wat verbeterd worden, maar u werkt daaraan. We zullen u echter blijven ondervragen over de gelijkwaardigheid van het papieren alternatief.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: Les questions jointes n° 56018237C et n° 56018841C de M. De Smet et Mme Hugon Lecharlier sont mises en suspens et seront traitées en fin de réunion. Il en va de même pour les questions jointes des mêmes auteurs, portant les n° 56018315C, n° 56018325C et n° 56018329C.
La question n° 56018316C de M. De Smet est retirée.
Les questions n° 56018349C, n° 56018474C et n° 56018483C de M. Yzermans sont également mises en suspens en son absence et seront retirées s'il n'est pas là d'ici la fin de la réunion.
Les questions jointes n° 56018361C et n° 56018383C de M. Yzermans et Mme Dillens sont retirées. La question n° 56018643C de M. De Smet est retirée.
02.01 Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, voor de zomer werd het rectoraat van de UGent bezet door vandalen – ik zal het zo maar noemen – die met Palestijnse vlaggen stonden te zwaaien. Na de ontruiming van het rectoraat werden twee van die “actievoerders”, zoals ze worden genoemd, verdacht van gewapende weerspannigheid en geweld tegen de politie. Een agent is daarbij ernstig gewond geraakt. Hij heeft een week in het ziekenhuis doorgebracht.
Volgens berichtgeving in de media werd het onderzoek naar dat geweld geseponeerd, omdat onvoldoende kon worden aangetoond dat de gedragingen van de zogenaamde actievoerders de verwondingen van de politieambtenaar hadden veroorzaakt. Ik heb daar een aantal vragen over, mevrouw de minister.
Ten eerste, klopt het dat het ontbreken van een aantoonbaar oorzakelijk verband met lichamelijk letsel op zichzelf niet volstaat om vervolging wegens weerspannigheid uit te sluiten?
Ten tweede, wilt u via de bevoegde procureur-generaal laten nagaan of in dit dossier weerspannigheid als autonoom misdrijf is beoordeeld, los van de vraag wie de verwondingen heeft veroorzaakt?
Ten derde, als u meent dat vervolging zonder bewezen oorzakelijk verband met die verwondingen juridisch niet mogelijk was, bent u dan bereid om artikel 644 van het nieuwe Strafwetboek aan te passen, zodat ook gewelddadig of bedreigend verzet tegen politieambtenaren, zonder dat er een aantoonbaar letsel is, ondubbelzinnig vervolgd kan worden?
Tot slot, als blijkt dat er wel voldoende aanwijzingen van weerspannigheid waren, maar het dossier uitsluitend wegens het niet-bewezen verband met die verwondingen werd geseponeerd, bent u dan bereid om het parket alsnog de opdracht tot vervolging te geven?
02.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Van Hoecke, uit de wetsbepaling van artikel 269 van het oude Strafwetboek met de strafbaarstelling van weerspannigheid en de rechtsleer daaromtrent, blijkt dat het basismisdrijf weerspannigheid vier constitutieve bestanddelen bevat. Ten eerste, een aanval of verzet met geweld of bedreiging. Ten tweede, gericht tegen een wettelijk beschermde gezagsdrager. Ten derde, handelend in de uitoefening van diens opdracht. Ten vierde, gepleegd met opzet. Lichamelijk letsel maakt geen deel uit van die constitutieve bestanddelen. De constitutieve bestanddelen van het misdrijf weerspannigheid blijven bovendien in artikel 644 van het nieuwe Strafwetboek dezelfde. Het ontbreken van een bewezen oorzakelijk verband tussen de gedragingen van een verdachte en de verwondingen van politieambtenaren vormt daarom geen juridische belemmering voor een vervolging wegens weerspannigheid.
In dit geval bevestigt het openbaar ministerie dat er meerdere processen-verbaal wegens weerspannigheid werden opgesteld en dat die telkens concreet, geval per geval, werden beoordeeld. Uit wat voorafgaand werd gezegd, volgt dus dat een wetswijziging niet noodzakelijk is om gewelddadig of bedreigend verzet zonder aantoonbare letsels strafrechtelijk te vervolgen en dat er in dezen geen grond is om gebruik te maken van mijn positief injunctierecht. Dank u.
02.03 Alexander Van Hoecke (VB): Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. Dat een wetswijziging niet noodzakelijk is, is positief. Dat lichamelijk letsel niet noodzakelijk is om te vervolgen wegens weerspannigheid, is ook positief.
De vraag om uw positief injunctierecht in te zetten, richt zich net op het feit dat, als dat geen constitutief bestanddeel is en er dus geen wetswijziging nodig is, we een heel duidelijk signaal kunnen geven dat we wel effectief zullen vervolgen.
Als ik het goed heb begrepen, is er deze voormiddag een hoorzitting geweest in de commissie voor Binnenlandse Zaken over geweld en verwondingen die politieagenten oplopen tijdens de uitoefening van hun ambt. Welk signaal geven we hier in godsnaam als een politieagent die door zogenaamde actievoerders die het rectoraat van de UGent bezetten het ziekenhuis in is geklopt en daar een week verblijft, terwijl de zaak gewoon geseponeerd wordt, hoewel vervolging wel degelijk mogelijk is? Ik denk dat we daarmee echt een heel fout signaal geven aan onze politieagenten.
Ik vind het dus zeer jammer dat u antwoordt dat vervolging mogelijk is, maar dat u de noodzaak niet inziet om uw positief injunctierecht in te zetten. Ik denk dat het een zeer symbolische zaak is en ik betreur uw antwoord toch wel.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
03.01 Koen Metsu (N-VA): Mevrouw de minister, door een technische panne konden we vorige week mijn vraag, die toch heel belangrijk is, niet behandelen.
Onze veiligheidsdiensten volgen de Moslimbroederschap volgens eerdere antwoorden al geruime tijd op in het kader van hun wettelijke opdrachten inzake extremisme en buitenlandse inmenging. Eerder kon ik van u ook vernemen dat een afzonderlijk Belgisch rapport over de Moslimbroederschap niet nodig werd geacht, omdat de problematiek al werd opgevolgd. Sindsdien is de Europese discussie over de Moslimbroederschap echter geëvolueerd en is ze heel actueel. Vanochtend stelde Europarlementslid Sofie Wilmès nog haar actieplan om de gevaren van de Moslimbroederschap in te dijken, voor.
Frankrijk heeft zijn politieke analyse en veiligheidsanalyse ook verder vertaald naar dat Europese debat over een mogelijke opname van de Moslimbroederschap op de EU-lijst van terroristische organisaties. Het is verontrustend dat België daarbij uitdrukkelijk wordt genoemd als een land waar de beweging over belangrijke netwerken zou beschikken. Ook in het Europees Parlement en daarbuiten heeft die problematiek inmiddels verdere aandacht gekregen.
Tegen die achtergrond acht ik het noodzakelijk om een actuele stand van zaken te vragen, met bijzondere aandacht voor wat er sinds de eerdere antwoorden is gewijzigd.
Heeft de Veiligheid van de Staat sinds uw eerdere antwoorden nieuwe informatie ontvangen van buitenlandse inlichtingen- of veiligheidsdiensten over de Moslimbroederschap, haar Europese koepelorganisaties of aan haar gelieerde netwerken? Zo ja, uit welke landen kwam die informatie en heeft ze geleid tot een gewijzigde Belgische dreigingsinschatting?
Beschikt de Veiligheid van de Staat over actuele informatie over de aanwezigheid en omvang van netwerken die aan de Moslimbroederschap worden gelieerd in België?
Heeft België een nota, standpunt of interne analyse voorbereid in het kader van Europese besprekingen over de opname van de Moslimbroederschap op de EU-lijst van terroristische organisaties?
Hoe beoordeelt u het EP-rapport van 20 november 2025, waarin de Moslimbroederschap wordt omschreven als een gevaar voor de vrede en veiligheid in Europa?
Hebt u kennisgenomen van de op de conferentie over de Moslimbroederschap van 4 maart van dit jaar in het Europees Parlement gepresenteerde analyses en nota's?
03.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Metsu, de Veiligheid van de Staat wisselt uiteraard regelmatig informatie uit over de Moslimbroederschap met haar internationale partners. De informatie die zijn het afgelopen jaar ontving, geeft geen aanleiding tot bijstelling van de dreigingsinschatting. De Moslimbroederschap vormt in Europa en België geen terroristische dreiging.
Op het vlak van extremisme vormt de Moslimbroederschap wel een dreiging, haar ideologie is extremistisch. Het langetermijndoel van de Moslimbroeders is het creëren van een samenleving waarin elk aspect van het leven wordt beheerst door de religieuze norm. Op middellange en korte termijn draagt haar discours bij aan het creëren van een klimaat van segregatie en polarisatie. Dergelijk klimaat vormt op zijn beurt een vruchtbare voedingsbodem voor radicalisering.
Er is eveneens een dreiging van inmenging via entrisme, lobbying en netwerking bij Belgische en Europese instellingen. Leden van de Moslimbroederschap verhullen of ontkennen daarbij het lidmaatschap van de organisatie en stellen zich voor als onafhankelijke entiteit. Het doel daarbij is het beleid te beïnvloeden. Door het gebrek aan transparantie is er ook sprake van inmenging.
In België zijn er verschillende organisaties die structureel tot de strekking van de Moslimbroederschap behoren. Ze zijn actief in de verspreiding van de ideologie en/of lobbying en hebben institutionele of semi-institutionele banden met de internationale, regionale of nationale structuur.
In 2025-2026 deelde de Veiligheid van de Staat haar dreigingsanalyse met diverse vooral Europese partners. Het standpunt dat de Moslimbroederschap geen terroristische dreiging vormt, wordt gedeeld door de meeste Europese inlichtingendiensten.
Het rapport van het Europees Parlement van 20 november, waarnaar u verwijst, verandert niets aan die inschatting van de Veiligheid van de Staat; de beïnvloedingspogingen van de Broederschap zijn voor de Veiligheid van de Staat immers geen nieuw gegeven. De Europese instellingen werden in elk geval gesensibiliseerd.
Uiteraard en vanzelfsprekend zal de Veiligheid van de Staat de Broederschap wel van nabij blijven opvolgen.
03.03 Koen Metsu (N-VA): Bedankt, mevrouw de minister. Ik noteer dat er volgens u geen aanleiding is om de dreigingsanalyse bij te sturen wat extremisme betreft. In hetzelfde antwoord zegt u wel dat de organisatie elk aspect van het leven en het beleid wil beïnvloeden door haar geloofsbelijdenis.
U spreekt over bepaalde organisaties. Dus ik neem aan dat we die ook kennen. Die proberen letterlijk te infiltreren in alle geledingen van onze maatschappij. Het is mijns inziens een keuze om de dreigingsanalyse niet bij te sturen. Ik hoop dat het in de toekomst ook niet nodig zal blijken te zijn.
Ik pleit wel voor absolute waakzaamheid, want onze buurlanden zijn hiermee voortdurend bezig. Het feit dat de kwestie ook bovenaan de Europese agenda staat, zegt wel iets. Laat het duidelijk zijn, ik twijfel absoluut niet aan de vakkundigheid van de Veiligheid van de Staat. Ik hoop enkel dat wij niet oost-Indisch doof zijn voor dat sluipende gevaar.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
Le président: La question n° 56019005C de Mme Dillen est reportée.
04.01 Koen Metsu (N-VA): Mevrouw de minister, omdat ik zo snel mogelijk terug moet naar een andere commissievergadering, verwijs ik naar de tekst van mijn vragen zoals ingediend.
Geachte mevrouw de minister,
De afgelopen jaren tonen aan dat bepaalde
netwerken, organisaties en individuen die in het buitenland in verband worden
gebracht met geweld, radicalisering of extremistische stromingen, steeds vaker
proberen gebruik te maken van de open democratische ruimte binnen Europa om
activiteiten te ontplooien. Zulke activiteiten — of het nu gaat om
conferenties, ontmoetingen, rekruteringsmomenten of ideologische mobilisatie —
kunnen, wanneer ze niet onder passend toezicht staan, een risico vormen voor de
veiligheid en stabiliteit van onze samenleving.
Zo vond recent, op 16 september, in Den
Haag de zogenaamde 'First National Conference' plaats. De officiële website van
de conferentie vermeldt de beweging 'Maydan' als een van de organiserende
organisaties. Deze beweging wordt in verschillende bronnen in verband gebracht
met kringen rond de Moslimbroederschap en met vanuit Turkije opererende
leiders. Volgens berichtgeving wordt Maydan onder meer geleid door Yahya
Moussa, die door de Verenigde Staten werd aangeduid als leider van HASM, een
organisatie die de VS als Foreign Terrorist Organization heeft aangewezen. Deze
figuur was volgens Egyptische autoriteiten ook betrokken bij het beramen van de
aanslag waarbij de Egyptische procureur-generaal Hisham Barakat in 2015 werd
vermoord.
De conferentie in Den Haag is bovendien
niet louter een academische bijeenkomst. Volgens de organisatoren wil men onder
meer voorstellen uitwerken voor de politieke, economische, veiligheids- en
gerechtelijke toekomst van Egypte na een mogelijke politieke machtswissel. Dit
roept de vraag op in welke mate Belgische veiligheidsdiensten zicht hebben op
de aanwezigheid en activiteiten van personen en organisaties die in het
buitenland in verband worden gebracht met extremisme, geweld of terroristische
organisaties.
Mijn vragen zijn de volgende:
1. Beschikt de VSSE over informatie
waaruit blijkt dat personen of netwerken die betrokken zijn bij Maydan, de
Moslimbroederschap of daaraan gelieerde organisaties ook actief zijn in België?
Zo ja, over welke vormen van activiteit gaat het?
2. Is Yahya Moussa ooit in België
geweest, heeft hij ooit contact gehad met personen of organisaties in België,
of beschikt de VSSE over informatie over Belgische personen die met hem of met
Maydan in contact staan? Zo ja, sinds wanneer en in welke context?
3. Heeft u kennis van conferenties,
evenementen of ontmoetingen die in België worden georganiseerd door netwerken,
organisaties of individuen die in verband worden gebracht met geweld,
radicalisering of extremistische stromingen? Zo ja, maakt de VSSE steeds een
voorafgaandelijke evaluatie van dergelijke activiteiten?
4. Heeft de VSSE aanwijzingen dat
personen die verbonden zijn aan Maydan, de Moslimbroederschap of aanverwante
netwerken vanuit Turkije activiteiten ontplooien of contacten onderhouden in
België? Zo ja, welke aard en omvang hebben deze activiteiten?
5. Worden personen die in het buitenland
worden gelinkt aan organisaties die als terroristisch of extremistisch worden
beschouwd, systematisch opgevolgd wanneer zij naar België reizen, hier
bijeenkomsten organiseren of contacten onderhouden met personen of organisaties
in België?
6. In welke mate wisselen de Belgische
veiligheidsdiensten hierover informatie uit met hun Nederlandse en andere
Europese tegenhangers, in het bijzonder wanneer dergelijke netwerken zich
grensoverschrijdend organiseren?
7. Beschikt u over aanwijzingen dat de
conferentie in Den Haag, of gelijkaardige bijeenkomsten in andere Europese
landen, gebruikt worden voor rekrutering, financiering, propaganda,
ideologische beïnvloeding of verdere netwerkvorming?
8. Hoe worden buitenlandse bewegingen of
netwerken die in verband worden gebracht met extremistische stromingen of
geweldsdossiers gescreend wanneer zij activiteiten, bijeenkomsten of
mobilisatiepogingen in België willen ontplooien?
9. Welke controles bestaan er op de
financiering, logistieke ondersteuning en organisatorische structuren van
buitenlandse bewegingen die in België activiteiten willen ontplooien? Wordt
daarbij samengewerkt met de VSSE en de financiële inlichtingendiensten?
10. Is het huidige wettelijke kader
volgens u voldoende om extremistische structuren te verhinderen zich
ongehinderd te organiseren binnen België? Plant de regering bijkomende
maatregelen of verfijningen?
Dank voor uw antwoorden
04.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Metsu, de Veiligheid van de Staat beschikt niet over informatie waaruit zou blijken dat leden van de Maidanbeweging in België zouden verblijven.
Wat de Moslimbroederschap betreft, heeft de Veiligheid van de Staat, zoals ik net ook al zei, in België verschillende organisaties geïdentificeerd die tot die strekking behoren. Ze verspreiden actief de ideologie ervan en/of lobbyen ervoor, hebben institutionele of semi-institutionele banden en houden zich onder meer bezig met religieus onderwijs, conferenties, prediking, fondsenwerving, netwerking en lobbywerk bij instellingen en overheden. Over individuele personen of organisaties doet de Veiligheid van de Staat geen uitspraken, dus ik kan niet verder ingaan op de vragen naar een specifiek individu.
De Veiligheid van de Staat detecteert evenementen die door extremistische individuen of organisaties worden georganiseerd en gaat na of daar een dreiging van uitgaat, bijvoorbeeld een oproep tot geweld of haat. Die informatie wordt gedeeld met nationale partners binnen de Strategie T.E.R. en indien nodig ook met internationale partners.
Leden van de Moslimbroederschap die in België verblijven, onderhouden klaarblijkelijk banden met gelijkgezinde individuen en organisaties in Turkije. Ze reizen er af en toe naartoe voor organisatorische bijeenkomsten of voor onderwijsactiviteiten.
Binnen haar wettelijke opdracht onderzoekt de Staatsveiligheid personen die een dreiging of potentiële dreiging vormen inzake terrorisme of extremisme. Dat gebeurt niet automatisch voor personen die door buitenlandse staten als terrorist worden bestempeld. Soms gebeurt dat immers louter op basis van hun oppositieactiviteiten. Een onderzoek wordt wel geopend wanneer er volgens ons eigen wettelijk kader sprake is van een dreiging of een potentiële dreiging.
Over de Moslimbroederschap wisselt de Staatsveiligheid informatie uit met internationale partners, ook wanneer het over grensoverschrijdende netwerken gaat. Zo weet de dienst dat de Moslimbroederschap conferenties organiseert in de Balkan en Turkije met een risico op rekrutering van nieuwe leden en ook op verspreiding van haar ideologie bij de deelnemers.
Telkens wanneer de Staatsveiligheid evenementen of logistieke, organisatorische of financiële activiteiten van extremistische individuen of organisaties detecteert, gaat ze na of daar een dreiging van uitgaat en deelt ze die informatie ook met internationale partners, onder meer wat betreft de financiering via de CFI binnen de Strategie T.E.R. en desgevallend ook met internationale partners.
04.03 Koen Metsu (N-VA): Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
Le président: Les questions n° 56019059C de M. Hervé Cornillie et n° 56019209C de Mme Sofie Merckx sont reportées à leur demande.
05.01 Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mevrouw de minister, hoorzittingen met de Hoge Raad voor de Justitie of andere organen van de magistratuur zijn soms heel interessant. De hoge raad merkte, overigens niet voor het eerst, in zijn audit op dat bij de publicatie van een vacature eerst voorafgaand advies aan de Inspectie van Financiën moet worden gevraagd. Hij beschrijft de werkwijze als volgt: nadat de minister het vacatureplan heeft goedgekeurd, bezorgt het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie een budgettaire nota aan de Inspectie van Financiën en pas na een gunstig advies wordt de vacature gepubliceerd.
Er moet uiteraard verantwoord worden omgegaan met publieke middelen, maar waarom moet voor de vervanging van een magistraat conform het wettelijk personeelskader en de goedgekeurde personeelsenveloppe telkens opnieuw een individuele controle worden uitgevoerd? Zeker bij een voorzienbaar vertrek zou de procedure toch ruim vooraf moeten kunnen worden opgestart. De extra stappen zorgen volgens de hoge raad voor bijkomende vertraging en administratieve rompslomp.
Ten eerste, op welke precieze wettelijke of reglementaire basis wordt voor de publicatie van een vacature van een magistraat het voorafgaande advies van de Inspectie van Financiën gevraagd? Geldt dat ook bij de eenvoudige vervanging van een magistraat die met pensioen gaat?
Ten tweede, hoeveel vacatureplannen voor magistraten worden jaarlijks aan de Inspectie van Financiën voorgelegd? Hoelang is de gemiddelde doorlooptijd en hoeveel adviezen waren negatief of voorwaardelijk?
Ten derde, acht u de individuele voorafgaande controle nog wenselijk wanneer de plaats past in het wettelijk kader en de nodige kredieten in de personeelsenveloppe beschikbaar zijn? Hoe beoordeelt u die procedure in het licht van de autonomie van de rechterlijke orde en de scheiding der machten?
Tot slot, bent u bereid een vereenvoudigde regeling uit te werken, eventueel samen met uw collega’s - de kwestie valt niet uitsluitend onder uw bevoegdheid -, zodat vervangingsvacatures automatisch of op basis van een vooraf goedgekeurd vacatureplan kunnen worden gepubliceerd, met een globale budgettaire controle en periodieke rapportering?
05.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Van Hecke, het voorafgaande advies van de Inspectie van Financiën vindt zijn grondslag in de wet van 20 mei 2003 over de organisatie van de begroting en de comptabiliteit van de federale Staat en ook in het koninklijk besluit van 20 mei 2022 betreffende de administratieve begrotings- en beheerscontrole. Dat besluit bepaalt dat de inspecteurs de ministers bijstaan in de uitoefening van de administratieve en de begrotingscontrole en dat bepaalde dossiers met een budgettaire of personele impact aan hun advies moeten worden voorgelegd.
De publicatie van vacatures voor magistraten maakt deel uit van de personeelsbeslissingen die aan de controlemechanismen worden onderworpen. Dat geldt in beginsel ook wanneer het gaat om de vervanging van een magistraat die met pensioen gaat. Het betreft daarbij geen beoordeling van de opportuniteit van de benoeming of van de kandidaten, maar wel een controle op de naleving van de begrotings- en beheersregels die van toepassing zijn op alle federale overheidsdiensten.
In 2025 werden 12 publicaties, goed voor 191 vacante plaatsen in het Belgisch Staatsblad, verricht op grond van de door de colleges ingediende vacatureplannen. In 2026 werden tot nu toe al 7 publicaties, goed voor 119 vacante plaatsen, verricht. Er werd door de Inspectie van Financiën geen negatief advies uitgebracht.
De controle door de Inspectie van Financiën moet worden onderscheiden van de constitutioneel gewaarborgde onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. De Inspectie van Financiën spreekt zich niet uit over de inhoud van de rechterlijke functie, de selectie van de kandidaten of de uiteindelijke benoeming van de magistraten. Haar optreden beperkt zich tot de budgettaire en administratieve aspecten van de dossiers.
Dat neemt niet weg dat we moeten blijven onderzoeken op welke manier administratieve procedures efficiënter kunnen worden georganiseerd. De Inspectie van Financiën oefent haar opdrachten uit als een onafhankelijke controle-instantie in het federale stelsel van administratieve en begrotingscontrole. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de minister van Justitie om te bepalen op welke wijze de Inspectie van Financiën haar controleopdracht uitoefent of om categorieën van dossiers aan die controle te onttrekken.
De werking van de Inspectie van Financiën moet worden benaderd vanuit een globale context, waarbij voor alle federale diensten dezelfde beginselen van begrotingsdiscipline, behoorlijk financieel beheer en uniforme controle gelden.
05.03 Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw antwoord.
Zoals ik in mijn vraag ook al heb gezegd, heb ik uiteraard alle begrip voor het feit dat de Inspectie van Financiën haar rol moet spelen. Dat ze zich niet uitspreekt over de opportuniteit van een of andere vervanging of over de inhoud van de vervanging, lijkt mij ook heel evident.
Ik ben ook blij te constateren dat er geen negatieve adviezen werden geformuleerd, maar hoeveel tijd verloren gaat of hoelang het duurt om tot een positief advies te komen, is op dit moment niet duidelijk.
Het blijft toch iets vreemds, omdat het over een andere macht gaat, namelijk de derde macht. Het gaat niet zomaar over een administratie die onder de uitvoerende macht valt.
De vertegenwoordiger van de hoge raad maakte de volgende vergelijking: stel dat aan de Inspectie van Financiën eerst moet worden gevraagd of men tot vervanging mag overgaan van een parlementslid dat stopt. Misschien is het voorbeeld een beetje kort door de bocht, maar het toont wel aan dat de drie machten toch enige autonomie hebben.
Ik neem akte van uw antwoord en ik hoop dat de werkwijze niet tot veel vertraging leidt.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
06.01 Arthur Orlians (Anders.): Mevrouw de minister, u kondigde aan dat er een aparte financiële afdeling zou worden opgericht binnen het federaal parket. De kosten daarvoor werden geraamd op 6 miljoen euro. U kondigde ook aan dat de netto-opbrengst van dat financieel parket, of die financiële afdeling, voor 2026 3,5 miljoen euro ging zijn, voor 2027 zelfs 38 miljoen euro en dat dit tegen 2029 zou oplopen tot een netto-opbrengst van 196 miljoen euro. We zijn nu bijna eind 2026. Mijn vraag is dus heel concreet: waarop zijn die netto-opbrengsten gebaseerd? Loopt dat traject zoals u had voorzien en gepland? Is er voor 2026 inderdaad een netto-opbrengst van ongeveer 3 miljoen euro?
06.02 Minister Annelies Verlinden: Dank u wel, collega Orlians. Voorafgaand wil ik nog even onderstrepen dat ik samen met collega Nuino hoop dat het wetsvoorstel op heel korte termijn in het Parlement kan worden behandeld en dat we ook op korte termijn van start kunnen gaan met het financieel parket als sectie van het federaal parket.
Samen met collega Nuino en de federale procureur bereiden we de opstart intussen grondig voor. Ik ben ervan overtuigd dat dit parket een succes kan worden in de strijd tegen de grote economische en financiële criminaliteit en op die manier ook opbrengsten naar de schatkist zal kunnen doen terugvloeien. De ramingen van de mogelijke opbrengsten zijn opgesteld op basis van bedragen die de strafvervolging op financieel gebied de afgelopen jaren heeft opgeleverd. Uiteraard gaat het hier om een fractie van deze bedragen, aangezien het financieel parket niet alle financiële zaken in heel België zal behandelen. Bovendien gaat het om oplopende bedragen, om rekening te houden met de tijd die nodig is om dit financieel parket op te richten en volledig operationeel te maken.
Er moet ook worden opgemerkt dat dit parket zal worden geïntegreerd in de gehele strafrechtelijke keten. Het optreden moet dus niet als geïsoleerd worden beschouwd, maar wel als een wisselwerking met de onderzoeksrechter en ook de bodemrechters. Vaak kan pas aan het einde van een procedure worden berekend wat er daadwerkelijk dankzij die procedure in beslag is genomen en wat effectief kan worden gerecupereerd. De genoemde cijfers blijven dus een schatting, maar zijn ons inziens wel realistisch, gelet op de praktijkervaringen en de cijfers van de laatste jaren. Ten slotte is het onmogelijk om de cijfers voor 2026 te geven, aangezien de wet tot instelling van het parket nog niet door het Parlement is goedgekeurd.
06.03 Arthur Orlians (Anders.): Dank u wel, mevrouw de minister. U moet het mij vergeven, ik ben nieuw in dit Parlement, maar ik kom nu tot de vaststelling dat de wet nog niet eens goedgekeurd is.
Dat is natuurlijk wel straf als daar wel netto-opbrengsten voor zijn voorzien. Dat de cijfers voor 2026 nog niet kunnen worden meegegeven is logisch, want de cijfers zijn nog niet beschikbaar, maar de wet is ook nog niet goedgekeurd, laat staan dat de aparte financiële afdeling is opgericht. Dan lijkt het mij wel straf om de 38 miljoen euro netto-opbrengst die voor 2027 werd geraamd en voorzien zomaar in uw begroting te laten staan. Als de wet zelfs nog niet is goedgekeurd en de aparte financiële afdeling zelfs nog niet is opgericht, lijkt het mij totaal onrealistisch om een netto-opbrengst van 38 miljoen euro te voorzien in 2027.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: La question n° 56019279C de M. Van Rooy est mise en suspens. La question n° 56019300C de M. Piedboeuf est mise en suspens. Les questions jointes suivantes n° 56019366C et n° 56019367C de M. Ribaudo et n° 56019714C de M. Aouasti sont mises en suspens. Peut-être faudra-t-il réfléchir à nouveau à cette règle qui permet de repousser les questions à la fin de la réunion. En effet, j'ai l'impression que tout le monde essaie de venir seulement à la fin. Les questions n° 56019414C et n° 56019415C de Mme Hugon Lecharlier sont mises en suspens. Les deux questions de M. De Smet portant les n° 56019459C et n° 56019510C le sont également.
07.01 Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, u hebt ongetwijfeld vernomen dat de Brusselse procureur des Konings Moinil twee weken geleden tijdens een gespreksavond georganiseerd door de Franstalige krant Le Soir verklaarde dat een niet nader genoemd Brussels parlementslid met hem contact had opgenomen met de vraag of hij – de procureur – een gedetineerde die het parlementslid in kwestie kende vrij kon helpen te krijgen. De heer Moinil zelf zei over die onthulling: "Bij sommigen in het Brusselse parlement is er sprake van een competentieniveau en wellicht als gevolg daarvan een niveau van integriteit dat me sprakeloos maakt." Iedereen zal zich daar wel bij kunnen aansluiten.
Die verklaring van de heer Moinil doet ernstige vragen rijzen over politieke tussenkomsten in individuele gerechtelijke dossiers. Een tussenkomst van een parlementslid met het oog op de vrijlating van een concrete gedetineerde is bijzonder ernstig en verdient volledige opheldering. Ik heb daar dan ook een aantal vragen over.
Ten eerste, had u vóór de publieke verklaring van de Brusselse procureur des Konings kennis van dat voorval? Zo ja, wanneer en op welke wijze bent u daarvan op de hoogte gebracht? Welke stappen hebt u vervolgens gezet nadat u dat nieuws had vernomen?
Ten tweede, hebt u naar aanleiding van die verklaring meer informatie opgevraagd bij het Brusselse parket of eventueel bij het College van procureurs-generaal? Zo ja, welke informatie hebt u van hen ontvangen? Zo niet, bent u van plan om dat alsnog te doen?
Ten derde, werd of wordt onderzocht of die tussenkomst aanleiding kan geven tot verdere juridische, deontologische of andere stappen? Zo ja, welke?
Ten vierde, hebt u kennis van andere gevallen tijdens deze legislatuur, sinds uw aantreden, waarin politieke mandatarissen rechtstreeks of onrechtstreeks hebben geprobeerd tussen te komen in een individueel strafrechtelijk dossier of druk hebben uitgeoefend op een lid van het openbaar ministerie? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat het en welk gevolg werd daaraan gegeven?
Tot slot, bestaan er binnen het openbaar ministerie richtlijnen of procedures voor de melding en de registratie van dergelijke politieke tussenkomsten? Zo ja, wat zijn die procedures? Zo niet, acht u het wenselijk om die meldingen ook op een structurele manier te registreren?
07.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Van Hoecke, ik heb kennisgenomen van de verklaringen van de procureur des Konings van Brussel, de heer Moinil, via de pers op zondag 27 september 2026. De daaropvolgende dag, maandag dus, heb ik een brief gestuurd naar de procureur-generaal van Brussel met het verzoek daarover verslag uit te brengen.
Dat rapport heb ik ontvangen op 29 september 2026. Daarin wordt gesteld dat er geen sprake zou zijn van een strafbaar feit en dat er derhalve geen aanleiding was om een strafdossier te openen. Aangezien dus werd aangegeven dat de feiten geen misdrijf uitmaken, is de vraag om de naam van het betrokken parlementslid mede te delen niet aan de orde.
Ik ben niet op de hoogte van gevallen van inmenging in een individueel strafdossier of van dossiers die al gekend zijn waarin politieke mandatarissen betrokken zouden zijn bij criminele netwerken en bendevorming, met een weerslag op de publieke veiligheid.
Tot op heden heeft het College van procureurs-generaal geen specifieke richtlijn bepaald met betrekking tot de registratie van eventuele dergelijke inmengingen.
07.03 Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.
Ik ben eerst en vooral tevreden dat u wel degelijk een brief hebt gestuurd naar de procureur-generaal met de vraag om meer opheldering. Dat is ook het enige juiste wat u kunt doen als minister van Justitie wanneer een dergelijk verhaal naar buiten komt. Het is immers echt bijzonder ernstig.
Wat wel zorgen baart, is dat dan wordt gecommuniceerd dat de feiten geen misdrijf uitmaken. We zullen daar toch op een bepaalde manier ernstig aan moeten tillen. In Brussel lachen ze dergelijke zaken altijd weg, zeggend dat de halve wereld Brussel een hellhole noemt, dat de hoofdstad van het land wordt bekeken als een hellhole.
Wat doen diezelfde Brusselse politici echter, die zich kilometers verheven voelen boven de rest van de wereld? Een Brussels parlementslid belt verdorie naar de procureur-generaal om te melden dat hij iemand kent die in de gevangenis zit met de vraag of de procureur-generaal niet kan helpen om de betrokkene vrij te laten. Daarna gingen bepaalde Brusselse parlementsleden de voorbije week zelfs nog klagen over het feit dat de procureur-generaal zijn boekje te buiten is gegaan door dat verhaal te vertellen. Dat zou immers een inperking van de scheiding der machten zijn.
Om de hele mop nog compleet te maken, wat heeft het Brussels Parlement gedaan? Het heeft de deontologische commissie samengeroepen en een advies gegeven, met name een advies aan de parlementsleden met daarin een basisopsomming van wat de scheiding der machten is, dat wat is gebeurd niet mag en dat het logisch is dat de rechterlijke macht in alle onafhankelijkheid haar opdracht moet kunnen uitoefenen.
Ik meen dat dit absoluut wel een strafbaar feit moet zijn. Als politici hebben wij een voorbeeldfunctie. Brussel is niet alleen virtueel maar ook moreel failliet als dat niet kan worden erkend. Als een politicus hier rondloopt in het land en meent dat hij een procureur kan aanspreken om iemand uit de cel te halen, dan mag die politicus voor mij zelf worden vervolgd en zelf in de cel vliegen. Als we tegen dergelijke zaken geen vuist kunnen maken, moeten we er ook niet van schrikken dat het vertrouwen in politici en in de democratie tout court afbrokkelt.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: Les questions n° 56019574C et n° 56019585C de M. Hervé Cornillie, la question n° 56019581C de Mme Kristien Van Vaerenbergh et la question n° 56019591C de Mme Marijke Dillen sont reportées.
08.01 Ismaël Nuino (Les Engagés): Madame la ministre, vous aurez certainement vu, comme moi, la sortie de la présidente de la cour d'appel de Bruxelles qui fait état de la situation complexe à laquelle sa juridiction est confrontée depuis quelque temps. Cela fait évidemment écho à un grand nombre de sorties, en tout cas de cris d'alarme ou d'appels à l'aide du pouvoir judiciaire depuis de nombreux mois. Je ne vais pas vous réinterroger une fois de plus sur la situation du pouvoir judiciaire, nous la connaissons tous et nous savons qu’il est malheureusement extrêmement difficile de trouver des solutions.
La question peut-être plus précise que je souhaitais vous poser concerne la cour d'appel de Bruxelles. Au regard de ce qui a été annoncé, quelles mesures avez-vous déjà prises en faveur de la cour d'appel de Bruxelles, dont l'arriéré et le retard sont assez chroniques? Quelles mesures allez-vous ou souhaitez-vous prendre prochainement?
Avez-vous prévu de rencontrer la présidente de la Cour d'appel pour faire état des difficultés et étudier d'éventuelles solutions? Je rappelle qu’au sein de la chaîne pénale, lorsque le niveau de l'appel est en difficulté, la chaîne pénale doit s'aligner sur le maillon le plus faible. Et si le maillon le plus faible est l'appel, en raison d'un manque de moyens, d'un manque de personnel ou de besoins différents, nous devons pouvoir proposer une solution.
Mon principal objectif avec cette question est de savoir où vous en êtes la cour d'appel de Bruxelles. Quelles sont les pistes sur la table?
08.02 Annelies Verlinden, ministre: La situation de la cour d'appel de Bruxelles est préoccupante et perdure malheureusement depuis de nombreuses années. Le Collège des cours et tribunaux me confirme que les analyses récentes des délais de traitement montrent que l'arriéré judiciaire à la cour d'appel constitue un problème.
Des efforts ont certes été consentis ces dernières années, permettant de réduire le nombre d'affaires pendantes dans les dossiers civils, mais, dans d'autres domaines juridiques, l'arriéré ne cesse de croître. L'arriéré judiciaire est un sujet que j'aborde régulièrement avec le Collège des cours et tribunaux. La situation est en effet inacceptable et il est donc important que nous prenions des mesures au cours de cette législature afin d'améliorer le service rendu aux justiciables.
J'ai dès lors demandé au Collège des cours et tribunaux et à la cour d'appel de Bruxelles de présenter un plan d'action afin de définir une stratégie. Cette demande a été formulée le 30 septembre de l'année dernière et nous avons prévu une rencontre ce mois-ci afin d'examiner le plan d'action proposé par ces deux instances. Le Conseil supérieur de la Justice, qui a réalisé plusieurs audits et formulé des recommandations, sera également présent.
La solution ne réside pas uniquement dans l'augmentation des effectifs et des moyens, mais aussi dans l'optimisation de processus de travail. J'ai bien reçu la demande de budget supplémentaire du premier président de la cour d'appel de Bruxelles. Je tiens à vous rappeler que, sous la précédente législature, une augmentation des effectifs a déjà été prévue pour la cour d'appel de Bruxelles.
Au total, cette augmentation portait sur neuf conseillers et sept greffiers. Un budget a également été prévu pour ces fonctions, ainsi que pour quatre greffiers et huit assistants. Il s'agit donc au total d'un renforcement de 28 équivalents temps plein.
Les besoins en personnel au sein de l'ordre judiciaire sont déterminés en étroite concertation avec le pouvoir judiciaire lui-même. Il appartient notamment au Collège, dans la limite des moyens disponibles, de fixer les priorités, de recenser les besoins et d'établir des plans de recrutement. Je tiens par ailleurs à préciser que la cour d'appel de Bruxelles n'est pas exclue du régime des cadres de personnel flexible tel que prévu à l'article 186 du Code judiciaire.
Cet article prévoit cependant une mesure de protection spécifique pour certaines juridictions, qui empêche toute réduction de l'effectif existant. Cela ne signifie toutefois pas que cet effectif ne puisse pas être augmenté grâce au système des cadres flexibles. Il ne s'agit donc pas d'une exclusion du système des cadres flexibles, mais d'une garantie empêchant que les effectifs ne descendent en dessous du niveau fixé par la loi.
Je réaffirme que le traitement de l'arriéré judiciaire est pour moi une priorité qui nécessite une approche globale tenant compte non seulement des effectifs, mais aussi de l'organisation, de la numérisation des processus de travail, de l'évaluation de la charge de travail et de la répartition des moyens disponibles au sein de l'ordre judiciaire.
Ce gouvernement continue d'investir dans la modernisation de la justice et dans une utilisation plus efficace des ressources humaines disponibles. Par ailleurs, nous examinons en permanence comment affecter au mieux les capacités disponibles afin de garantir la continuité de l'administration de la justice. Cette question fait l'objet d'un suivi prioritaire.
08.03 Khalil Aouasti (PS): Monsieur le président, il est compliqué de se partager entre des commissions qui se tiennent au Forum et ici. Mme la ministre a répondu à ma question et j'ai assisté à l'essentiel de sa réponse.
Madame la ministre, indépendamment de la question des cadres flexibles, il y a ici un besoin criant qui vous est exprimé. On peut dire que ces fonctions ne sont pas exclues du mécanisme des cadres flexibles et qu'il existe donc une possibilité de les renforcer. La cour d'appel compte près de 5 000 dossiers en cours, avec des affaires pour lesquelles les audiences d'introduction sont fixées à un an et demi.
Quelle que soit l'opinion politique ou le parti auquel on appartient, on ne peut pas considérer qu'une justice efficace fixe une audience d'introduction à un an et demi. Il faut donc apporter une réponse rapide à une situation qui commence à devenir désastreuse.
Le cadre de la cour d'appel concerne tant le civil que le pénal. Pas plus tard qu'hier, il nous a été indiqué que, rien qu'en matière de stupéfiants, le nombre de dossiers à l'instruction avait doublé en un an. Cela signifie que la chambre des mises en accusation sera davantage sollicitée. Cela signifie également que, dans le cadre de la réforme de l'opposition et de l'appel, nous risquons de voir arriver un nombre important d'appels dans toute une série de dossiers correctionnels. Les chambres correctionnelles de la cour d'appel risquent donc d'être totalement saturées.
Nous connaissons également la situation des questions fiscales en première instance et la charge de travail qui pèse sur les chambres fiscales. Nous savons aussi que les grands procès d'assises mobilisent une capacité judiciaire importante et qu'ils absorbent des moyens qui ne peuvent dès lors plus être affectés à la cour d'appel de Bruxelles.
Dès lors, la question n'est pas seulement d'examiner si les cadres flexibles permettent un renforcement temporaire. La véritable question est de savoir quelle réponse urgente peut être apportée à une situation qui devient absolument explosive.
08.04 Ismaël Nuino (Les Engagés): Je remercie la ministre pour sa réponse, pour le dialogue ainsi que pour la volonté de trouver une solution, qui a été évoquée et sur laquelle un point sera fait prochainement, si j'ai bien compris.
J'ai également bien entendu que Bruxelles n'était évidemment pas exclue du mécanisme des cadres flexibles. Vous avez rappelé le mécanisme qui permet de protéger Bruxelles, entre autres, pour avoir un seuil de cadres.
Bien que par principe, Bruxelles ne soit pas exclue, il semblerait pour l'instant qu'en ce qui concerne la cour d'appel, Bruxelles ne reçoive pas forcément de magistrats dans le cadre de ce cadre flexible.
Cela doit nous amener à nous poser des questions sur la manière dont ce cadre flexible est organisé et sur la façon dont ces moyens sont répartis par le siège, évidemment toujours dans le respect de l'indépendance et de l'autonomie en vigueur. C'est important. Je pense cependant que nous devons, au niveau du Parlement, mieux comprendre comment ces moyens sont répartis. Nous savons qu'ils sont limités, comme partout, mais ils doivent aussi permettre de soutenir des juridictions qui font face à des problèmes très spécifiques. Outre la question de l'arriéré judiciaire, la cour d'appel de Bruxelles connaît des dossiers particulièrement complexes et spécifiques en Belgique.
Cette question des cadres flexibles et de la manière dont ils sont répartis mériterait d'être creusée. Je salue néanmoins le travail effectué afin de tenter de trouver une solution à un problème qui, faut-il le rappeler, ne date pas d'hier. Je vous remercie pour votre réponse.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
09.01 Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, de voormalige leider van de islamistische terreurgroep Sharia4Belgium, Fouad Belkacem, vraagt asiel aan in België, luidde het nieuws vorige week. Volgend jaar kan Belkacem namelijk vrijkomen uit de gevangenis en kan hij worden overgeleverd aan Marokko, aangezien hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. Om dat te vermijden, hoopt hij via het recht op asiel in België te kunnen verblijven.
Ondertussen hebben we vernomen dat zijn asielaanvraag afgewezen werd door het CGVS, hetgeen alleszins een goede zaak is. Daarnaast verschenen er ook berichten dat Belkacem tijdens zijn detentie al meermaals tijdelijk de gevangenis mocht verlaten. Ik heb daar heel ernstige vragen bij gelet op zijn veroordeling voor terrorisme en de geplande verwijdering naar Marokko, als we de regering tenminste mogen geloven.
Mevrouw de minister, ten eerste, klopt het dat Belkacem tijdens zijn detentie al een paar keer een uitgaansvergunning of andere strafuitvoeringsmodaliteiten heeft verkregen, waarbij hij tijdelijk de gevangenis mocht verlaten? Zo ja, om welke modaliteiten ging dat precies? Wanneer zijn die voor het eerst toegekend en hoe vaak heeft hij hiervan inmiddels gebruikgemaakt? Heel belangrijk, welke adviezen werden hierover uitgebracht door het openbaar ministerie en andere bevoegde diensten?
Ten tweede, klopt het dat de Marokkaanse autoriteiten tot nu toe altijd hebben geweigerd om personen terug te nemen die in België veroordeeld zijn voor terroristische misdrijven? Zo ja, om hoeveel dossiers ging het de afgelopen vijf jaar? Welke officiële redenen gaf Marokko telkens voor zijn weigering om die onderdanen terug te nemen?
Ten derde, heeft de Belgische Staat sinds de veroordeling van Belkacem enig bedrag aan hem betaald? Ik vraag het maar voor de zekerheid, aangezien we dat in het verleden ook hebben gezien bij veroordeelde terroristen, onder meer naar aanleiding van bijvoorbeeld gerechtelijke procedures, schadevergoedingen, rechtsplegingsvergoedingen of verbeurde dwangsommen? Als dat het geval is, om welke bedragen en procedures ging het?
Ten vierde, hebben u en uw diensten of andere leden van de federale regering al contact opgenomen met de Marokkaanse autoriteiten met het oog op de terugkeer of verwijdering van Belkacem na het einde van zijn gevangenisstraf? Zo ja, wanneer vonden die contacten plaats? Wat was het resultaat daarvan? Heeft Marokko al bevestigd dat het hem zal terugnemen?
Tot slot, welke concrete stappen worden momenteel genomen om ervoor te zorgen dat, indien Belkacem geen recht op internationale bescherming verkrijgt, hetgeen bevestigd zou zijn, en zijn detentie binnenkort eindigt, zijn verwijdering naar Marokko ook daadwerkelijk kan worden uitgevoerd?
09.02 Minister Annelies Verlinden: Dank u wel, collega Van Hoecke, wat uw vraag over de verblijfssituatie van de heer Belkacem betreft, we hebben inderdaad vernomen dat de asielaanvraag werd geweigerd.
Wat het verloop van de detentie betreft, kan ik u bevestigen dat de detentie van de heer Belkacem is gestart in 2012 en dat hem vanaf 2025 uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven zijn toegekend, altijd met positief advies van de gevangenisdirectie en overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2006 betreffende de rechtspositie van de veroordeelde.
De juridische dienst van de FOD Justitie beschikt niet over informatie waaruit zou blijken dat aan de heer Belkacem vergoedingen van welke aard ook zijn uitbetaald. Er werden geen procedures aangespannen tegen de Belgische Staat of de FOD Justitie.
Wat het aantal veroordeelden voor terroristische misdrijven in de gevangenissen betreft, blijkt uit de beschikbare cijfers op 1 oktober dat momenteel 62 personen die voor terrorisme werden veroordeeld, in de Belgische penitentiaire inrichtingen verblijven. Van hen hebben er al 47 de datum bereikt waarop ze voorwaardelijk vrij zouden kunnen komen.
Wat de vooruitzichten op vrijlating of toekenning van andere strafuitvoeringsbepalingen van personen die veroordeeld zijn voor terroristische misdrijven, betreft, herinner ik u eraan dat het aan de strafuitvoeringsrechtbank toekomt om een beslissing te nemen over het al dan niet toekennen van dergelijke bepalingen. Personen die veroordeeld zijn voor terroristische misdrijven, zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de noodmaatregelen om de overbevolking aan te pakken, zoals bepaald in de wetten van 18 juli 2025 en 22 juli 2026.
09.03 Alexander Van Hoecke (VB): Ik ben eigenlijk allesbehalve gerustgesteld. We hebben vorige week gehoord dat Belkacem geen asiel krijgt, maar iedereen weet toch dat hiermee de zaak niet gesloten is. Binnenkort komt die jihadist, die ons het liefst allemaal de keel over zou snijden, op vrije voeten. Dat wisten we al vanaf de eerste dag; dat weet uw regering al vanaf de eerste dag, asielaanvraag of niet. Dat weet u niet sinds vorige week, dat weet u al sinds de eerste dag van uw aantreden.
Toch komt er geen antwoord op de simpele vraag of er nu wel of geen afspraken met Marokko zijn om hem na zijn uitzetting terug te nemen. Wat is er gebeurd? Zijn ear onderhandelingen over gevoerd? Hebt u de afgelopen jaren iets gedaan op dat vlak? Heeft de regering iets gedaan op dat vlak? Begrijp ik het echt goed dat er geen concreet plan is en dat we wel zullen zien op het moment dat hij de gevangenisdeuren achter zich dichttrekt? Die man is op dat moment vrij. We hebben geen enkel middel om hem hier van straat te houden.
Ik zal de vragen waarop niet geantwoord is, opnieuw indienen, want ik vind het echt heel fundamenteel. U kunt ervan op aan, mevrouw de minister, dat we het dossier niet laten vallen tot Belkacem in een cel zit, definitief opgesloten in Marokko.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
De voorzitter: De samengevoegde vragen nrs. 56019624C en 56019625C van mevrouw Dillen worden op haar verzoek uitgesteld.
La question n° 56019632C de Mme Hugon Lecharlier est reportée à sa demande. La question n° 56019645C de M. De Smet est en suspens.
Vraag nr. 56019711C van mevrouw Dillen wordt op haar verzoek uitgesteld. Vraag nr. 56019738C van de heer Matheï wordt op zijn verzoek uitgesteld.
10.01 Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, in Brugge loopt een proces tegen de Irakees Ismaïl A, woonachtig in een sociale woonwijk in het West-Vlaamse Koksijde. Het federaal parket beschouwt die 40-jarige Irakees als een terreurverdachte. Hij zou niet alleen lid zijn geweest van Al Qaida in 2004 en 2005. Bovendien werden er via speurwerk in de Verenigde Staten in laboratoria van de FBI vingerafdrukken van hem gevonden bij een aanslag in Bagdad, waarbij in 2005 minstens één dode viel. Een anonieme getuige zou Ismaïl A ook gelinkt hebben aan een aanslag die eveneens plaatsvond in 2005 in een moskee in Bagdad, waarbij mensen werden beschoten. Een jaar later werd in de woonwijk van dezelfde Ismaïl A in Bagdad een bom die in een vuilnisbak verstopt zat, ontmanteld en op de tape rond de bom werden opnieuw – u kunt het wel raden - zijn vingerafdrukken gevonden.
Daarna kwam Ismaïl A in ons land terecht en werd hij in 2021 uiteindelijk gearresteerd in Koksijde. Tot mei 2023 zat hij in de gevangenis, waarna - ik vind dit onvoorstelbaar voor een terreurverdachte - werd beslist om hem in voorhechtenis met elektronisch toezicht te plaatsen. Begin februari moest hij zich voor de eerste keer voor de correctionele rechtbank in Brugge verantwoorden, zowel voor de bom in een vuilnisbak in Bagdad als voor het lidmaatschap van een terroristische organisatie. Het federaal parket vordert 12 jaar cel.
Mevrouw de minister, ten eerste, kunt u verduidelijken wanneer, op welke wijze en op basis van welk verblijfstatuut de man België is binnengekomen? Heeft hij in België internationale bescherming of een andere verblijfsvergunning aangevraagd of verkregen?
Ten tweede, werd die man bij zijn binnenkomst of bij de behandeling van zijn verblijfs- of asieldossier gescreend door de bevoegde veiligheids- of inlichtingendiensten? Zo ja, wat was het resultaat daarvan en waren er toen al aanwijzingen van banden met Al Qaida? Ik heb een dergelijke vraag al vaker moeten stellen.
Ten derde, wanneer ontvingen de Belgische autoriteiten voor het eerst informatie waaruit bleek dat die man mogelijks lid was van Al Qaida en terroristische feiten zou hebben gepleegd in Irak? Van welke buitenlandse autoriteit kwam die informatie?
Ten vierde, kunt u verduidelijken hoelang die man op het ogenblik van de ontvangst van die buitenlandse informatie al in België verbleef en of er vóór 2021 al informatie of signalementen waren over die terreurverdachte?
Ten vijfde, ook niet onbelangrijk, is de man in het bezit van de Belgische nationaliteit? Zo ja, wanneer heeft hij die verworven? Heeft het parket naast die 12 jaar cel ook de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit gevorderd? Ik heb daarvan niets teruggevonden in de berichtgeving.
Ten zesde, als hij definitief wordt veroordeeld en niet meer over de Belgische nationaliteit beschikt, zal de regering dan alles in het werk stellen om hem uit België te verwijderen na de uitvoering van de straf en hem terugsturen naar Irak? Net zoals ik u daarnet al vroeg met betrekking tot de heer Belkacem, hebt u hierover reeds contacten gehad met de Iraakse autoriteiten?
10.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Van Hoecke, voor uw vragen over het verblijfstatuut van Ismaël A. en de behandeling van zijn asieldossier moet ik u verwijzen naar mijn collega, de minister van Asiel en Migratie.
Het aanvankelijke pv in casu dateert van 8 mei 2020. Het dossier werd op dezelfde dag gefederaliseerd en verschillende opdrachten werden uitgeschreven. Op 4 november 2020 werd het gerechtelijk onderzoek gevorderd. De betrokkene werd gedagvaard voor poging tot terroristische moord en deelname aan de activiteiten van een terroristische groep. Er vielen geen dodelijke slachtoffers. Voor de feiten van 2006 werd de betrokkene niet vervolgd wegens onvoldoende bewijzen. De identificatie van de betrokkene gebeurde door Europol. De zaak werd op de zitting van 28 september van dit jaar in beraad genomen en het vonnis wordt verwacht op 9 november.
Zoals u weet, kan ik niet ingaan op een individuele zaak en kan ik u derhalve geen bijzonderheden meedelen betreffende zijn nationaliteit. Procedures tot vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit overeenkomstig de artikelen 23 en 23/1 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit worden steeds gevorderd door het OM en uitgesproken door de rechter. Bij de procedure op basis van artikel 23/2 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit moet de rechter zich sinds 1 september ambtshalve uitspreken over de vervallenverklaring, zonder dat het OM dat hoeft te vorderen, zoals we de bepaling ter zake hebben aangepast. De rechter kan bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis beslissen de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit niet uit te spreken, indien de gevolgen daarvan kennelijk onredelijk of onevenredig zouden zijn.
Artikel 23/2 gaat over de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit die verbonden wordt aan een veroordeling voor een terroristisch misdrijf. De beoordeling van de vraag of een vervallenverklaring aan de orde is, gebeurt dus steeds door de rechterlijke macht en valt buiten mijn bevoegdheid.
10.03 Alexander Van Hoecke (VB): Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. Heel veel vragen zijn natuurlijk niet beantwoord. Wat mij vooral interesseert, is hoe die man in godsnaam in ons land terecht is gekomen.
Ik vrees dat de screening wel degelijk gebrekkig is verlopen. We hebben al heel vaak gevraagd om personen die uit Syrië of Irak komen, zeker te screenen. Het is niet de eerste keer dat een zogenaamde vluchteling of asielzoeker een terroristisch verleden blijkt te hebben. We hebben een jaar of twee geleden nog een heel dossier gehad over verschillende Syriërs die actief waren geweest bij IS en hier vandaag gewoon rondlopen, vaak op onze kosten trouwens, in een sociale woonwijk, net zoals de man in mijn vraag.
Ik ben dus zeer benieuwd naar de voorgeschiedenis van het dossier. Het is de zoveelste reden om iedereen die hier destijds is toegekomen, opnieuw en retroactief te screenen. Er zullen nog Ismaël A’s rondlopen in het land.
Met de vragen over zijn nationaliteit en hoe hij in het land is geraakt, ga ik naar de minister van Asiel en Migratie. Ik hoop dat daar dan wel een duidelijk antwoord op komt.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
11.01 Alexander Van Hoecke (VB): In Wallonië wordt opnieuw geprotesteerd tegen de
besparingen in het Franstalig onderwijs. Het geweld dat daarbij opdook, moet
niet onderdoen voor de beelden die ons de afgelopen dagen uit Frankrijk
bereikten. Agenten die met stenen en vuurwerk worden bekogeld, pogingen tot
inbraak, vandalisme en brandstichting.
Sommige leerlingen geven zelf aan dat er
extreemlinkse relschoppers die geen scholieren zijn zich mengen onder het
protest om onrust te stoken. De taferelen die volgen zijn herkenbaar en zien we
bij talloze protesten opduiken: in het zwartgeklede relschoppers met
bivakmutsen die het protest aanstoken, vandalisme plegen en de politie viseren.
Zij zouden jongeren ook aansporen hetzelfde te doen en tips uitdelen over hoe
ze onherkenbaar kunnen blijven en de politie moeten aanvallen.
Er vonden verschillende aanhoudingen
plaats.
Kan u een overzicht geven van het aantal
administratieve en gerechtelijke aanhoudingen die sinds de start van de
protesten hebben plaatsgevonden? Hoeveel individuen die respectievelijk
administratief en gerechtelijk zijn aangehouden waren minderjarig?
Hoeveel van de gerechtelijk aangehouden
personen waren al gekend bij politie of gerecht voor eerdere feiten? Hoeveel
waren al eerder betrokken bij gewelddadige betogingen, rellen of geweld tegen
politieagenten?
Werden er al personen effectief ingeleid
in de procedure van onmiddellijke verschijning? Zo ja, hoeveel, voor welke
feiten werden zij vervolgd en hoeveel van hen zijn inmiddels veroordeeld?
Waren er onder de aanhoudingen personen
die niet de Belgische nationaliteit hadden? Zo ja, hoeveel en over welke
nationaliteit beschikten zij?
Beschikt u over informatie dat
georganiseerde extreemlinkse activisten of groeperingen zich bewust onder de
scholierenprotesten hebben gemengd om geweld uit te lokken of aan te moedigen?
Is bekend of via sociale media, besloten
chatgroepen of andere communicatiekanalen vooraf werd opgeroepen om naar deze
protesten af te zakken met het oog op confrontaties met de politie? Wordt
onderzocht wie dergelijke oproepen heeft verspreid?
De Franse minister van Justitie gaf
vorige week aan dat hij de ouders wil laten betalen voor de schade. Hij heeft
aan de procureurs gevraagd om de ouders burgerrechtelijk aansprakelijk te
stellen. Bent u dezelfde mening toegedaan en zal u eenzelfde initiatief nemen?
Hoe groot is de tot dusver geraamde
materiële schade als gevolg van deze rellen, zowel aan publieke als private
eigendommen?
11.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Van Hoecke, sinds de start van de recente leerlingen- en studentenprotesten hebben in Wallonië verschillende manifestaties plaatsgevonden waarbij de politie naar aanleiding van ordeverstoringen en strafbare feiten arrestaties heeft moeten verrichten. Ik geef u de informatie die ik tot op heden heb ontvangen.
Op 2 oktober werden in Luik, Charleroi en Namen samen 64 administratieve en 9 gerechtelijke arrestaties verricht. Op 6 oktober werden in Luik bijkomend 32 personen gearresteerd. De juridische kwalificatie van deze arrestaties moet nog worden geverifieerd. U vroeg naar het aantal minderjarigen, mijn diensten beschikken momenteel niet over gevalideerde cijfers. Voor gedetailleerdere statistieken kunt u steeds een schriftelijke vraag indienen.
Ik wens te onderstrepen dat, overeenkomstig mijn informatie, en ik spreek hier ook onder de controle van de minister van Binnenlandse Zaken, het politieoptreden erop gericht was de openbare orde te herstellen en te handhaven, de veiligheid van de deelnemers en de omstaanders te waarborgen en op te treden tegen feiten van geweld, vernieling en andere strafbare gedragingen die in de marge van bepaalde manifestaties gebeurden. Op 6 oktober raakten bovendien ongeveer 20 politiemedewerkers lichtgewond tijdens de tussenkomsten. Geweld tegen ordediensten, tegen mensen die ons beschermen, veroordeel ik ten strengste. Het is simpelweg onaanvaardbaar, zoals we deze week ook nog zagen, met de lancering van de documentaire binnenkort op VRT.
U vroeg naar het onderzoek. Dat loopt momenteel nog. Het is dan ook nog te vroeg om uitspraken te doen over de mogelijke betrokkenheid van extremistische groeperingen bij de acties. Op basis van de momenteel beschikbare informatie kan ik toelichten dat via sociale media werd opgeroepen om deel te nemen aan die manifestaties. De gesignaleerde oproepen waren voornamelijk afkomstig uit studentenkringen en hadden betrekking op de mobilisatie van de aangekondigde manifestaties.
Er zijn momenteel geen gevalideerde elementen waaruit blijkt dat expliciet werd opgeroepen tot confrontatie met de politiediensten, maar uiteraard loopt het onderzoek nog. Het is dus niet uitgesloten en mogelijk ook denkbaar dat de protestbeweging geïnfiltreerd en geïnstrumentaliseerd werd of wordt door links-extremistische groepen of personen, maar dat wordt dus verder onderzocht door de bevoegde diensten. Daarover kan ik vandaag geen bevestiging geven.
11.03 Alexander Van Hoecke (VB): U hebt een aantal cijfers gegeven. U zegt dat het onderzoek nog loopt. Ik ga het hier niet onder stoelen of banken steken. Ik ben sinds enkele dagen razend, eigenlijk al sinds vorige week, over wat hier opnieuw, voor de zoveelste keer en op dit eigenste moment gebeurt, niet alleen hier, maar ook in Frankrijk.
We kunnen dan blijven zeggen, zoals elk jaar met nieuwjaar en bij een voetbalmatch, dat we het verschrikkelijk schandalig vinden en dat het allemaal niet door de beugel kan. Waarschijnlijk zullen nog een paar onnozelaars - sorry voor het woordgebruik - beweren dat het te maken heeft met de besparingen in het onderwijs.
Denkt er hier iemand oprecht dat dat tuig iets geeft om de staat van het onderwijs? Ik kan maar één ding zeggen en dat is dat mijn maag zich hiervan omdraait. We krijgen hier altijd hetzelfde antwoord en hebben altijd dezelfde reactie. Dat is ook niet de eerste keer. Ik heb het al gezegd, met nieuwjaar is het altijd hetzelfde verhaal. En het is altijd extreemlinks crapuul dat onze samenleving volledig kapot wil maken, hand in hand met een volledige generatie aan allochtoon tuig dat alle kansen heeft gekregen in onze samenleving. Hand in hand steken ze de boel in brand en veroorzaken ze keer op keer hetzelfde.
Ik zal u voorspellen wat er hier de komende dagen en weken weer gaat gebeuren. Misschien komt er vanuit de meerderheid een initiatief om hierover zelfs hoorzittingen te organiseren, over het gebrek aan perspectieven en de oorzaken van dat geweld. Maar het is altijd hetzelfde. Het enige perspectief dat wij moeten geven, krijgt natuurlijk niemand over zijn lippen en dat frustreert mij echt oprecht mateloos. Sorry dat ik daar zo emotioneel over doe, maar het enige perspectief dat wij moeten geven, is dat die ouders geen cent kindergeld meer mogen ontvangen en dat ze moeten opdraaien voor alle kosten, want u hebt ook niet geantwoord op de vraag wat nu eigenlijk de totale geschatte kostprijs is van wat we de afgelopen week al hebben gezien. En vooral, als ze de dubbele nationaliteit hebben, moeten ze onmiddellijk ook de Belgische nationaliteit kunnen verliezen en mogen ze wat mij betreft terug naar hun land van herkomst worden gestuurd.
Als uit uw onderzoek blijkt – en dat zal blijken als u dat onderzoek goed doet – dat extreemlinkse organisaties zoals Antifa betrokken zijn bij die rellen, neem dan alstublieft ook uw verantwoordelijkheid als voltallige regering en zet die organisaties eindelijk op de terrorismelijst. Behandel hen eindelijk voor wat ze zijn: een bende terroristen.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: Chers collègues, la prochaine question est normalement la question n° 56019789C de M. Niels Tas, qui n'est pas là non plus.
Comme à notre habitude, nous allons reprendre les questions qui n'ont pas été traitées dans l'ordre. Cette fois-ci, si l'orateur n'est pas présent au moment de l'appel de son nom, j'appliquerai l'article 124.9, qui me permet de considérer les questions comme retirées. Même si nous essayons d'être flexibles en commission de la Justice, nous devons tout de même respecter un certain ordre dans la manière dont nous traitons les questions, pour éviter que tout le monde se dise qu'il peut juste venir à la fin pour poser ses questions, bien que je comprenne les obligations de chacun.
Sont donc
retirées: la question n° 56017920C de M. Alain Yzermans, les
questions jointes no 56018237C de M. François De Smet
et n° 56018841C de Mme Claire Hugon Lecharlier, les questions
jointes no 56018315C de M. François De Smet et nos 56018325C
et 56018329C de Mme Claire Hugon Lecharlier, la question n° 56018316C
de M. François De Smet, les questions nos 56018349C,
56018474C et 56018483C de M. Alain Yzermans, les questions jointes
n° 56018361C de M. Alain Yzermans et n° 56018383C de Mme Marijke
Dillen ainsi que la question n° 56018643C de M. François De Smet.
12.01 Sam Van Rooy (VB): Minister, een voormalige Brusselse politica speelt een sleutelrol in de repressie van de Turkse LGBTQ-gemeenschap. Zo lazen we in de pers. Een gehoofddoekte Turkse moslima was eerst jarenlang Brussels parlementslid voor de Waalse christendemocraten, cdH, Les Engagés. Vandaag jaagt ze, kennelijk nog steeds als Belgisch onderdaan, homoseksuelen op in Turkije als minister van de islamitische tiran Erdogan.
Minister, klopt het dat ze nog altijd Belgisch onderdaan is? Zo ja, hoe is dat mogelijk? Vindt u dat haar Belgische nationaliteit zou moeten worden ingetrokken? Is dat überhaupt mogelijk? Ik hoop van wel. Kunt en wilt u ter zake iets ondernemen?
12.02 Minister Annelies Verlinden: Wat de concrete casus betreft, collega Van Rooy, moet ik beklemtonen dat ik, zoals u weet, niet kan ingaan op een individuele zaak. Procedures tot vervallenverklaring overeenkomstig de artikelen van het Wetboek Belgische Nationaliteit (WBN) worden altijd gevorderd door het openbaar ministerie en uitgesproken door de rechter. Bij de procedures op basis van het nieuwe artikel 23.2 moet de rechter zich sinds 1 september ambtshalve uitspreken, zonder dat het openbaar ministerie de vervallenverklaring moet vorderen.
Ik kan daar dus niet in tussenbeide komen. Ik wijs op het principe van de scheiding der machten. De beoordeling van een dergelijke vraag gebeurt door de rechterlijke macht en wordt aan het oordeel van de rechterlijke macht overgelaten.
12.03 Sam Van Rooy (VB): Minister, dank u voor uw antwoord. Ik begrijp dat u naar de rechterlijke macht verwijst. Toch stel ik u die vraag in de hoop dat ik van u een reactie kan krijgen op de totale waanzin van de casus.
In dit land overtreft de realiteit steeds vaker elke mogelijke fictie. Een gehoofddoekte Turkse moslima was eerst jarenlang Brussels Parlementslid voor de Waalse christendemocraten, Les Engagés. Vervolgens ging ze naar Turkije en werd ze minister van de moorddadige islamitische tiran Erdogan. Vandaag jaagt ze in die hoedanigheid op Turkse homoseksuelen, en dat alles, zo blijkt, met een Belgisch paspoort. Wat een waanzin!
Minister, dit is Belgistan. Ze moet onmiddellijk haar Belgisch paspoort verliezen en mag nooit nog een voet in dit land zetten.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
13.01 Sam Van Rooy (VB): Mevrouw de minister, we hebben het er al over gehad, maar ik zal het erover blijven hebben tot de vrouwenhaatmoskee, de Gentse El Albani-moskee, is gesloten. Dat kan ik u verzekeren. Dit is wat die moskee propageert: “Allah heeft de gehoorzaamheid aan de echtgenoot, de man dus, verplicht gesteld. Het uitgangspunt is dat de vrouw haar plaats heeft in haar huis en dat zij daar verblijft. Een vrouw mag enkel buitenshuis werken als zij de richtlijnen en voorwaarden van Allah respecteert, namelijk toestemming vragen aan haar echtgenoot of vader, niet geparfumeerd gaan werken en niet werken in een werkomgeving waar mannen en vrouwen vrij met elkaar omgaan. Vrouwen mogen niet reizen zonder mannelijke begeleiders.” Wat is de volgende stap? Dat vrouwen ook niet mogen autorijden in dit land?
Vergis u niet – ik zal het blijven zeggen – dit is de orthodoxe mainstreamislam zoals die staat in de koran en de Hadith en zoals die tot op vandaag wordt uitgedragen door de grote mainstreamislamitische rechtsscholen. Het is ook geen toeval dat er geen enkel islamitisch land, geen enkele lidstaat van de OIC, de Organisation of Islamic Cooperation, is waar vrouwen gelijkwaardig zijn aan mannen en gelijke vrijheden en rechten hebben. Dat is geen toeval, dat is volgens mij de mainstreamislam aan het werk in 57 landen op deze aardbol.
Mevrouw de minister, kan de El Albani-moskee in Gent onder de geldende wetgeving worden gesloten wegens extremisme of radicalisering? Dat is de hamvraag. Zal die moskee ook op korte termijn worden gesloten? Ik mag hopen van wel.
Vindt u niet, mevrouw de minister, dat de wetgeving om dergelijke radicale moskeeën, vrouwenhaatmoskeeën, te kunnen sluiten, moet worden aangescherpt? Ik heb immers het idee dat het veel te moeilijk is om dat te doen. Sterker nog, we weten dit ondertussen al weken en de moskee is nog altijd niet gesloten.
Ik ben benieuwd naar uw antwoord.
13.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Van Rooy, de federale overheid heeft de islamitische eredienst erkend in 1974, maar dat betekent niet dat alle lokale geloofsgemeenschappen ook erkend worden. De moskee El Albani is niet erkend als lokale geloofsgemeenschap. Het is de bevoegdheid van de deelstaten om zich over de erkenning en de eventuele intrekking van de erkenning van de lokale geloofsgemeenschap uit te spreken.
Laat mij duidelijk zijn, het spreekt voor zich dat ik uitspraken die vrouwen als minderwaardig voorstellen of hun rechten en vrijheden in vraag stellen ten stelligste afkeur. De gelijkheid van vrouwen en mannen is een fundamenteel beginsel van onze rechtsorde. Dat bespraken we vorige week ook nog in de commissie voor Gelijke Kansen naar aanleiding van de omzetting van de Women on Board-richtlijn.
Zonder welke uitspraak dan ook te vergoelijken, moet ik evenwel een onderscheid maken tussen overtuigingen of uitlatingen die maatschappelijk afkeurenswaardig zijn en gedragingen of uitlatingen die ook juridisch strafbaar zijn. Het is aan het parket om in alle onafhankelijkheid na te gaan of strafbare bepalingen werden overtreden en welk gevolg daaraan dan moet worden gegeven.
13.03 Sam Van Rooy (VB): Mevrouw de minister, voor alle duidelijkheid, ik vraag niet om de erkenning van deze moskee in te trekken, als zij die erkenning al zou hebben. Ik vraag om deze moskee te sluiten en om, als het even kan, dat moskeebestuur het land uit te zetten. Want wat zeggen zij? Dat Allah de gehoorzaamheid van de vrouw aan de man verplicht, dat de vrouw thuis moet blijven, niet mag gaan werken, geen parfum mag gebruiken en niet mag reizen zonder man.
Dat wordt gezegd in de El Albani-moskee in Gent en wie weet in hoeveel moskeeën en koranscholen op ons grondgebied waar deze schandalige vrouwenhaat, deze discriminatie van vrouwen, deze vrouwenonderdrukking wordt gepropageerd. Elke dag opnieuw laat de overheid islamitische mannen toe die dit soort verwerpelijke islamitische opvattingen hebben over vrouwen. Zolang de regering niet inziet dat dit de orthodoxe mainstream islam is, zal dit probleem van groeiende vrouwenhaat en deze islamisering alleen maar groter worden.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: La question n° 56019300C de M. Benoît Piedboeuf est reportée à sa demande.
14.01 Julien
Ribaudo (PVDA-PTB): Madame la ministre,
Ce 25 septembre, les agents
pénitentiaires sont à nouveau en grève dans l’ensemble des prisons du pays. Un
piquet est notamment organisé à la prison de Gand. Les syndicats dénoncent la
surpopulation, le manque de personnel, la charge de travail, mais également le
manque de concrétisation de certains engagements pris dans l’accord social
conclu le 9 janvier 2026
Il nous revient notamment que l’augmentation
salariale convenue devait entrer en vigueur le 1er octobre 2026
et que la revalorisation de l’indemnité d’habillement devait être réglée pour
le 30 septembre, mais que leur mise en œuvre reste aujourd’hui incertaine.
Pouvez-vous confirmer ces engagements et ces
échéances? Où en est concrètement leur mise en œuvre? Combien d’agents ont-ils
été réquisitionnés dans le cadre de la grève de ce 25 septembre, dans
quels établissements et selon quels critères? Quelle réponse apportez-vous aux
revendications du personnel concernant les effectifs, la charge de travail et
les congés accumulés? Merci pour vos réponses.
Madame la ministre,
La surpopulation carcérale connaît à nouveau
une forte hausse. Au 21 septembre, 13 434 personnes étaient
détenues dans les prisons belges pour seulement 10 795 places, soit
79 détenus supplémentaires en une semaine. Le nombre de personnes
contraintes de dormir au sol est passé de 544 à 599 en seulement six jours:
228 dans le nord du pays, 214 dans le sud et 157 à Haren.
Cette nouvelle dégradation intervient
quelques semaines seulement après la publication du rapport particulièrement
préoccupant du CPT et malgré les différentes mesures annoncées par le
gouvernement.
Comment expliquez-vous cette nouvelle hausse
rapide de la surpopulation et du nombre de personnes dormant au sol? Quelles
mesures concrètes allez-vous prendre à court terme pour inverser cette
tendance? Où en est la mise en œuvre des mesures annoncées pour réduire
durablement la surpopulation, notamment concernant les internés, la
surveillance électronique et l’accompagnement des détenus? Merci pour vos
réponses.
14.02 Khalil Aouasti (PS): Madame la ministre, je dois vous avouer avoir été particulièrement surpris par ce que j'ai appris il y a quelques jours. Alors même que nous faisons face à une situation de surpopulation carcérale et que chacun s'accorde à dire qu'il est indispensable de restaurer la confiance – confiance avec les services, confiance avec les équipes et confiance avec les agents –, la pire chose que l'on puisse faire est sans doute de trahir une parole donnée tout récemment avant même qu'elle n'ait pu produire ses effets.
De quoi parlons-nous? Nous parlons d'agents pénitentiaires qui travaillent dans des prisons surchargées, parfois complètement désuètes et qui sont confrontés à des difficultés majeures dans l'exercice de leur métier. Or l'accord social conclu en janvier 2026 prévoyait deux mesures pourtant raisonnables: une prime annuelle de 150 euros destinée à couvrir la masse d'habillement liée à l'exercice de leurs fonctions et une revalorisation de 300 euros par an, soit 25 euros par mois. Autrement dit, il s'agit d'un effort annuel de 450 euros par agent pénitentiaire. Pour quelque 8 000 agents, cela représente en réalité un montant d'environ 350 000 euros à trouver dans le budget de l'État. Quelle ne fut pas ma surprise d'apprendre que, lors d'une concertation au plus haut niveau la semaine dernière, il leur avait été indiqué que ces deux montants ne seraient finalement pas accordés!
Madame la ministre, que vaut la parole donnée à votre personnel? Quels sont les engagements que vous entendez respecter: ceux pris dans le cadre de l'accord social de janvier 2026 ou ceux de la semaine dernière? Entendez-vous revaloriser véritablement ce personnel? Qu'allez-vous faire pour stimuler les recrutements dans nos prisons? Enfin, qui allez-vous blâmer lors du prochain mouvement de grève, qui paraît aujourd'hui plus que légitime?
14.03 Annelies Verlinden, ministre: Monsieur Ribaudo, pour ce qui concerne vos questions relatives à la surpopulation et aux mesures à prendre afin d'y remédier, autant sur le plan de la population carcérale que sur le plan des mesures en matière de gestion du personnel, je vous renvoie au débat d'actualité qui s'est déroulé lors de la réunion de commission du 16 septembre. Pour ce qui concerne votre question relative à l'accord social que j'ai conclu avec les représentants des syndicats de prison, je tiens à vous confirmer mon engagement d'en assumer le contenu.
S'agissant de vos questions chiffrées à propos des grèves, vous avez récemment déposé plusieurs questions écrites à ce sujet. Vous devriez recevoir des informations chiffrées sous peu.
Monsieur Aouasti, le gouvernement reconnaît la difficulté de la situation et a exposé les mesures qui ont été prises et qui sont actuellement prises pour alléger la pression. Il s'agit entre autres de la loi d'urgence II qui est entrée en vigueur le 1er octobre et qui permettra de placer automatiquement certaines catégories de condamnés sous surveillance électronique. L'accent est également mis sur un retour plus rapide dans leur pays d'origine des condamnés qui ne disposent pas d'un droit de séjour.
Les investissements réalisés pour renforcer les effectifs dans les établissements pénitentiaires, la formation de base que doivent suivre les collaborateurs avant leur entrée en fonction, les investissements en matière de bien-être grâce au soutien de POBOS et des services sociaux du SPF Justice, les investissements dans des capacités supplémentaires et une meilleure infrastructure, les investissements dans la politique de sécurité pour les profils à risque, la détection des substances et objets interdits et l'amélioration de la détection des appareils.
Les services chargés des fouilles générales ont également été renforcés. Pour le reste, je renvoie à la discussion du 16 septembre et aux annonces que j'ai faites dans le cadre des mesures d'urgence pour alléger la situation dans les prisons.
14.04 Julien Ribaudo (PVDA-PTB): Merci, madame la ministre, pour votre réponse et votre non-réponse. Vous dites que le gouvernement reconnaît la difficulté. D’accord, mais, madame la ministre, c'est chaque semaine que nous vous posons les mêmes questions. Les agents ne savent plus quoi penser ni quoi faire. La RTBF a diffusé la semaine dernière un reportage criant de vérité intitulé “Prisons sous pression”. Vous êtes au courant puisque vous y étiez interrogée.
Que voit-on dans ce reportage? Le titre est extrêmement éloquent. Mais qu'y voit-on? On y voit des agents, des détenus et du personnel qui n'en peuvent plus. Ils ne savent plus quoi faire. Cette semaine, madame la ministre, on compte 13 696 détenus dans nos prisons. Pas moins de 671 matelas au sol. On est tout proche, si je ne m'abuse, du record de l'année. Alors, si pour vous et pour moi, il ne s’agit que de chiffres, pour les agents, c'est leur lot quotidien: plus de personnes à surveiller et à accompagner – et toujours moins de moyens.
Alors oui, madame la ministre, les agents sont en colère. Ils ne savent même plus quoi faire. Ils ne se sentent plus considérés par vous, par votre gouvernement, mais aussi par tous les gouvernements précédents qui leur promettaient monts et merveilles et qui, in fine, détricotent une fonction qui est essentielle. À Haren, la semaine dernière – je ne prends que ce cas-là –, on a dénombré trois agressions sur le personnel. Trois! Deux arrêts de travail. Les agents ne savent plus quoi faire. Ils ne savent plus comment travailler correctement. Trois agressions en une semaine, et je n’évoque la situation que d’une seule prison! La seule réponse que vous leur avez apportée quand vous êtes allée sur le terrain est que tout va bien. Je vous jure, madame la ministre, allez les revoir, parce que c'est la seule chose qu'ils retiennent de votre visite à Haren il y a quelques semaines. Parce que tout ne va pas bien, madame la ministre! Plutôt que de rendre le métier attrayant, vous êtes en train de jouer au chat et à la souris avec votre propre personnel, au moyen des réquisitions.
Lors de la dernière grève, un agent a vu la police débarquer chez lui à minuit trente, gyrophare allumé, pour le réquisitionner. Je vous l'ai dit la fois dernière, ce n'est pas vous qui devez jouer. Ce n'est pas vous qui devez expliquer aux voisins que ce n’est pas parce qu’une voiture de police débarque gyrophare allumé que la personne interpellée est un criminel. La police est venue à huit heures du matin remettre un coup de pression.
C'est ainsi que vous remerciez un personnel qui travaille dans des conditions abominables depuis des années et des années, en leur courant après? Nous avons parlé de confiance, mais ce n'est pas de cette manière, madame la ministre, que vous allez la restaurer. En outre, la semaine dernière, ils ont entendu qu'ils n'allaient pas recevoir la prime, pire encore, le remboursement des frais qu'ils avaient occasionnés pour l'achat de leur uniforme qui, normalement, devait tomber en septembre. Ils ne recevront pas cet argent.
Ils ne recevront pas cette prime, alors que le mois de septembre est celui de la rentrée et de la reprise des activités scolaires. En vérité, ils ont dépensé de l'argent qu'ils ont le droit de recevoir et pour lequel ils le droit d'être remboursés Or vous leur fermez la porte au nez. Vous leur demandez de tenir la baraque sans broncher et vous limitez le droit de grève pendant que – je suis désolé, madame la ministre – vous vous asseyez sur l'accord social. Nous n'allons pas résoudre des décennies de sous-investissement dans la justice sur le dos des agents et de l'ensemble du personnel. Je vous remercie.
14.05 Khalil Aouasti (PS): Ma question était simple, madame la ministre: les 150 euros qui leur ont été promis pour la masse d'habillement leur seront-ils versés? Les 300 euros annuels de revalorisation qui leur avaient été promis leur seront-ils accordés? À ces deux questions très précises, vous n'avez pas, aujourd'hui, 7 octobre 2026, offert la moindre réponse, madame la ministre. C'est un scandale parce que l'accord social de janvier n'est même pas encore entré en vigueur que vous revenez dessus. Alors, vous me déroulez un catalogue. Ce qui commence à me mettre en colère – je vais vous le dire sincèrement – est que, chaque fois que nous venons vous interroger ici, vous nous déroulez un catalogue de bonnes intentions et de choses qui n'existent pas. "Ah, nous avons deux lois d'urgence. Ah, elles ne sont pas encore entrées en vigueur." La première, c'est vrai, a été inefficace. La deuxième vient de rentrer en vigueur. Attendons de voir comment les choses se passent. "Ah, à Noël, j'ai un milliard pour la justice, mais je ne suis pas capable de mettre 400 000 euros pour respecter l'accord social du mois de janvier 2026"."
Où est ce milliard? A-t-il disparu? S'est-il envolé? A-t-il brûlé? Ce sont les questions que nous vous posons, madame la ministre! Ce sont les attentes des agents pénitentiaires. Ils sont là dans l'enfer des prisons à attendre en venant tous les jours travailler. Et que faites-vous? Vous leur dites: "Vous n'aurez rien." Ils ont avancé de leur propre argent le matériel et l'outillage pour pouvoir travailler, et vous leur dites qu'ils ne recevront pas les 150 euros. Ils n'ont pas été revalorisés sur le plan barémique depuis 20 ans. Ce n'est pas votre responsabilité, mais depuis 20 ans vous leur avez promis 300 euros annuels – pas mensuels – et vous leur annoncez la semaine dernière qu'ils ne les recevront pas. Et que faites-vous? Comme l'a dit le collègue, vous envoyez les agents de police les réquisitionner en plein milieu de la nuit, en guise de remerciement…
Je ne sais pas où est l'indécence, en réalité, dans ce débat: dans les silences, dans les non-réponses ou dans la situation des agents pénitentiaires. En tout cas, quelque chose est en train de complètement déconner. De plus, personne ne prend ses responsabilités pour gérer cette crise.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
15.01 François De Smet (DéFI): Madame la ministre, la Belgique n'a pas encore finalisé la transposition globale de la directive européenne 2024/1260 relative au recouvrement et à la confiscation d'avoirs, dont on aurait bien besoin notamment dans la lutte contre le narcotrafic. La date limite officielle fixée par l'Union européenne pour intégrer l'ensemble de cette directive dans notre ordre juridique interne est le 23 novembre 2026.
Lors du débat d'actualité du 2 septembre dernier organisé en commission de l'Intérieur portant sur les fusillades à Bruxelles, vous avez confirmé, je vous cite: "La volonté du gouvernement d’introduire, dans la loi, la confiscation non fondée sur une condamnation pénale préalable, sans toutefois faire référence stricto sensu à la directive européenne. Afin de renforcer cette approche axée sur le butin, nous introduisons, en nous appuyant notamment sur des initiatives européennes, deux formes de confiscation sans condamnation préalable. La première forme concerne une confiscation qui ne repose pas sur la condamnation de l’auteur pour l’infraction ayant généré l’avantage illicite, par exemple en cas de décès de l’auteur. La deuxième forme concerne la confiscation d’un patrimoine inexpliqué lié à des activités criminelles. Dans les semaines à venir, je soumettrai à cet effet un projet de loi au gouvernement pour examen."
Madame la ministre, le projet de loi dont question concerne-t-il bien l’implémentation dans notre droit de ladite directive? Dans l’affirmative, ce projet s’oriente-t-il dans le sens d’une affectation publique et sociale des avoirs concernés? Dans ce cadre, la gestion des biens saisis serait-elle confiée à l’Organe central pour la Saisie et la Confiscation (OCSC)?
15.02 Annelies Verlinden, ministre: Monsieur De Smet, en ce qui concerne votre première question, je peux vous confirmer que l'avant-projet de loi dont question concerne effectivement la transposition en droit belge de la directive européenne relative au recouvrement et à la confiscation d'avoirs. De plus, le même avant-projet de loi vise à renforcer le rôle, les compétences et les missions de l'OCSC.
En ce qui concerne vos deuxième et troisième questions, il convient de bien distinguer l'affectation des biens saisis, qui relève de la gestion de l'OCSC et pour laquelle il existe déjà des mécanismes d'affectation des biens confisqués, dont la gestion relève du SPF Finances.
15.03 François De Smet (DéFI): Madame la ministre, je vous remercie pour vos précisions. Je crois que, sur la gestion des biens une fois confisqués, il faudrait un peu plus d'unification parce que j'entends dire qu'il y a une sorte de ping-pong et une répartition des rôles qui n'est pas claire entre le SPF Finances et l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation. Il m'apparaîtrait plus efficace que l'ensemble de la gestion de ces avoirs confisqués, parce que cela comprend aussi de l'immobilier, soit dévolu d'une manière ou d'une autre au SPF Justice. J'aurai l'occasion de faire valoir cela lors de l'examen de votre projet de loi.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
16.01 François De Smet (DéFI):
J’ose croire que cette fois ce sera la bonne car cette question porte sur
une thématique dont déjà deux Ministres ont décliné leur compétence alors que
pourtant tout semblait les désigner.
Dans le contexte géopolitique actuel, le
renforcement d’une Europe de la défense est une priorité; si le secteur
financier belge est prêt à soutenir cet effort, il fait valoir une ’incertitude
juridique concernant l’uranium appauvri dans
la loi de 2007 dite “loi Mahoux” laquelle crée une distorsion de concurrence entre
investisseurs belges (actifs dans l’asset management) et leurs homologues
européens.
La Belgique a joué un rôle de pionnier
mondial en matière de désarmement pour ce type de munitions et il n’est pas
question de remettre cela à l’agenda
Toutefois, le secteur sollicite une clarification légale indiquant
que l’exclusion s’applique spécifiquement aux entreprises qui produisent des
munitions à l’uranium appauvri en tant qu’assembleurs finaux, aux entreprises
qui fabriquent des systèmes d’armes spécialement conçus pour ces munitions et
aux producteurs de la matière première uranium appauvri pour ces munitions.
Ils font valoir le fait que cela réduirait considérablement l’incertitude
d’interprétation et garantirait des conditions de concurrence équitables,
notamment vis-à-vis de nos concurrents étrangers.
Lors de ma question au Ministre des Finances
le 16 septembre dernier, il m’a été répondu “ Un Service fédéral des armes a
été créé au sein du SPF Justice avec pour mission de proposer des arrêts et
mesures à prendre en exécution de la loi, sous l'autorité et la responsabilité
du ministre de la Justice. Dès lors, il est de la responsabilité du ministre de
la Justice et de l'un de ses services, de prendre l'initiative de compléter ou
d'adapter le cadre législatif et réglementaire en la matière
En conséquence, Madame la Ministre peut-elle
me faire savoir:
si ses services ont été saisis du problème
juridique précité?
si dans le cadre de cette loi , elle entend
procéder à cette clarification légale
16.02 Annelies Verlinden, ministre: En tant que ministre de la Justice, je suis responsable de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes. Cette loi prévoit notamment une classification des armes en différentes catégories, à savoir les armes prohibées, les armes soumises à l'autorisation et les armes en vente libre.
La loi dite Mahoux, dont vous parlez, à savoir la loi du 11 mai 2007 complétant la loi sur les armes en ce qui concerne l'interdiction des systèmes d'armement à l'uranium appauvri, a ajouté les munitions inertes et les blindages contenant de l'uranium appauvri à tout autre type d'uranium industriel à la liste des armes prohibées. En adoptant cette loi, la Belgique est devenue en 2007 le premier pays au monde à instaurer une interdiction totale de la production, de l'utilisation, de l'entreposage, de la vente, de l'acquisition et du transport d'armes et de munitions à l'uranium. Elle a été cosignée par le ministre de la Défense.
Dans le prolongement de cette mesure, une loi a également été adoptée quelques années plus tard, en 2009, interdisant aux banques et aux investisseurs belges de financer la production ou la détention d'armes à l'uranium. La Belgique est ainsi devenue à l'époque le premier pays au monde à ériger en infraction pénale le financement des armes à l'uranium.
Il s'agit plus précisément de la loi du 16 juillet 2009, modifiant la loi du 8 juin 2006, réglant les activités économiques et individuelles avec des armes en vue d'interdire le financement de la fabrication, de l'utilisation ou de la détention des armes à l'uranium. Cette loi complémentaire, qui a inscrit l'interdiction du financement susmentionné dans la loi sur les armes, avait été cosignée à l'époque par mon collègue ministre des Finances.
Votre question porte sur une incertitude juridique concernant l'interdiction susmentionnée relative au financement des armes à l'uranium, dont je n'ai pas connaissance. Il semble qu'une clarification juridique soit nécessaire concernant les entreprises devant être visées par la loi mentionnée. Je comprends que mon collègue ministre des Finances a fait référence au Service fédéral des armes, qui a en effet pour mission de proposer des décisions et des mesures en vue de l'application de la loi sous l'autorité et la responsabilité du ministre de la Justice. La question qui nous occupe ne porte toutefois pas uniquement sur l'interdiction de ces armes à l'uranium prévue par la loi sur les armes elle-même, mais bien sur une loi complémentaire visant le financement des entreprises actives dans ce domaine.
Mon département prendra donc contact avec les départements de mes collègues des Finances et de la Défense ainsi que, le cas échéant, de l'Économie afin d'analyser la question et d'éventuellement apporter les précisions demandées sur la disposition législative concernée.
16.03 François De Smet (DéFI): Merci madame la ministre. Vous êtes la troisième ministre à qui je pose cette question, et je suis enfin tombé sur celle qui était compétente. Je vais analyser les éléments de votre réponse, qui me paraissent assez complets.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
17.01 François De Smet (DéFI): Madame la ministre, vous auriez terminé l'élaboration de textes visant à ouvrir l'euthanasie aux personnes atteintes de démence. Ils auraient été transmis au cabinet du ministre de la Santé publique. Le dispositif reposerait sur une déclaration anticipée décrivant l'état jugé "incompatible avec une vie qui a du sens", suivie d'une planification anticipée des soins et d'un trajet multidisciplinaire.
Tout signe d'opposition exprimé par le patient, même incapable d'exprimer sa volonté, primerait toutefois sur la déclaration, y compris si les proches estiment que le patient souhaitait mourir. Une nouvelle concertation multidisciplinaire, dans ce cas-là, serait alors requise.
Je suis un peu curieux du contenu du texte actuel.
Madame la ministre, confirmez-vous la teneur du texte transmis au ministre de la Santé, à savoir les conditions de validité et durée de déclaration anticipée, stade de la maladie visé, composition du collège multidisciplinaire?
Comment le texte définit-il juridiquement le signe d'opposition d'une personne incapable? Que se passe-t-il lorsque cette opposition est temporaire ou ambiguë?
Sur quels avis et études votre projet repose-t-il? Combien de patients seraient-ils potentiellement concernés?
Enfin, quelle est la protection juridique prévue pour le médecin qui applique ou refuse d'appliquer une telle déclaration anticipée? Je vous remercie.
17.02 Annelies Verlinden, ministre: Monsieur De Smet, un premier avant-projet de texte a en effet été transmis à notre collègue le ministre de la Santé publique en vue d'une concertation. Il est donc tout à fait prématuré de se prononcer sur le contenu de ce texte, qui doit encore faire l'objet d'une discussion au sein du gouvernement. Comme je l'ai déjà dit, il est très important de traiter ces questions éthiques en tenant compte de la sensibilité de tous les partis qui siègent dans ce gouvernement. Le débat va se poursuivre. En tout cas, de notre côté, le travail a été fait.
17.03 François De Smet (DéFI): J’aurai essayé. Je tenterai un "ni oui ni non" la prochaine fois. Merci, madame la ministre.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: La question n° 56019789C de M. Niels Tas est retirée. Les questions nos 56019414C et 56019415C de Mme Claire Hugon Lecharlier sont reportées.
La réunion publique de commission est levée à 15 h 57.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.57 uur.