CRIV 56 COM 474

Logo_Kamer_zwartwit_outline

CRIV 56 COM 474

 

Niet citeren zonder bronvermelding

De definitieve versie bevat ook de integrale vertaling. De bijlagen zijn in een aparte brochure opgenomen.

 

 

 

Ne pas citer sans mentionner la source

La version définitive comprend aussi la traduction intégrale. Les annexes sont reprises dans une brochure séparée.

 

Belgische Kamer van

volksvertegenwoordigers

Chambre des représentants

de Belgique

 

Voorlopig Verslag

Compte Rendu Provisoire

Commissie voor Gezondheid en Gelijke Kansen

Commission de la Santé et de l'Égalité des chances

Woensdag

Mercredi

14-10-2026

14-10-2026

Namiddag

Après-midi

 

 

 

 

De teksten werden nog niet door de sprekers nagezien. Zij kunnen hun correcties schriftelijk
meedelen vóór

Les textes n’ont pas encore été révisés par les orateurs. Ceux-ci peuvent communiquer leurs corrections par écrit avant le

19-10-2026, om 16 uur

 

aan de Dienst Integraal Verslag.

19-10-2026, à 16 heures

 

au Service du Compte rendu intégral.

 

 

e-mail: CRIV@dekamer.be

 

e-mail: CRIV@lachambre.be


N-VA

Nieuw-Vlaamse Alliantie

VB

Vlaams Belang

MR

Mouvement Réformateur

PS

Parti Socialiste

PVDA-PTB

Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique

Les Engagés

Les Engagés

Vooruit

Vooruit

cd&v

Christen-Democratisch en Vlaams

Ecolo-Groen

Ecologistes Confédérés pour  l’organisation de luttes originales – Groen

Anders.

Anders.

DéFI

Démocrate Fédéraliste Indépendant

INDEP-ONAFH

Indépendant – Onafhankelijk

 

Afkortingen bij de nummering van de publicaties :

Abréviations dans la numérotation des publications :

DOC 56 0000/000

Parlementair stuk van de 56e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer

DOC 56 0000/000

Document parlementaire de la 56e législature, suivi du n° de base et du n° consécutif

QRVA

Schriftelijke Vragen en Antwoorden

QRVA

Questions et Réponses écrites

CRIV

Voorlopige versie van het Integraal Verslag

CRIV

Version provisoire du Compte Rendu Intégral

CRABV

Beknopt Verslag

CRABV

Compte Rendu Analytique

CRIV

Integraal Verslag, met links het definitieve integraal verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen)

CRIV

Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral définitif et, à droite, le compte rendu analytique traduit des interventions (avec les annexes)

PLEN

Plenum

PLEN

Séance plénière

COM

Commissievergadering

COM

Réunion de commission

MOT

Moties tot besluit van interpellaties (op beigekleurig papier)

MOT

Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige)

 

Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers

Bestellingen :

Natieplein 2

1008 Brussel

Tel. : 02/549 81 60

www.dekamer.be

e-mail : publicaties@dekamer.be

Publications officielles éditées par la Chambre des représentants

Commandes :

Place de la Nation 2

1008 Bruxelles

Tél. : 02/549 81 60

www.lachambre.be

e-mail : publications@lachambre.be

 


 

 

INHOUD

 

SOMMAIRE

 

 

 

 

 

Interpellatie van Natalie Eggermont aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De besparingsplannen in de zorg" (56000322I)

1

Interpellation de Natalie Eggermont à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les plans d'économies dans les soins de santé" (56000322I)

1

Sprekers: Natalie Eggermont, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Natalie Eggermont, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Moties

4

Motions

4

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

5

Questions jointes de

5

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het chronische tekort aan zorgpersoneel" (56017834C)

5

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La pénurie chronique de personnel soignant" (56017834C)

5

- Natalie Eggermont aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De noden van het zorgpersoneel" (56018764C)

5

- Natalie Eggermont à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les besoins du personnel soignant" (56018764C)

5

- Sofie Merckx aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De noden van het zorgpersoneel" (56018766C)

5

- Sofie Merckx à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les besoins du personnel de soins" (56018766C)

5

Sprekers: François De Smet, Natalie Eggermont, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: François De Smet, Natalie Eggermont, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

7

Questions jointes de

7

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het beheer van het noodnummer 1733" (56017835C)

7

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La gestion du numéro d'urgence 1733" (56017835C)

7

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De overgangsmaatregelen voor het nummer 1733 bij toekomstige piekmomenten" (56017893C)

7

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les mesures transitoires concernant le numéro 1733 lors de futurs pics de demande" (56017893C)

7

Sprekers: François De Smet, Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: François De Smet, Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

9

Questions jointes de

9

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De afstemming tussen de instroom van Vlaamse studenten geneeskunde en de federale RIZIV-nummers" (56017838C)

9

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'adéquation entre l'afflux d'étudiants en médecine flamands et les numéros INAMI fédéraux" (56017838C)

9

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De artsenquota en de onvervulde zorgnoden" (56017869C)

9

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les quotas de médecins et les besoins de soins non satisfaits" (56017869C)

9

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De taakdelegatie, de technologie en de toekomstige behoefte aan huisartsen" (56017899C)

9

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La délégation de tâches, les nouvelles technologies et les futurs besoins en généralistes" (56017899C)

9

- Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De verhouding tussen de startquota en de federale artsenquota" (56018787C)

9

- Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le rapport entre les quotas d'entrée et les quotas fédéraux de médecins" (56018787C)

9

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het huisartsentekort" (56019053C)

9

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La pénurie de généralistes" (56019053C)

9

Sprekers: Irina De Knop, Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Irina De Knop, Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het advies van het KCE over PFAS-bloedtests" (56017859C)

13

Question de François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L’avis du KCE sur les tests sanguins de dépistage des PFAS" (56017859C)

13

Sprekers: François De Smet, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: François De Smet, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De administratieve boetes voor de verzekeringsinstellingen" (56017866C)

13

Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les amendes administratives infligées aux organismes assureurs" (56017866C)

13

Sprekers: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De uitblijvende plannen tegen bepaalde aandoeningen" (56017870C)

14

Question de Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'absence de stratégies de lutte contre certaines affections" (56017870C)

14

Sprekers: Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De verdere toegang tot sotatercept voor PAH-patiënten" (56017871C)

15

Question de Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le maintien de l'accès au sotatercept pour les patients HTAP" (56017871C)

16

Sprekers: Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

17

Questions jointes de

17

- Benoît Piedboeuf aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het verbod op additieven in e-vloeistoffen (rechtsgrond en gevolgen)" (56017888C)

17

- Benoît Piedboeuf à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'interdiction des additifs dans les e-liquides (base juridique et impact)" (56017888C)

17

- Benoît Piedboeuf aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het verbod op additieven in e-vloeistoffen (coherentie, tijdpad en controle)" (56017889C)

17

- Benoît Piedboeuf à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'interdiction des additifs dans les e-liquides (cohérence, calendrier et contrôle)" (56017889C)

17

Sprekers: Benoît Piedboeuf, voorzitter van de MR-fractie, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Benoît Piedboeuf, président du groupe MR, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De plaats van innovatie binnen de hervorming van het ziekenhuislandschap" (56017900C)

19

Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La place de l'innovation au sein de la réforme du paysage hospitalier" (56017900C)

19

Sprekers: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

20

Questions jointes de

20

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De aanbevelingen van het KCE inzake borstkankerscreening" (56017906C)

20

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les recommandations du KCE en matière de dépistage des cancers du sein" (56017906C)

20

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De internationale studies over de genetische screening op hoogrisicokankergenen" (56017909C)

20

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les études internationales sur le dépistage des gènes de prédisposition aux cancers à haut risque" (56017909C)

20

Sprekers: François De Smet, Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: François De Smet, Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

22

Questions jointes de

22

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het overmatig voorschrijven van protonpompinhibitoren voor zuigelingen" (56017907C)

22

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La surprescription d'inhibiteurs de pompe à protons chez les nourrissons" (56017907C)

22

- Jan Bertels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Refluxmedicatie bij baby's" (56018356C)

22

- Jan Bertels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les médicaments contre le reflux chez les bébés" (56018356C)

22

Sprekers: François De Smet, Jan Bertels, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: François De Smet, Jan Bertels, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De vrees voor een opschorting van de behandelingen in vruchtbaarheidscentra" (56017908C)

24

Question de François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les craintes de suspension de traitement dans les centres de fertilité" (56017908C)

24

Sprekers: François De Smet, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: François De Smet, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De noodzaak van correcte communicatie over antidepressiva en hittegolven" (56017914C)

24

Question de Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La nécessité d'une communication correcte relative aux antidépresseurs et à la canicule" (56017914C)

24

Sprekers: Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De oncologische revalidatie na een kankerbehandeling" (56017915C)

26

Question de Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La revalidation oncologique après un traitement contre le cancer" (56017915C)

26

Sprekers: Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

27

Questions jointes de

27

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De toegang tot mondzorg voor kwetsbare groepen" (56017999C)

27

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'accès aux soins buccodentaires pour les publics fragilisés" (56017999C)

27

- Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De toegankelijkheid van tandheelkundige zorg" (56018464C)

27

- Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'accessibilité des soins dentaires" (56018464C)

27

Sprekers: François De Smet, Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: François De Smet, Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De centralisatie van de behandeling van hoofd- en halskanker" (56018109C)

29

Question de Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La centralisation de la prise en charge des cancers de la tête et du cou" (56018109C)

29

Sprekers: Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

30

Questions jointes de

31

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De gedeeltelijke indexering van de honoraria van zorgverleners" (56018110C)

31

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'indexation partielle des honoraires des professionnels des soins de santé" (56018110C)

31

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De centenindex voor de zorgverstrekkers" (56018145C)

31

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'indexation en centimes des prestataires de soins" (56018145C)

31

Sprekers: Irina De Knop, François De Smet, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Irina De Knop, François De Smet, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De internationale dreigingen voor de volksgezondheid" (56018125C)

32

Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les menaces internationales pesant sur la santé publique" (56018125C)

32

Sprekers: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De financiering van NAT-testen bij bloeddonaties" (56018135C)

33

Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le financement des tests NAT lors des dons de sang" (56018135C)

34

Sprekers: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De weerkerende problematiek van uitstel van betaling van RIZIV-voordelen" (56018146C)

34

Question de Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La problématique récurrente du report de paiement des avantages accordés par l'INAMI" (56018146C)

34

Sprekers: Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Irina De Knop, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De evaluatie van de geautomatiseerde terugbetaling van vervoerskosten" (56018147C)

35

Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'évaluation de l'automatisation du remboursement des frais de transport" (56018147C)

35

Sprekers: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Katleen Bury aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De ebola-epidemie in de Democratische Republiek Congo" (56018155C)

36

Question de Katleen Bury à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'épidémie d'Ebola en République démocratique du Congo" (56018155C)

36

Sprekers: Katleen Bury, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Katleen Bury, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

37

Questions jointes de

37

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De terugbetalingsvoorwaarden voor ADHD-medicatie bij volwassenen" (56018179C)

37

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les conditions de remboursement du traitement du TDAH chez l'adulte" (56018179C)

37

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "ADHD-zorg" (56018231C)

37

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La prise en charge de personnes atteintes de TDAH" (56018231C)

37

Sprekers: Irina De Knop, François De Smet, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Irina De Knop, François De Smet, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

39

Questions jointes de

39

- Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De modernisering van de Orde der artsen" (56018224C)

39

- Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La modernisation de l'Ordre des médecins" (56018224C)

39

- Patrick Prévot aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De klachten aan het adres van de Orde der artsen" (56018657C)

39

- Patrick Prévot à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les plaintes adressées à l'Ordre des médecins" (56018657C)

39

Sprekers: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het onderzoek van Sciensano over de sterfte ten gevolge van overgewicht" (56018335C)

40

Question de François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'étude de Sciensano quant à la mortalité due au surpoids" (56018335C)

40

Sprekers: François De Smet, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: François De Smet, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het statuut van de "fellows"" (56018338C)

41

Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le statut des "fellows"" (56018338C)

41

Sprekers: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Jan Bertels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het mucoviscidosegeneesmiddel Alyftrek" (56018346C)

42

Question de Jan Bertels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le médicament contre la mucoviscidose Alyftrek" (56018346C)

42

Sprekers: Jan Bertels, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Jan Bertels, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De ontdekking van een nieuwe massaspermadonor in Nederland en de impact op België" (56018351C)

43

Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La découverte d'un nouveau méga-donneur de sperme aux Pays-Bas et son incidence sur la Belgique" (56018351C)

43

Sprekers: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Frieda Gijbels, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

44

Questions jointes de

44

- Benoît Piedboeuf aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De deelname van zorgverleners aan wachtdiensten" (56018400C)

44

- Benoît Piedboeuf à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La participation des prestataires aux rôles de garde" (56018400C)

44

- Jean-François Gatelier aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De samenwerking tussen zorgverleners en ziekenhuizen bij het organiseren van de wachtdiensten" (56018646C)

44

- Jean-François Gatelier à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La collaboration entre prestataires et hôpitaux pour l'organisation des gardes" (56018646C)

44

Sprekers: Benoît Piedboeuf, voorzitter van de MR-fractie, Jean-François Gatelier, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Benoît Piedboeuf, président du groupe MR, Jean-François Gatelier, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

46

Questions jointes de

46

- Christophe Lacroix aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De bescherming van intersekse minderjarigen" (56018534C)

46

- Christophe Lacroix à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La protection des mineurs intersexes" (56018534C)

46

- Sarah Schlitz aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het ontbreken van effectieve regelgeving ter bescherming van interseksen in het lhbt+-plan" (56019229C)

46

- Sarah Schlitz à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'absence de réel cadre législatif protecteur des personnes intersexes dans le plan LGBT+" (56019229C)

46

Sprekers: Christophe Lacroix, Sarah Schlitz, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Christophe Lacroix, Sarah Schlitz, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Vraag van Christophe Lacroix aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De regelgeving inzake draagmoederschap" (56018535C)

48

Question de Christophe Lacroix à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La réglementation de la GPA" (56018535C)

48

Sprekers: Christophe Lacroix, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Christophe Lacroix, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

49

Questions jointes de

49

- Natalie Eggermont aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De begrotingsdiscussies en de mogelijke besparingen in de zorg" (56018567C)

49

- Natalie Eggermont à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les discussions budgétaires et les éventuelles économies dans les soins de santé" (56018567C)

49

- Caroline Désir aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De besparingen op de gezondheidszorgbegroting en de gevolgen voor de patiënten" (56018591C)

49

- Caroline Désir à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les économies dans le budget des soins de santé et l'impact sur les patients" (56018591C)

49

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De begrotingsonderhandelingen en de ziekenhuiszorg" (56019358C)

49

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les négociations budgétaires et les soins hospitaliers" (56019358C)

49

- Dominiek Sneppe aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De besparingen in de gezondheidszorg" (56019852C)

49

- Dominiek Sneppe à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les économies dans les soins de santé" (56019852C)

49

Sprekers: Caroline Désir, Dominiek Sneppe, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Caroline Désir, Dominiek Sneppe, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

Samengevoegde vragen van

52

Questions jointes de

52

- Natalie Eggermont aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De ziekenhuishervorming" (56018568C)

52

- Natalie Eggermont à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La réforme des hôpitaux" (56018568C)

52

- Jean-François Gatelier aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De hervorming van het ziekenhuislandschap" (56018589C)

52

- Jean-François Gatelier à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La réforme du paysage hospitalier" (56018589C)

52

- Luc Frank aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De hervorming van het ziekenhuislandschap en de Duitstalige Gemeenschap" (56018654C)

52

- Luc Frank à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La réforme du paysage hospitalier et la Communauté germanophone" (56018654C)

52

- Nathalie Muylle aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De stand van zaken met betrekking tot de ziekenhuishervorming" (56018738C)

52

- Nathalie Muylle à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le point sur la réforme des hôpitaux" (56018738C)

52

Sprekers: Jean-François Gatelier, Luc Frank, Frank Vandenbroucke, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding

 

Orateurs: Jean-François Gatelier, Luc Frank, Frank Vandenbroucke, vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

 

 

 

 

 

SCHRIFTELIJK BEHANDELDE MONDELINGE VRAGEN

54

QUESTIONS ORALES TRAITÉES PAR ÉCRIT

54

 

 

 

 

Vraag van Jan Bertels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het Ambutox-ontwenningsprogramma" (56018681C)

54

Question de Jan Bertels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le programme de sevrage Ambutox" (56018681C)

54


 

 

Commissie voor Gezondheid en Gelijke Kansen

Commission de la Santé et de l'Égalité des chances

 

van

 

Woensdag 14 oktober 2026

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 14 octobre 2026

 

Après-midi

 

______

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.12 uur en voorgezeten door de heer Jan Bertels.

La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 12 et présidée par M. Jan Bertels.

 

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

 

01 Interpellatie van Natalie Eggermont aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De besparingsplannen in de zorg" (56000322I)

01 Interpellation de Natalie Eggermont à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les plans d'économies dans les soins de santé" (56000322I)

 

01.01  Natalie Eggermont (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, aangezien we de eerste minister gisteren niet hebben gezien in de plenaire vergadering, interpelleer ik u graag over het feit dat in haar zoektocht naar 10 miljard euro nieuwe besparingen de regering de zorg in het vizier neemt, ten bewijze de verklaringen in meerderheidskringen. Zo zei Axel Ronse in Le Soir: toen het ging over het verder snijden in de uitgaven: "Evidemment dans la santé". De voormalige hoofdeconoom van de N-VA wees er dan weer op dat de grootste winst in de saneringsronde in de gezondheidszorg te halen valt, terwijl de heer Bouchez klaagde dat de gezondheidszorg gekenmerkt wordt door kolossale misbruiken, dat er te veel ziekenhuizen en te veel valse zieken zijn en dat de groeinorm moet worden verlaagd. De heer Sammy Mahdi zei dan weer dat iedereen begrijpt dat het niet normaal is dat een doktersbezoek slechts 4 euro of soms 1 euro kost. Voor hem kan dat bedrag omhoog.

 

Er liggen heel wat maatregelen op tafel, namelijk een verdubbeling van het remgeld, een vermindering van het aantal mensen met een verhoogde tegemoetkoming, de invoering van een franchise in de zorg, waarbij mensen de eerste paar honderd euro aan zorgkosten zelf moeten betalen, een verdere verlaging van de groeinorm en een vennootschapsbelasting voor de ziekenfondsen.

 

De rode draad in die voorstellen is dat men de werkende en zieke mensen aanvalt en de toegankelijkheid van de zorg in het gedrang brengt. Dat gaat gepaard met een heel propaganda-offensief, waarin wordt beweerd dat patiënten geld verspillen en dat een doktersbezoek momenteel veel te goedkoop is. Hetzelfde gebeurde toen u de medicatie duurder maakte. Ook toen werd alles als verspilling voorgesteld en werd beweerd dat mensen pillen slikken alsof het snoepjes zijn. Nu wordt het idee naar voren geschoven dat een bezoek aan de huisarts nauwelijks iets kost, namelijk 1 euro of 4 euro, dat mensen zonder reden naar de huisarts gaan en dat een doktersbezoek gerust wat duurder mag worden.

 

Ik ben erg bezorgd over de manier waarop men de dingen voorstelt, want dat beeld stemt niet overeen met de werkelijkheid. De indruk wordt gewekt dat mensen niet veel betalen voor zorg en dat er dus nog marge is. De cijfers tonen echter aan dat de Belgen 26,4 % van alle zorgkosten uit eigen zak betalen. Dat ligt boven het Europese gemiddelde van 19,5 % en is veel meer dan in onze buurlanden. In Duitsland betalen patiënten 14,1 % van de zorgkosten uit eigen zak en in Frankrijk 15,6 %. Dat zijn de feiten.

 

In België betalen we dus veel uit eigen zak, meer dan het Europees gemiddelde en meer dan in onze buurlanden. We betalen veel, omdat we remgeld betalen bij de dokter en ook voor medicatie en voor ereloonsupplementen betalen. Alles bij elkaar betalen mensen heel veel voor zorg. Het is dus echt niet oké om daar nog een schep bovenop te doen. Het is ook niet juist om te beweren dat mensen niet veel betalen voor zorg.

 

Het is bovendien een slecht idee om het remgeld te verhogen. De regering heeft dat al beslist, maar de maatregel wordt nog verder uitgewerkt. Nu zou daar nog een extra verhoging bovenop komen, terwijl niemand voor zijn plezier naar de dokter gaat. Als u zorg duurder maakt, zullen mensen zorg uitstellen. Kwaaltjes worden dan erger en uiteindelijk belanden mensen op de spoed of wordt een diagnose pas in een vergevorderd stadium vastgesteld, waardoor de behandeling duurder wordt.

 

Het remgeld verhogen, of zorg duurder maken, gaat ook in tegen het hele principe van de sociale zekerheid, die is gebaseerd op solidariteit, waarbij jongeren bijdragen voor ouderen en gezonde mensen voor zieke mensen.

 

Als u het remgeld optrekt, verschuift u de kosten naar de zieke. Dat is onrechtvaardig, want niet iedereen is gelijk of wordt op dezelfde manier door ziekte getroffen. Iemand met een diploma leeft bijvoorbeeld 13,5 jaar langer in goede gezondheid dan iemand zonder diploma. Iemand in de armste wijk heeft twee keer zo vaak diabetes. Als u de kosten verschuift naar het remgeld, worden die mensen extra getroffen. Ze zijn al ziek en moeten dus niet nog eens extra gestraft worden.

 

Naast de patiënten, is ook het zorgpersoneel ongerust wanneer iedereen zegt dat er te veel ziekenhuizen zijn en dat er nog meer op de zorg mag worden bespaard. Het zorgpersoneel smeekt immers al jaren om extra middelen en investeringen. Er zijn enorme personeelstekorten. U weet dat. De werkdruk is enorm.

 

Er is een akkoord beloofd, maar het is nog altijd niet concreet. Het zou er in de toekomst wel van komen, maar dat blijft onzeker. Als er nu nog verder in dat budget wordt gesnoeid, wat zal de impact daarvan zijn op het sociaal akkoord voor het zorgpersoneel?

 

Ik interpelleer u daarover, omdat uw partij Vooruit ook altijd heeft gezegd dat ze in de regering zit om voor de zorg te strijden. Ik wil u daar nog eens aan herinneren. Vooruit heeft beloofd om nooit te besparen in de zorg. Ik toon u een visual uit de verkiezingscampagne. Daarop staat: "Rechts wil besparen op uw gezondheid en uw koopkracht." Dat zeggen die partijen nu ook heel duidelijk, want in die zin liggen er verschillende voorstellen op tafel. In reactie daarop hebben jullie toen gezegd: "Niet met ons!" Rousseau heeft na de verkiezingen op het VTM-nieuws gezegd dat men hem niet hoeft te bellen als het de bedoeling is om te besparen in de gezondheidszorg. Na haar aantreden bespaarde de regering evenwel 1,1 miljard euro op de gezondheidszorg door de verlaging van de groeinorm. In maart 2025 erkende u dat er extra geld voor Defensie moest komen, maar u voegde eraan toe dat u niet zou toelaten dat er aan uw budget voor de gezondheidszorg zou worden geraakt. No pasarán. Dat klinkt als een duidelijke rode lijn.

 

Mijnheer de minister, welke besparingen in de zorg liggen momenteel op de onderhandelingstafel  en welke werden er afgevoerd? Welke voorstellen zijn voor u bespreekbaar en welke onbespreekbaar en waarom?

 

Staat u ervoor garant dat de groeinorm niet verder zal worden verlaagd? Staat u er ook voor garant dat die niet verder door onderbenuttingen zal worden uitgehold, zoals vorige keer is gebeurd?

 

Kunt u garanderen dat er een volwaardig sociaal akkoord voor het zorgpersoneel komt, met alle bijkomende middelen en aantoonbare verbeteringen op het vlak van de werkdruk en de arbeidsvoorwaarden? Kunt u garanderen dat er tijdens de komende besparingsronde geen cent wordt afgenomen van de middelen die voor het zorgpersoneel waren vastgelegd?

 

Is de verhoging van het remgeld nog altijd een concreet voorstel in de regering? In uw openingscollege aan de UGent verklaarde u: "Het remgeld zodanig verhogen dat mensen niet meer naar de dokter kunnen gaan, hoe dom kan men zijn." Ik ben het daarmee eens, maar het venijn zit natuurlijk in de staart. Het woordje zodanig opent de mogelijkheid naar een zekere remgeldverhoging. Waar ligt voor u de grens? Hoeveel mag het remgeld omhooggaan? Waar trekt u de lijn?

 

U hebt ook altijd onderstreept dat de rode lijn voor u het ontbreken van enig akkoord is om de sterkste schouders voldoende te laten bijdragen. Waarom halen we het geld dan niet bij de sterkste schouders, bijvoorbeeld bij de miljonairs via een miljonairstaks, of nog bij de big pharma, de sterkste schouders in de gezondheidszorg met hun gigantische winsten, in plaats van de groeinorm te verlagen, het remgeld te verhogen, een franchise in te voeren en de ziekenfondsen een vennootschapsbelasting op te leggen? Met een eerlijk prijsmodel kunnen we inderdaad bij de big pharma enorme inkomsten genereren. Bent u het ermee eens dat we daar het geld moeten halen en dat we een eerlijk prijsmodel van toepassing moeten maken, zodat er niet wordt bespaard op de kap van de patiënten en ten koste van het zorgpersoneel?

 

01.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw Eggermont, u hebt mij heel veel vragen gesteld over verklaringen die leden van andere partijen in kranteninterviews hebben afgelegd over initiatieven waarvan u meent dat ze op de regeringstafel zouden liggen. Ik ben echter niet verantwoordelijk voor alles wat leden van andere partijen vertellen. Ik ben alleen verantwoordelijk voor de strijd die wij in deze regering voeren.

 

Ik kan alleen maar herhalen wat ik eerder heb aangegeven. Vooruit maakt deel uit van de regering om op een goede manier in de gezondheidszorg te investeren, om vooruitgang te boeken, om noodzakelijke hervormingen door te voeren en om ervoor te zorgen dat er ook ruimte blijft voor verbeteringen voor het personeel, namelijk verpleegkundigen, zorgkundigen en andere mensen die in ziekenhuizen en federale instellingen werken. We willen tegen het einde van de legislatuur daartoe een mooi sociaal akkoord kunnen sluiten.

 

Zoals ik eerder al zei, is de stelling dat we in de gezondheidszorg willen investeren, natuurlijk niet hetzelfde als stellen dat we het kraantje maar moeten laten lopen en het geld laten rollen, ongeacht waar het terechtkomt. Dat is niet wat we aangeven.

 

Daarom hebben we in het verleden maatregelen getroffen, en zullen er nog maatregelen volgen, om ervoor te zorgen dat er binnen het budget voldoende ruimte is om verbeteringen voor patiënten te realiseren, om in de eerste lijn te investeren en om ervoor te zorgen dat het zorgpersoneel een mooi sociaal akkoord kan krijgen. Dat is de inzet.

 

Dat vraagt maatregelen die niet altijd gemakkelijk zijn. In het college in Gent, waarnaar u zo vriendelijk verwijst, heb ik daarover uitvoerig gesproken, meer in mijn geschreven tekst dan in mijn mondelinge inleiding. Ik heb heel duidelijk verklaard dat solidariteit een kostbaar goed is, maar ook begrensd. Er zijn grenzen aan wat in sociaal beleid kan worden uitgegeven en er moeten afwegingen worden gemaakt. Dat is een voortdurend beleidsproces van aanpassen, bijsturen en vooral hervormen.

 

Ik heb bijvoorbeeld gesteld dat de remgelden moeten worden aangepast, al is het maar omdat ondertussen alle prijzen sterk zijn gestegen en er inflatie is geweest. Ik heb in het verleden al aangegeven dat een aanpassing van de remgelden geen taboe is. Ik heb ook advies gevraagd aan de Commissie voor Gezondheidszorgdoelstellingen. Ze heeft een interessant advies gegeven, waarmee ik het overigens eens ben.

 

Dat is iets heel anders dan van mening zijn dat we de gezondheidszorg voor mensen duurder moeten maken, waardoor ze minder naar de dokter kunnen gaan. Dat is erg dom. Als dat de redenering is, kan ik alleen maar herhalen dat die heel verkeerd is. Ik bestrijd die redenering dus.

 

Ik zal niet vooruitlopen op wat we eventueel kunnen beslissen in het kader van de begrotingsopmaak. U weet dat het Verzekeringscomité heel onlangs een eerste ontwerp van begroting voor de gezondheidszorg voor het jaar 2027 heeft vastgelegd. De verantwoordelijkheid daarvoor is opgenomen door de actoren in het Verzekeringscomité die het ontwerp hebben goedgekeurd. De regering moet zich daarover buigen. Ik zal daar niet op vooruitlopen. De inzet is echter duidelijk. We willen ervoor zorgen dat er vooruitgang wordt geboekt op het vlak van gezondheidszorg. Dat betekent wel dat we zeer zorgvuldig moeten omgaan met het beschikbare geld, dat we moeten bijsturen en maatregelen moeten nemen. Dat zullen we dus ook blijven doen.

 

Ik wil ook wel bevestigen wat u hebt gezegd. Heel in het algemeen zal de begrotingsopmaak een bijzonder moeilijke oefening worden. We zullen van iedereen inspanningen moeten vragen, maar uiteraard in het bijzonder van degenen met de sterkste schouders. Mensen die over veel middelen beschikken, mensen met grote vermogens en mensen die nog echt kunnen bijdragen, zullen bij deze oefening een stevige duit in het zakje moeten doen.

 

01.03  Natalie Eggermont (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

U bent begonnen met te zeggen dat het veel ging over wat de andere partijen zeggen en dat u daarop niet kunt antwoorden. Ik heb dat echter aangehaald om te bevestigen wat u zelf tijdens de verkiezingscampagne hebt gezegd: Rechts wil besparen op uw gezondheid en uw koopkracht. Dat is effectief wat rechtse partijen nu ook letterlijk zeggen. De collega's van de N-VA, MR en cd&v hebben dat ook gedaan. Ze zouden het geld gaan zoeken in de gezondheidszorg. U hebt toen gezegd: "Niet met ons."

 

In dat kader stelde ik u opnieuw de vraag. Er liggen allerlei voorstellen op tafel. Verschillende andere partijen willen het geld in de gezondheidszorg halen. De vraag is of u daaraan al dan niet wilt meedoen. Zult u al dan niet een rode lijn trekken?

 

U hebt eigenlijk gewoon geantwoord dat u niet wilt vooruitlopen op de discussies. Er wordt dus geen rode lijn getrokken, terwijl u wel met die belofte in de regering bent gestapt. U zegt nu dat u openstaat voor een eventuele aanpassing van het remgeld. Daarmee gaat u mee in het idee dat het remgeld op zich nog wat verder kan stijgen, omdat het zogezegd niet veel is. Het achterliggend idee is dat 4 euro voor een huisartsbezoek niet veel is en dat het bedrag maar met een paar euro wordt verhoogd. Voor de mensen loopt dat op het einde van de rit echter wel op, al moeten ze misschien slechts een beetje meer betalen bij de huisarts. Dat was ook uw verdediging bij de aanpassingen van tarieven voor medicatie. Als men echter een beetje meer moet betalen voor medicatie én een beetje meer bij de huisarts én een een beetje meer voor benzine én beetje meer voor de studies van de kinderen én een beetje meer voor de kinderopvang én men verliest kindergeld, dan heeft men op het einde van de maand niets meer over. Het gaat telkens over kleine beetjes, maar alles samen is het voor de mensen niet meer te doen.

 

Wat de mensen boos maakt, is dat dergelijke beslissingen hier worden genomen, terwijl u al die kleine aanpassingen niet voelt, aangezien u als minister 13.000 euro per maand verdient. Een paar euro extra betalen bij de huisarts is voor u natuurlijk niet veel, maar voor de mensen lukt het niet meer. Het idee om het opnieuw bij de mensen te gaan zoeken, is de druppel die de emmer doet overlopen. Het komt nu anderen toe om te betalen.

 

Ik heb u gevraagd of u ermee akkoord gaat dat we de middelen niet bij de patiënten of bij het personeel zoeken, maar bij big pharma, via mijn eerlijkeprijzenmodel, maar daar hebt u niet op geantwoord. U hebt alleen gezegd dat u openstaat voor een eventuele verhoging van het remgeld – dat we moeten hervormen – en dat de kraantjes niet kunnen openstaan. De vrijwaring van de koopkracht van de mensen en de bescherming van de patiënten worden dus voorgesteld als het openzetten van de kraantjes, maar over big pharma heb ik u niets horen zeggen.

 

Ik vind dat er een grote kloof bestaat tussen alle beloftes die zijn gedaan en wat we nu horen. Over besparingen in de gezondheidszorg werd eerder beloofd: No pasarán! Nu horen we dat we wel zullen zien, dat het evenwichtig moet zijn, dat er hervormd moet worden, dat we de kraantjes niet kunnen openzetten en dat het remgeld gerust wat hoger mag worden. We staan dus heel ver af van de oorspronkelijke beloftes. Niemand heeft immers op Vooruit gestemd om een bezoek aan de huisarts duurder te maken. De meerderheid van de Belgen is ook tegen een verhoging van het remgeld en voorstander van een miljonairstaks. Dat is de reden waarom u daar zit. U hebt gezegd dat u niet zult meedoen met besparingen in de gezondheidszorg, "niet met ons.". Ik raad u dan ook aan om die rode lijn te trekken, mijnheer de minister.

 

Moties

Motions

 

De voorzitter:

 

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.

 

Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Natalie Eggermont en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van mevrouw Natalie Eggermont

en het antwoord van de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding,

- overwegende dat de arizonaregering op zoek is naar 10 miljard euro aan nieuwe besparingen en daarbij de gezondheidszorg viseert, met het risico dat patiënten en zorgpersoneel hiervoor de rekening betalen;

- overwegende dat patiënten in België vandaag al een groter deel van hun zorgkosten uit eigen zak betalen dan patiënten in buurlanden;

- overwegende dat besparen op gezondheidszorg contraproductief is en op termijn net kan leiden tot hogere kosten;

- overwegende dat hogere persoonlijke bijdragen voor gezondheidszorg de solidariteit ondermijnen waarop onze sociale zekerheid is gebouwd;

- overwegende dat er geen bewijs bestaat dat hogere zorgkosten overconsumptie zullen tegengaan, terwijl ze wel een drempel kunnen vormen voor noodzakelijke zorg;

- overwegende dat ons zorgpersoneel dringend nood heeft aan een echt sociaal akkoord;

- overwegende dat er andere manieren zijn om de zorg efficiënter te organiseren, in plaats van te besparen op patiënten;

vraagt de regering

- de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de gezondheidszorg te garanderen;

- te investeren in het zorgpersoneel en werk te maken van een volwaardig sociaal akkoord dat tegemoetkomt aan de noden op het terrein."

 

Une motion de recommandation a été déposée par Mme Natalie Eggermont et est libellée comme suit:

ʺLa Chambre,

ayant entendu l'interpellation de Mme Natalie Eggermont

et la réponse du vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté,

- considérant que le gouvernement Arizona est à la recherche de nouvelles mesures d'économies à hauteur de 10 milliards d'euros et qu'il vise dans ce cadre les soins de santé, d'où le risque que les patients et le personnel soignant en fassent les frais;

- considérant qu'aujourd'hui, la part des soins de santé qui reste à la charge des patients en Belgique est déjà supérieure à celle supportée par les patients dans les pays voisins;

- considérant que les coupes budgétaires dans les soins de santé sont contre-productives et peuvent précisément conduire, à terme, à une augmentation des coûts;

- considérant qu'une majoration des cotisations personnelles pour les soins de santé sape le principe de solidarité sur lequel repose notre système de sécurité sociale;

- considérant qu'il n'est pas démontré qu'une augmentation du coût des soins de santé permettra de lutter contre la surconsommation, alors qu'elle peut constituer un frein à l'accès aux soins nécessaires;

- considérant que notre personnel soignant a besoin d'urgence d'un véritable accord social;

- considérant que, pour parvenir à une organisation plus efficace des soins de santé, d'autres moyens peuvent être déployés que des mesures d'économies visant les patients;

demande au gouvernement

- de garantir l’accessibilité et le caractère abordable des soins de santé;

- d'investir dans le personnel soignant et d'élaborer un accord social digne de ce nom, qui réponde aux besoins observés sur le terrain.ʺ

 

Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Jan Bertels.

Une motion pure et simple a été déposée par M. Jan Bertels.

 

Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

 

02 Questions jointes de

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La pénurie chronique de personnel soignant" (56017834C)

- Natalie Eggermont à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les besoins du personnel soignant" (56018764C)

- Sofie Merckx à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les besoins du personnel de soins" (56018766C)

02 Samengevoegde vragen van

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het chronische tekort aan zorgpersoneel" (56017834C)

- Natalie Eggermont aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De noden van het zorgpersoneel" (56018764C)

- Sofie Merckx aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De noden van het zorgpersoneel" (56018766C)

 

De voorzitter: Vraag nr. 56018766C van mevrouw Merckx wordt ingetrokken.

 

02.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, une étude, relayée notamment par Het Laatste Nieuws en juillet dernier, révèle que la moitié du personnel soignant continue de travailler malade en raison de la pénurie chronique de personnel dans le secteur des soins.

 

Ce constat rejoint les alertes répétées des fédérations hospitalières et des syndicats sur la surcharge de travail du personnel infirmier et paramédical, qui se traduit par un présentéisme au travail problématique: des travailleurs malades qui n'osent pas s'absenter faute de collègues pour les remplacer.

 

Plusieurs plans de renforcement du personnel infirmier ont certes été annoncés depuis 2020, dont le Fonds blouses blanches, sans que la pénurie structurelle ne soit visiblement résorbée.

 

L'accord de coalition fédérale prévoit une évaluation de l'attractivité des métiers de la santé et un plan de lutte contre l'absentéisme dans le secteur.

 

En conséquence, monsieur le ministre, disposez-vous des données chiffrées concernant le taux de présentéisme malade révélé par cette étude, et l’évolution par rapport aux années précédentes? Quel est l'impact de cette pénurie sur la qualité et la sécurité des soins, notamment en matière d'erreurs médicales et de risques infectieux liés à la présence de personnel malade au chevet des patients? Enfin, quelles mesures concrètes entendez-vous prendre pour améliorer l'attractivité des métiers infirmiers et réduire cette pénurie structurelle?

 

02.02  Natalie Eggermont (PVDA-PTB): Meneer de minister,

 

ACV Puls kwam begin juli met een nieuwe studie. Daaruit blijkt hoe structureel overuren zijn in de zorgsector. Bijna één op vijf werknemers in de zorg bouwt gemiddeld meer dan 10 overuren per maand op, en bijna één op drie kan die meestal niet tijdig recupereren. De druk op het personeel is daardoor groot. De helft gaat ziek werken. Meer dan vier op tien overweegt de sector te verlaten of twijfelt. Het is het zoveelste bewijst dat de sector op haar limiet zit, en dringend en  extra middelen en collega's nodig heeft.

 

In die context ben ik erg bezorgd over de voorstellen die ik tijdens begrotingsdiscussies las in de pers. Verschillende regeringspartners willen snijden in de zorg. Vaak door het verlagen van de groeinorm. Zo'n maatregel de werkdruk in de zorg enkel vergroten.

 

Meneer de minister:

 

Wat vindt u van de voorstellen van uw collega's om te besparen op de zorg?

 

Wat vindt u van het voorstel van collega's om de groeinorm te verlagen?  Welke invloed zal dit hebben op de werkdruk van zorgpersoneel?

 

Zal u het toelaten dat er aan het sociaal akkoord voor de zorg wordt geraakt?

 

Wat is de stand van zaken ivm het sociaal akkoord? Hoe verloopt het overleg? Wat is de tijdslijn? Over welk budget gaat het?

 

02.03  Frank Vandenbroucke, ministre: La charge de travail et la disponibilité du personnel sont des facteurs pleinement reconnus de la qualité et de la sécurité des soins. A ce jour, les données disponibles ne permettent toutefois pas d'établir au niveau national un lien causal direct entre le présentéisme du personnel soignant et la survenue d'erreurs médicales ou d'infections associées aux soins. La Belgique dispose néanmoins de mécanismes de surveillance et d'amélioration continue. En collaboration avec l'ECDC, Sciensano assure un suivi régulier des infections associées aux soins, lequel constitue une priorité de notre plateforme interfédérale pour la qualité des soins et du BAPCOC.

 

Afin d'augmenter le nombre d'infirmiers actifs, j'ai d'abord mis en œuvre une vaste réforme de la profession infirmière: introduction de l'assistant en soins infirmiers et de l'infirmier spécialiste, révision des prestations techniques et des actes pouvant être confiés, et législation relative aux aidants qualifiés et aux activités de la vie journalière. Elle se poursuit avec les équipes de soins structurées et la délégation de prestations techniques, toutes réformes donc qui doivent rendre plus attractif le métier d'infirmier. Outre la réforme de la profession infirmière, la réforme du secteur des soins de santé doit elle aussi favoriser une meilleure répartition de notre personnel soignant.

 

Pour renforcer l'afflux, plus de 400 millions d'euros ont été investis depuis 2020 dans le personnel soignant et des trajectoires de formation et de réintégration comme le projet 600, kiesvoordezorg et Opnieuw aan boord. Enfin, pour libérer du temps de soins, le fonds personnel soignant, ou Fonds blouses blanches, finance du personnel administratif et logistique afin de décharger les infirmiers des tâches ne relevant pas de leur formation. Je rappelle également l'accord social conclu en 2020 qui représentait un investissement de 600 millions d'euros dans le secteur.

 

Investeren in ons zorgpersoneel is en blijft een prioriteit voor mij. Een nieuw sociaal akkoord wordt intussen voorbereid, met een sterke focus op attractiviteit. Daarvoor vindt structureel overleg plaats tussen mijn kabinet en de zorgsector. Verschillende belangrijke thema's werden intussen inhoudelijk bediscussieerd, waarmee er al een sterk inhoudelijk fundament is gelegd voor er daadwerkelijk aan tafel wordt gegaan om het sociaal akkoord te onderhandelen.

 

Om dat toekomstige sociaal akkoord te ondersteunen, heeft de regering al middelen gereserveerd. Ik had het daarover al heel kort bij de interpellatie van mevrouw Eggermont. De bedoeling van de regering is om voldoende marge te kunnen vrijmaken in het budget voor gezondheidszorg om voor het personeel in de federale zorgsectoren een mooi sociaal akkoord te kunnen sluiten.

 

02.04  François De Smet (DéFI): Je remercie M. le ministre pour sa réponse.

 

02.05  Natalie Eggermont (PVDA-PTB): Dank voor uw antwoord. U hebt mijn vraag tijdens de interpellatie al gedeeltelijk beantwoord. Wat is echter het exacte budget dat wordt uitgetrokken? Dat is me immers nog altijd niet duidelijk. Er is een algemeen budget voorzien, maar het is nog altijd niet duidelijk hoeveel daarvan precies naar het sociaal akkoord gaat.

 

U hebt aangegeven binnen het budget voor de gezondheidszorg voldoende marge voor het zorgpersoneel te willen voorzien. Dat betekent dat er binnen dat budget nog kan worden geschoven. We zien dat een verhoging van het remgeld bij de arts, waarover al een beslissing is genomen, voor een deel wordt gebruikt om het zorgpersoneel te financieren. U bespaart dus eigenlijk op de patiënten om te kunnen investeren in het personeel, omdat u zo binnen het kader van de groeinorm blijft, die bovendien wordt verlaagd en mogelijk nog verder zal worden verlaagd.

 

De vraag vanuit de sector is echter om een apart budget voor investeringen in de zorg te voorzien, zodat u niet in de zakken van de patiënten hoeft te zitten om in het personeel te investeren. Door te zeggen dat u voldoende marge binnen het budget wilt behouden, ontwijkt u dus eigenlijk de vraag of het budget zelf zal worden aangesproken.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Questions jointes de

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La gestion du numéro d'urgence 1733" (56017835C)

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les mesures transitoires concernant le numéro 1733 lors de futurs pics de demande" (56017893C)

03 Samengevoegde vragen van

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het beheer van het noodnummer 1733" (56017835C)

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De overgangsmaatregelen voor het nummer 1733 bij toekomstige piekmomenten" (56017893C)

 

03.01  François De Smet (DéFI): En pleine vague de chaleur, vous aviez annoncé votre souhait de reprendre la gestion du numéro d'urgence non vitale 1733, actuellement piloté par le SPF Intérieur, afin de mieux l'articuler avec la politique de santé publique. C'est une annonce qui intervenait alors que plusieurs services d'urgence signalaient une saturation liée à la canicule, et qu'un plan chaleur était activé au niveau fédéral. C'est un dossier qui illustre, si besoin en était, un chevauchement de compétences entre votre département et celui de l'Intérieur, en pleine gestion de crise sanitaire.

 

Rappelons que le 1733 avait été créé pour désengorger le 112 en orientant les appels non vitaux vers les postes de garde de médecine générale. Sa gouvernance, aujourd'hui partagée entre le SPF Intérieur et le SPF Santé publique, a déjà fait l'objet de critiques récurrentes quant à la clarté des responsabilités et à la qualité du service rendu aux patients, notamment en période de forte affluence comme lors des vagues de chaleur.

 

Confirmez-vous votre intention de reprendre la gestion opérationnelle du 1733? Dans l'affirmative, quel est le calendrier selon lequel cette reprise de compétences sera organisée? Quel bilan de fonctionnement du 1733 durant les épisodes de chaleur de ce dernier été peut-il être fait? Une concertation formelle a-t-elle été engagée avec le ministre de l'Intérieur sur cette réorganisation?

 

03.02  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, een tijdje geleden spraken we hier al over de problemen bij 1733 tijdens de hittegolf. Vandaag is 1733 ondergebracht in dezelfde centrale als 112. U erkende toen dat dat systeem niet goed werkt. U gaf ook aan dat er structureel een capaciteitsprobleem is, zowel bij 112 als bij 1733. Erger nog, tijdens het weekend van de hittegolf was er eigenlijk ook te weinig personeel voorzien in de noodcentrale.

 

U zei toen dat u erover nadenkt – en er met uw collega Quintin over zou praten – om 1733 onder te brengen bij Volksgezondheid. Bij een volgende hittegolf, een griepepidemie of andere voorspelbare pieken mogen patiënten natuurlijk niet opnieuw vastlopen tussen de verschillende noodnummers, huisartsen, wachtposten en spoeddiensten. Met andere woorden, dit is een probleem dat we prioritair moeten aanpakken.

 

Daarom heb ik enkele opvolgingsvragen. Welke concrete overgangsmaatregelen zult u nemen voordat de structurele hervorming van de dienst 1733 rond is?

 

Tegen wanneer zal het technisch mogelijk zijn om oproepen naar 1733 tijdens piekmomenten rechtstreeks door te schakelen naar huisartsenwachtposten? Op basis van welke objectieve criteria zult u beslissen wanneer zo’n noodprocedure wordt geactiveerd?

 

Wie neemt finaal de operationele beslissing? Zal dat Volksgezondheid zijn, Binnenlandse Zaken, de noodcentrale, de Risk Management Group of eventueel de huisartsenwachtposten? Hoe garandeert u dat de huisartsenwachtposten de extra oproepen ook effectief kunnen opvangen?

 

Uiteraard is het ook belangrijk om te vragen naar de bijkomende financiering of vergoeding voor wachtposten wanneer er tijdens piekmomenten extra personeel moet worden ingezet.

 

Hebt u er een idee van over welke minimale personeelsbezetting Binnenlandse Zaken moet beschikken, zowel nu als tijdens de overgangsperiode, om de piekmomenten bij 112 op te vangen?

 

03.03  Frank Vandenbroucke, ministre: Comme je l'ai déjà indiqué ici le 7 juillet, je crains que le 1733 doive relever de la Santé publique. Mon cabinet et celui de M. Quintin se sont revus en septembre. Une orientation, accompagnée d'une base juridique et d'un calendrier, est attendue à l'automne, en concertation avec les généralistes et le ministre de l'Intérieur, lequel conserve une responsabilité essentielle pendant la transition.

 

Comme vous l'avez dit, pendant la canicule, un volume d'appels fortement accru a coïncidé avec des effectifs estivaux réduits. La priorité aux urgences a allongé le temps d'attente, surtout pour le 1733. Les données détaillées relèvent du SPF Intérieur, mais je les ai déjà commentées dans cette commission.

 

Mevrouw De Knop, we hebben inderdaad samen met de huisartsen een adviesnota Hitteplan Huisartsengeneeskunde Korte Termijn opgesteld. Bij een door het KMI verwachte hittegolf in de alarmfase van het ozon- en hitteplan kan onze RMG, gecoördineerd door de FOD Volksgezondheid, 1733-oproepen tijdens weekend- en feestdagwachten rechtstreeks naar de wachtposten doorschakelen, minstens vier dagen vooraf en tot de alarmfase voorbij is. Dat is vandaag technisch al mogelijk. We hebben dat inderdaad besproken. Dat is een beleidsreactie wanneer een dergelijke hittegolf op komst is.

 

De termijn van vier dagen laat de wachtposten toe om extra onthaalpersoneel in te zetten. Die inzet wordt door het RIZIV via het bestaande wachtpostbudget vergoed. De werking van de wachtposten verloopt dan op dezelfde wijze als bij wachtposten die geen gebruikmaken van wat we fase 2 van 1733 noemen. Dat is dus mogelijk en dat staat eigenlijk klaar als het nodig is.

 

De personeelsbezetting van de noodcentrales blijft momenteel de bevoegdheid van Binnenlandse Zaken. Daarover moeten we dus ook goed met Binnenlandse Zaken kunnen samenwerken.

 

Ik denk echter dat een veel grondigere hervorming nodig is dan de voorlopige maatregel die we genomen hebben, maar die voorlopige maatregel staat wel klaar en zal ons hopelijk helpen als we nog eens met een dergelijke situatie geconfronteerd worden.

 

03.04  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, merci pour votre réponse. Je suis heureux d’apprendre que le travail de concertation a débuté avec le département de l’Intérieur. J'espère que cela pourra aboutir le plus rapidement possible.

 

03.05  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, u gaf een vrij kort antwoord waaruit ik afleid dat er nog niet heel veel is geregeld, behalve dat er wordt voorzien dat rechtstreeks zal kunnen worden doorgeschakeld naar wachtposten en dat ze dat vier dagen op voorhand moeten weten.

 

Eerder hebt u in uw antwoorden aangegeven dat een ontdubbeling van de 112- en 1733-diensten dringend nodig was. Ik kan dat alleen onderschrijven, ook op basis van mijn expertise uit de hulpverleningszone. Wij vernemen dat de 112-centrale tijdens piepmomenten absoluut niet kan voldoen en dat in die centrale te weinig mensen voorhanden zijn om alle inkomende oproepen op een goede manier te behandelen. Er valt ook heel veel personeel uit dat moet worden vervangen. Daardoor verdwijnt voortdurend de opgebouwde knowhow. Het ontdubbelen van de 112- en 1733-diensten is dus niet zomaar een projectje dat moet gebeuren, het zou een prioriteit moeten zijn.

 

Bovendien is de bevoegdheidsverdeling een kluwen. Naar ik heb begrepen, is Binnenlandse Zaken verantwoordelijk voor het telefoontje, maar vallen de gegeven richtlijnen wel degelijk onder de bevoegdheid van Volksgezondheid.

 

Steek dus de kop niet in het zand en zorg dat er snel een plan komt om de 1733-diensten grondig en op een deftige manier te organiseren zodat er opnieuw vrijheid of ruimte komt bij de 112-diensten, zodat die diensten kunnen doen wat ze moeten doen, met name noodoproepen beantwoorden en ervoor zorgen dat mensen zo snel mogelijk de gepaste hulp krijgen.

 

Jammer genoeg moeten mensen vandaag te lang wachten wanneer zij naar die noodnummers bellen, veel langer ook dan de standaarden voorschrijven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Samengevoegde vragen van

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De afstemming tussen de instroom van Vlaamse studenten geneeskunde en de federale RIZIV-nummers" (56017838C)

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De artsenquota en de onvervulde zorgnoden" (56017869C)

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De taakdelegatie, de technologie en de toekomstige behoefte aan huisartsen" (56017899C)

- Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De verhouding tussen de startquota en de federale artsenquota" (56018787C)

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het huisartsentekort" (56019053C)

04 Questions jointes de

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'adéquation entre l'afflux d'étudiants en médecine flamands et les numéros INAMI fédéraux" (56017838C)

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les quotas de médecins et les besoins de soins non satisfaits" (56017869C)

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La délégation de tâches, les nouvelles technologies et les futurs besoins en généralistes" (56017899C)

- Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le rapport entre les quotas d'entrée et les quotas fédéraux de médecins" (56018787C)

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La pénurie de généralistes" (56019053C)

 

De voorzitter: Mevrouw De Knop, ik geef u het woord voor uw vier mondelinge vragen.

 

04.01  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, op 2 juli hebben we het in de plenaire vergadering al gehad over de artsenquota. U benadrukte toen dat de regering de adviezen van de Planningscommissie volgt en daarbij onder andere rekening houdt met de vergrijzing, maar ook met de werkpatronen van artsen en de zorgnoden van verschillende disciplines. Toch blijft er een kloof tussen die planning en de realiteit op het terrein.

 

Patiënten vinden nog steeds heel moeilijk een huisarts. Steeds meer praktijken hanteren patiëntenstops en bij specialisten in ziekenhuizen zijn er lange wachttijden. Een recent KCE-rapport wijst bovendien op een belangrijk probleem. Als de planning te zeer vertrekt vanuit het bestaande zorggebruik, blijven onvervulde zorgnoden buiten beeld. Mensen die geen huisarts vinden of noodzakelijke zorg uitstellen, verschijnen immers niet automatisch in de terugbetalingsgegevens.

 

Tegelijkertijd besliste de Vlaamse regering om het aantal studenten dat na het toelatingsexamen mag doorstromen naar de opleiding geneeskunde, te verhogen tot 1.878. De verwachte uitstroom ligt daardoor een stuk hoger dan het aantal federale RIZIV-nummers die de planningscommissies momenteel vooropstellen. De studenten zijn dus net gestart, maar ook de universiteiten en ziekenhuizen hebben nood aan duidelijkheid vooraleer de studenten aan hun opleiding beginnen en niet pas wanneer ze jaren later afstuderen.

 

Daar komt nog een opvallende vaststelling bij. Uit recente cijfers van de FOD Volksgezondheid blijkt dat tussen 2020 en 2025 bijna 22 % van de nieuwe visa voor artsen werd toegekend aan personen met een buitenlands basisdiploma. Concreet zou het gaan om ongeveer 3.000 van de 13.000 verleende visa. Bij tandartsen zou dat aandeel nog verder oplopen.

 

Voor alle duidelijkheid, ik ben het met iedereen eens dat buitenlandse artsen ook een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan onze gezondheidszorg. De cijfers roepen echter fundamentele vragen op over de samenhang van ons beleid en over de gelijke toegang tot het beroep voor enerzijds mensen die hier hun opleiding aanvatten en anderzijds mensen die vanuit het buitenland instromen.

 

We leggen ook strenge voorwaarden op aan onze eigen jongeren. Ze moeten immers eerst slagen voor dat moeilijke toelatingsexamen. Gelet op het beperkte aantal plaatsen, worden dus veel jonge mensen ontgoocheld. Vervolgens gaan zij misschien in het buitenland studeren. Aan jongeren die hier arts willen worden, valt heel moeilijk uit te leggen dat zij niet aan de opleiding mogen beginnen, zeker wanneer patiënten ondertussen geen huisarts vinden en ziekenhuizen met grote personeelstekorten kampen. Bovendien hoor ik van veel mensen op het terrein en aan de universiteiten dat de Planningscommissie de werkelijke noden nog altijd onderschat.

 

De vraag is dus of we in ons systeem niet te streng zijn voor onze eigen instroom, terwijl we tegelijk rekenen op artsen die elders zijn opgeleid.

 

Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u de Vlaamse consensus dat een hogere instroom in de geneeskunde nodig is om tekorten op te vangen? Welke concrete afstemming heeft daarover plaatsgevonden sinds het plenaire debat dat we daarover hebben gehouden?

 

Hoe houdt het planningsmodel rekening met onvervulde zorgnoden, zoals patiënten zonder huisarts, patiëntenstops en uitgestelde zorg door lange wachttijden? Welke concrete indicatoren gebruikt de Planningscommissie daarvoor, naast het bestaande zorggebruik?

 

Bent u bereid om de quota te herbekijken indien blijkt dat het model die onvervulde zorgnoden onvoldoende meeneemt? Hoe voorkomt u dat het huidige tekort via het model wordt doorgetrokken naar de toekomst?

 

Welke verantwoordelijkheid neemt de federale overheid om voldoende ruimte te voorzien binnen het globale aantal RIZIV-nummers? Zult u daarbij een voldoende grote veiligheidsmarge inbouwen om te voorkomen dat toekomstige tekorten verder oplopen?

 

Hoe zult u garanderen dat studenten die binnen het verhoogde Vlaamse contingent starten na hun opleiding ook toegang krijgen tot een RIZIV-nummer en een vervolgopleiding? Met andere woorden, hoe voorkomen we dat Vlaanderen meer studenten opleidt dan er uiteindelijk plaatsen beschikbaar zijn?

 

Welke afspraken worden er gemaakt over subquota, zodat die bijkomende instroom ook effectief naar knelpuntdisciplines zal leiden? Wordt daarbij rekening gehouden met de beschikbare stageplaatsen, de opleidingscapaciteit en de signalen vanuit de ziekenhuizen over tekorten aan artsen-specialisten in opleiding? Wij horen die signalen immers veelvuldig.

 

Wanneer zult u definitief duidelijkheid geven over de quota en subquota voor 2032 en 2033? Is dat al in kannen en kruiken? In dat geval kunt u dat misschien meedelen.

 

Een volgende vraag is hoe de Planningscommissie rekening houdt met het feit dat taakdelegatie niet automatisch leidt tot een lagere behoefte aan huisartsen, zoals u wel al eens hebt gezegd. Vanuit het terrein wordt dat immers tegengesproken.

 

Wordt bij de planning ook rekening gehouden met de tekorten aan en met de beschikbaarheid van verpleegkundigen, praktijkassistenten en andere zorgprofessionals? Hoe zult u voorkomen dat taakdelegatie als efficiëntiewinst wordt ingeboekt, terwijl de noodzakelijke ondersteunende profielen op het terrein daarvoor eigenlijk ontbreken?

 

Hoe wordt de impact van technologie op de werklast van huisartsen opgevolgd? Zult u ervoor zorgen dat digitale toepassingen ook de administratieve lasten verminderen, in plaats van bijkomende werklast voor huisartsen te creëren?

 

04.02  Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, Vlaanderen laat dit jaar 1.881 studenten starten aan de opleiding geneeskunde, terwijl het federale quotum 1.427 bedraagt. In de Franse Gemeenschap worden 1.675 studenten toegelaten, tegenover een federaal quotum van 1.089. Het is normaal dat er een bepaalde marge wordt voorzien, omdat rekening moet worden gehouden met mogelijke uitval tijdens de opleiding. Vlaanderen voorziet een marge van ongeveer 32 %, maar in de Franse Gemeenschap bedraagt die marge 54 %. Dat is, op zijn zachtst gezegd, een bijzonder grote marge en roept toch een aantal vragen op.

 

Kunt u garanderen dat de federale quota ook worden gerespecteerd wanneer de studenten afstuderen? Ik denk daarbij met name aan de Franse Gemeenschap. Houdt u rekening met een scenario waarin het aantal kandidaten voor een RIZIV-nummer hoger ligt dan het vastgelegde federale quotum? Hoe zult u daar in dat geval concreet mee omgaan?

 

04.03 Minister Frank Vandenbroucke: De federale quota worden vastgesteld op basis van het advies van de Federale Planningscommissie, die zich daarbij baseert op beschikbare gegevens over de zorgbehoeften en het zorgaanbod. Daarbij houdt men rekening met demografische ontwikkelingen en de vergrijzing, met de in- en uitstroom van zorgverleners, hun activiteitsgraad, veranderende werkpatronen en de behoeften per discipline. De methodologie en de rapporten zijn publiek en raadpleegbaar, dus ik ga daar niet in detail op in.

 

Ik wil wel sterk benadrukken dat het planningsmodel de bestaande situatie of het bestaande zorggebruik niet zomaar doortrekt. Het model schat de toekomstige zorgbehoeften en het beschikbare zorgaanbod zo nauwkeurig mogelijk in. Naast die projecties wordt ook de huidige verhouding tussen aanbod en behoefte geanalyseerd. Onvervulde zorgnoden en andere signalen van discrepantie tussen vraag en aanbod worden daarbij meegewogen. De experten bepalen vervolgens op grond van de beschikbare gegevens en hun kennis van het werkveld welke instroom nodig is. Het model wordt zeer regelmatig geactualiseerd op basis van nieuwe gegevens, studies en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, zodat toekomstige adviezen ook rekening kunnen houden met nieuwe inzichten. Dat is een werk dat heel ernstig wordt genomen. Ik zie niet in waar men daarin verbetering kan brengen wat de aanpak betreft.

 

De federale overheid bepaalt het globale quotum op basis van de verwachte zorgbehoeften. De verdeling tussen de specialismen en de geografische spreiding is een bevoegdheid van de deelstaten. Het is natuurlijk essentieel dat zij die gebruiken, met name als men tekorten vaststelt bij huisartsen of bepaalde specialismen. Taakdelegatie, groepspraktijken en technologie worden niet als een automatische efficiëntiewinst beschouwd. Ook bijkomende taken inzake coördinatie, supervisie en overleg worden meegenomen.

 

Zoals u aangeeft, zal het recente KCE-rapport, dat uitgevoerd is op initiatief van de cel Aanbod en Planning, bijkomende inzichten aanreiken voor de toekomstige werkzaamheden van de commissie. De planning evolueert bovendien naar een meer geïntegreerde benadering, waarin ook andere gezondheidszorgberoepen en hun onderlinge interacties worden meegenomen.

 

De federale quota bepalen dus het aantal afgestudeerden in de geneeskunde dat een opleiding kan aanvatten die leidt tot een gecontingenteerde medische specialisatie. De gemeenschappen zijn verantwoordelijk voor de organisatie van de toegang tot de studies en bepalen een instroomquota, rekening houdend met de verwachte uitval tijdens de opleiding. De toegepaste marges kunnen verschillen tussen de gemeenschappen, afhankelijk van hun specifieke situatie en de vastgestelde slaag- en uitvalpercentages. Het doel is dat na die uitval het aantal afgestudeerden dat toegang krijgt tot een specialisatie overeenstemt met de federale quota. Men kan dat niet op voorhand garanderen, want dat hangt af van het werkelijk verloop van de studietrajecten, maar we volgen dat samen regelmatig op. U weet dat ik al verschillende jaren pleit voor een echt overleg tussen de Vlaamse regering, de Franstalige Gemeenschap en de federale overheid, om dat samen op te volgen en daarover afspraken te maken.

 

De Planningscommissie baseert zich dus op waargenomen gegevens, maar ook op prognoses om die quota vast te stellen. Als men verschillen vaststelt tussen wat verwacht is en wat uiteindelijk vastgesteld wordt, dan wordt dat ook meegenomen in de prognoses. Indien het aantal kandidaten voor een RIZIV-nummer het toepasselijke quotum zou overschrijden, dan wordt de situatie geanalyseerd in overleg met de gemeenschappen. Er is vandaag geen specifiek wettelijk mechanisme voor een dergelijke overschrijding, maar we proberen dat dus samen te verhinderen.

 

Ten gronde, de beschikbaarheid van huisartsen blijft een belangrijk aandachtspunt. De spanningen die in bepaalde regio's worden vastgesteld, zijn het gevolg van een combinatie van factoren, waaronder de vergrijzing van de bevolking, de toenemende zorgbehoeften, pensioneringen, de evolutie van de activiteitsgraad van artsen, de arbeidsomstandigheden binnen het beroep en de ontoereikende aantrekkelijkheid van bepaalde vestigingsgebieden. Het aanpakken van die uitdagingen vereist een nauwe samenwerking tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de andere betrokken actoren.

 

Om het aanbod van huisartsen duurzaam te versterken, hebben we verschillende maatregelen genomen, niet alleen om het aantal huisartsen in opleiding te verhogen en de aantrekkelijkheid van die disciplines te versterken, maar ook om de organisatie van het beroep te verbeteren. Zeker wat betreft de aanpassing van quota en subquota wordt de impact pas geleidelijk zichtbaar, gezien de duur van de opleiding.

 

De Planningscommissie-medisch aanbod houdt rekening met allerlei parameters, zoals de evolutie van de gezondheidsbehoeften, de verwachte uitstroom en de huidige en toekomstige activiteitsgraad. De commissie werkt haar methoden en instrumenten voortdurend bij om de recentste wetenschappelijke inzichten te integreren en de realiteit op het terrein beter te weerspiegelen. De resultaten van de recente studies van het KCE over de toekomstige evolutie van de huisartsgeneeskunde zullen dan ook worden meegenomen in de toekomstige werkzaamheden.

 

Ik denk dat tijdelijke maatregelen nuttig kunnen zijn. We hebben die ook genomen door een beroep te doen op gepensioneerde artsen om lokale spanningen op te vangen. Dat is echter nooit een echt duurzame structurele oplossing. We zullen de situatie voortdurend moeten opvolgen, niet alleen van jaar tot jaar, maar voortdurend en waar nodig bijsturen.

 

04.04  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, ik begrijp dat een artsenopleiding duur is en dat er misschien redenen zijn om met quota te werken, hoewel ik daar persoonlijk geen voorstander van ben. Het is echter zo klaar als een klontje dat er vandaag te weinig artsen zijn en dat de instroom die u voorziet, te beperkt is. Daarom kunnen zoveel buitenlandse artsen hier werk vinden. Dat komt gewoon doordat dat werk er is.

 

Wat mij helemaal niet bevalt aan uw manier van werken, is dat u, wanneer u met een tekort aan artsen wordt geconfronteerd, het artsenberoep en zeker dat van huisarts, een beetje gaat uitkleden en andere remedies zoekt om de toegang tot de zorg te blijven verzekeren. Sommige van die maatregelen kunnen wel relevant zijn. Soms kan het nuttig zijn om mensen rechtstreeks naar een apotheek of een kinesitherapeut te laten gaan.

 

Als u dat echter systematisch doet, miskent u de meerwaarde van de huisarts in het globale gezondheidszorgsysteem. Wat mij betreft, is de huisarts een centrale figuur die een belangrijke regiefunctie vervult in de eerste lijn. We zouden die regiefunctie juist moeten versterken in plaats van ze met elke maatregel opnieuw te verzwakken.

 

De flankerende maatregelen zijn wat mij betreft pleisters op een houten been, want ze lossen het echte probleem niet op. Dat probleem is tweeledig. Enerzijds worden huisartsen steeds meer geconfronteerd met administratieve ballast waaraan ze veel tijd moeten besteden. Anderzijds is er gewoon een numeriek tekort aan huisartsen, of is de vraag van de patiënten te groot.

 

We moeten uiteraard ook de overconsumptie durven te bekijken. Grosso modo lijkt het me echter duidelijk dat de Planningscommissie te weinig instroom in het beroep voorziet. Dat zou de inzet van het debat moeten zijn.

 

U hebt naar mijn mening te veel uitleg nodig om toe te lichten dat de Planningscommissie volgens bepaalde criteria werkt. Uiteraard werkt ze volgens bepaalde criteria; het zou er nog aan mankeren.

 

04.05  Frieda Gijbels (N-VA): Ik ben zelf een grote voorstander van quota. Niet zozeer omdat de opleiding duur is, maar wel omdat ze kwaliteitsvol moet zijn en voldoende patiëntencontact moet garanderen.

 

In die zin vind ik het bijzonder spijtig dat Vlaanderen al jarenlang, zelfs al decennialang, zijn verantwoordelijkheid neemt, terwijl het in Wallonië nog altijd fout loopt. Er is nu wel een bindend toelatingsexamen, maar dat blijkt een maat voor niets te zijn, want de Planningscommissie houdt al rekening met een zekere uitval. De Franstalige Gemeenschap doet daar nog eens een schep boven op. Wie zal echter die studenten na zes jaar vertellen dat ze geen RIZIV-nummer zullen kunnen krijgen omdat het quotum opgebruikt is? Niemand zal dat durven zeggen.

 

Tenzij u, mijnheer de minister, toch nog werk maakt van de federale attesten waarover u het ooit hebt gehad en die nodig zullen zijn om aan een vervolgopleiding te beginnen. Ik denk echt dat dit de enige manier is om ervoor te zorgen dat de budgetten gelijk worden verdeeld over de verschillende gemeenschappen. Iedereen weet immers dat meer artsen leiden tot meer zorgconsumptie. Dat zien we ook in de cijfers. Kijk maar eens naar de IMA-rapporten.

 

De huidige situatie is dus gewoon niet eerlijk. Na decennia hebben we het blijkbaar nog altijd niet opgelost. Mijnheer de minister, ik zou u dan ook willen vragen om werk te maken van die federale attesten. Anders vrees ik dat we er nooit zullen uitraken.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L’avis du KCE sur les tests sanguins de dépistage des PFAS" (56017859C)

05 Vraag van François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het advies van het KCE over PFAS-bloedtests" (56017859C)

 

05.01  François De Smet (DéFI): Le Centre fédéral d'expertise des soins de santé (KCE) qui avait été chargé d’évaluer la pertinence d’un dépistage sanguin, conclut que les tests sanguins de dépistage des PFAS n'apportent pas de plus-value clinique pour les groupes vulnérables: en l'absence de seuils d'intervention médicale validés et de traitement permettant d'abaisser la charge corporelle en substances perfluorées, la mesure de la concentration sanguine ne modifie pas la prise en charge des personnes exposées.

 

Cette conclusion intervient alors que des milliers de riverains de sites contaminés, de Zwijndrecht aux zones concernées en Wallonie, demandent un suivi sanitaire et que des campagnes de biosurveillance ont été engagées.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous m'indiquer si vous confirmez les conclusions du rapport du KCE et en préciser la portée exacte? Quelles suites le gouvernement entend-il donner à ce rapport pour les populations exposées qui demandent un suivi ( dispositif de surveillance sanitaire, épidémiologique et de communication financé au niveau fédéral )? Quelle est l'articulation entre la position fédérale et les programmes régionaux de biosurveillance en cours, au sein de la Conférence interministérielle Santé publique, afin d'éviter des messages contradictoires?

 

05.02  Frank Vandenbroucke, ministre: Monsieur De Smet, le rapport 422B du KCE confirme, dans la ligne du rapport de 2025, que le dosage sanguin des PFAS ne présente actuellement pas d'utilité clinique, y compris chez les femmes enceintes ou allaitantes et chez les personnes exposées dans le cadre de leur activité professionnelle.

 

De nombreuses incertitudes subsistent quant aux risques et aux seuils de concentration. Le KCE recommande dès lors la prudence, la mise en œuvre de mesures visant à limiter l'exposition ainsi que des recherches plus ciblées, transparentes et de longue durée. Je peux soutenir ses conclusions.

 

Pour les femmes enceintes, le suivi habituel reste d'application. Pour les populations exposées, la réponse se situe dans la prévention, la recherche et une communication harmonisée plutôt que dans un dépistage individuel.

 

Au niveau fédéral, je soutiens la recherche sur la substitution des PFAS ainsi que la restriction universelle de ces substances dans le cadre de REACH. Par ailleurs, un module d'e-learning accrédité destiné aux professionnels de la santé est en préparation dans le cadre du NEHAP (National Environment-Health Action Plan), avec des recommandations relatives à la prise en charge des personnes fortement exposées. Le biomonitoring humain relève des régions.

 

Afin d'éviter des messages contradictoires, la Conférence interministérielle Santé a mis en place un groupe de travail interadministratif sous le pilotage de la Wallonie, avec trois priorités: harmoniser la communication, renforcer la recherche et participer activement aux initiatives européennes.

 

05.03  François De Smet (DéFI): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour l'ensemble des informations, notamment sur le suivi fédéral de la recherche concernant la substitution des PFAS ainsi que sur le groupe de travail en cours avec les régions. C'est particulièrement intéressant.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De administratieve boetes voor de verzekeringsinstellingen" (56017866C)

06 Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les amendes administratives infligées aux organismes assureurs" (56017866C)

 

06.01  Frieda Gijbels (N-VA): De verzekeringsinstellingen hebben een taak in het beheer van de ziekteverzekering. Hierbij zijn zij verplicht om een aantal administratieve verplichtingen na te leven. Indien zij deze verplichtingen niet naleven, kan hen een financiële sanctie worden opgelegd door de leidend ambtenaar van de Dienst administratieve controle (DAC) van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV). In artikel 166, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 worden verschillende administratieve boetes vermeld die het RIZIV in dit kader kan opleggen aan de verzekeringsinstellingen, genummerd van a) tot l).

 

Hierover heb ik de volgende vragen voor u:

 

Graag voor elk van de inbreuken die opgesomd worden in artikel 166, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 het aantal administratieve boetes dat naar aanleiding van deze inbreuk werd opgelegd, alsook het betrokken totaalbedrag aan boetes per inbreuk. Graag deze cijfers voor de jaren 2021, 2022, 2023, 2024 en (indien beschikbaar) 2025 opgesplitst per verzekeringsinstelling en per gewest.

 

Voor de inbreuken c (het niet tijdig stuiten van de verjaring) een aanduiding van het aantal boetes van 62,5 euro en van 125 euro, en voor inbreuk i (het onterecht inschrijven van een bedrag op de lijsten van effectief teruggevorderde bedragen) ook graag een aanduiding van het aantal boetes van 50 euro, 125 euro en van 250 euro.

 

06.02 Minister Frank Vandenbroucke: Artikel 166 § 1 van de gecoördineerde wet voorziet administratieve sancties wanneer verzekeringsinstellingen hun wettelijke verplichtingen niet naleven. Uit de cijfers voor de periode 2021 tot en met 2025 blijkt dat de meeste vastgestelde tekortkomingen betrekking hebben op drie categorieën, namelijk het beheer van onverschuldigde bedragen, laattijdige regularisaties en foutieve inschrijvingen op de lijsten van effectief teruggevorderde bedragen.

 

In 2021 werden 95 sancties opgelegd, voor een totaalbedrag van 13.000 euro. In 2022 waren dat 345 sancties voor 44.550 euro. In 2023 werden 207 sancties opgelegd voor 25.675 euro. In 2024 ging het om 410 sancties voor 51.025 euro en in 2025 waren er 257 sancties voor 24.575 euro. Het gedetailleerde cijfermateriaal per verzekeringsinstelling en per gewest kan ik u schriftelijk bezorgen. Men moet die cijfers bekijken in het licht van een zeer groot aantal behandelde dossiers.

 

Voor inbreuk C – het niet tijdig stuiten van de verjaring – werd in 2021, 2022 en 2023 geen enkele sanctie opgelegd. In 2024 werden 2 gevallen vastgesteld, voor 250 euro. In 2025 waren er 17 sancties, goed voor 1.937,50 euro.

 

Voor inbreuk I worden de drie boetecategorieën van 50, 125 en 250 euro regelmatig toegepast. De cijfers per afzonderlijk boetebedrag heb ik echter niet ter beschikking. Het ging om 304 sancties in 2021, 210 in 2022, 43 in 2023, 241 in 2024 en 57 in 2025. De bedragen varieerden van 5.250 tot 35.175 euro per jaar.

 

Mijn medewerkster kan ervoor zorgen dat u het gedetailleerde cijfermateriaal schriftelijk ontvangt.

 

06.03  Frieda Gijbels (N-VA): Dan zal ik die details wel in mijn mailbox zien verschijnen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De uitblijvende plannen tegen bepaalde aandoeningen" (56017870C)

07 Question de Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'absence de stratégies de lutte contre certaines affections" (56017870C)

 

07.01  Irina De Knop (Anders.): In het regeerakkoord kondigt de regering aan dat naast een kankerplan ook een plan voor cardiovasculaire aandoeningen en een plan voor neurodegeneratieve ziekten zullen worden uitgewerkt. Dergelijke actieplannen zijn uiteraard belangrijk voor het betrokken werkterrein, des te meer omdat heel wat afstemming nodig is tussen de federale en de regionale regeringen, wat dan op een gestructureerde manier gebeurt, en omdat de economische, gezondheidsgerelateerde en maatschappelijke kosten de pan uitrijzen, als we zouden blijven stilzitten.

 

Cardiovasculaire aandoeningen vormen in België een aanzienlijk gezondheidsprobleem, zoals ook uit een aantal cijfers blijkt. Jaarlijks zijn er meer dan 300.000 ziekenhuisopnames als gevolg van hart- en vaatziekten. Dat vertegenwoordigt bijna 10 % van alle ziekenhuisopnames. Jaarlijks eisen die aandoeningen ook bijna 30.000 levens, bijna een kwart van alle sterfgevallen. Samen met kanker zijn ze de belangrijkste doodsoorzaak. De Wereldgezondheidsorganisatie vraagt terecht bijzondere inspanningen om het aantal cardiovasculaire aandoeningen tegen 2030 met 30 % te verminderen. Ook de Europese Commissie voorziet in een Safe Hearts Plan om de lidstaten in beweging te brengen.

 

Kunt u ons meedelen wanneer de verschillende plannen zullen volgen? Hebt u ook de ambitie om de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie te volgen en de Europese doelstelling te verwezenlijken? Welke investeringsbudgetten koppelt u aan elk van die plannen? Zult u naast de noodzakelijke interfederale coördinatie, ook patiëntenorganisaties betrekken bij het begeleidingscomité, zoals gevraagd door de Belgische Cardiologische Liga en de Belgian Society of Cardiology?

 

07.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw De Knop, het is jammer dat u zo lang op een antwoord hebt moeten wachten, want ondertussen hebben we inderdaad het nationaal Kankerplan bekendgemaakt. Ik wil mijn ambtenaren en medewerkers, alsook de vele mensen op het terrein en de organisaties, die daar hard aan hebben gewerkt, enorm bedanken. Met het Kankerplan zetten we een mooie koers uit voor de komende tien jaar. Het plan geeft structuur aan de actie. Daarbij was er ook een grote betrokkenheid van patiëntenorganisaties, naast die van de medische experts. Ik vind dat een voorbeeld voor de opmaak van de andere plannen waaraan we nog werken.

 

Voor de neurodegeneratieve aandoeningen werken we aan verschillende initiatieven op federaal niveau. Ik denk aan de geheugenklinieken voor mensen met beginnende dementie, de conferenties van onlangs over de zorg voor personen met multiple sclerose, ALS of Huntington en het casemanagement dat een aantal patiëntenverenigingen voor neurodegeneratieve aandoeningen organiseert voor mensen met complexe zorgnoden.

 

Daarnaast overleggen we met de gemeenschappen in het kader van wat we goed geïntegreerde zorg noemen over de uitwerking van een programma voor kwetsbare personen, zoals personen met dementie en jongdementie, een specifieke doelgroep in de bredere groep van kwetsbare personen. Dat overleg vraagt zeer veel tijd. Ons land is helaas zeer complex geworden, te complex, maar ondanks die complexiteit proberen we vooruitgang te boeken voor die doelgroepen. Veel meer kan ik daarover nog niet zeggen. Het is alvast mijn bedoeling om met iets concreets te landen.

 

Ook voor cardiovasculaire gezondheid is een interfederaal plan absoluut wenselijk. De cijfers zijn bekend; ze wijzen erop dat we in België op dat vlak nog werk hebben. De kaders die door de Wereldgezondheidsorganisatie en de Europese Commissie zijn gecreëerd lijken me interessant. Dat betekent niet dat we het altijd eens zijn met elke aanbeveling van de Europese Commissie. U zult zich misschien herinneren dat we in het verleden op andere domeinen soms niet 100 % zijn meegegaan met aanbevelingen over onder andere screening; hoe dan ook vinden we dat wel altijd interessante stimulansen.

 

Het is wat vroeg om al mee te geven hoe we zullen landen met het plan voor cardiovasculaire gezondheid. We hebben daarover wel een goed contact met de Belgische Cardiologische Liga en de Belgian Society of Cardiology.

 

Ten slotte, volgens ons zijn de wetenschappelijke evidentie en de meerwaarde in onze eigen Belgische context van de Heart Health Check op dit moment onvoldoende aangetoond. We bekijken wel nader het mogelijke nut ervan voor bepaalde specifieke groepen. In het algemeen bestaat daarover bij mijn experten heel wat twijfel. De vraag blijft echter open of we een dergelijke screening voor specifieke doelgroepen kunnen invoeren.

 

Ik probeer ter zake vooruitgang te boeken, want die thema’s zijn inderdaad belangrijk.

 

07.03  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, sta mij toe om eerst en vooral mijn felicitaties uit te spreken voor het nationale Kankerplan. Daar werd lang naar uitgekeken. Ik heb gemerkt dat heel wat elementen in dat plan ook aan bod kwamen in een voorstel van resolutie dat we hadden uitgewerkt. Dat is mooi werk. Ik wens u veel succes met de implementatie ervan. Een plan is immers maar zo goed als de acties die erop volgen. Ik wil u en alle medewerkers aan het plan feliciteren.

 

Ik betreur wel enigszins dat u ons geen zicht geeft op een timing. Wanneer zult u landen met het plan voor neurodegeneratieve ziekten? Wanneer wilt u landen met het plan rond cardiovasculaire gezondheid? U hebt in algemene termen geantwoord.

 

Ik heb ook niet begrepen welke investeringsbudgetten eventueel aan de plannen worden gekoppeld. Dat heb ik voor geen van de drie plannen gehoord. Ik zal dan ook niet anders kunnen dan u daarover opnieuw te ondervragen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De verdere toegang tot sotatercept voor PAH-patiënten" (56017871C)

08 Question de Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le maintien de l'accès au sotatercept pour les patients HTAP" (56017871C)

 

08.01  Irina De Knop (Anders.): Ik verwijs naar de tekst van mijn ingediende vraag.

 

We hadden het recent over de weigering van terugbetaling van sotatercept, of Winrevair, voor patiënten met pulmonale arteriële hypertensie. U gaf toen aan dat de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen het innovatieve karakter en de belangrijke medische nood erkent, maar dat er volgens de commissie nog onzekerheden bestaan over onder meer langetermijneffecten, mortaliteit, levenskwaliteit en veiligheid in real-world omstandigheden. Ook de prijs speelde een belangrijke rol.

 

U verduidelijkte dat onderhandelingen over een overeenkomst tussen het RIZIV en de firma niet tot een akkoord hebben geleid. Tegelijk gaf u aan dat de firma een versnelde herbeoordeling via de zogenaamde loop-procedure kan aanvragen, of een volledig nieuw dossier kan indienen. Patiënten die reeds via het Medical Need Program werden opgestart, behouden volgens u toegang tot de behandeling.

 

Voor PAH-patiënten blijft dit een zeer moeilijke boodschap. Het gaat om een zeldzame, ernstige en progressieve aandoening zonder genezende behandeling. De vraag is dus vooral welk perspectief patiënten nu nog hebben.

 

Welke lessen trekt u uit de mislukte onderhandelingen over een mogelijke overeenkomst?

 

Is een terugbetaling voor een duidelijk afgebakende patiëntengroep volgens u nog mogelijk?

 

Welke criteria zouden volgens u nodig zijn om zo'n doelgroep medisch en budgettair verantwoord af te bakenen?

 

Hoe wordt gegarandeerd dat patiënten die vandaag toegang hebben via het Medical Need Program hun behandeling zonder onderbreking kunnen voortzetten?

 

Kunnen nieuwe patiënten vandaag nog toegang krijgen via een Medical Need Program of een andere tijdelijke regeling?

 

Hoe volgt u de beslissingen in andere Europese landen op, zodat België niet structureel achteroploopt bij innovatieve behandelingen voor zeldzame aandoeningen?

 

Zal u patiëntenverenigingen en PAH-experten betrekken bij een eventuele herbeoordeling van dit dossier?

 

08.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw De Knop, u zult begrijpen dat ik een beetje formalistisch moet antwoorden. Ik zal de vragen gewoon overlopen.

 

U vraagt of ik lessen kan trekken uit de mislukte onderhandelingen. Wegens de vertrouwelijkheid van de onderhandelingen kan ik niet in detail treden over de redenen waarom er geen akkoord tot stand is gekomen.

 

Vervolgens vraagt u of een terugbetaling voor een duidelijk afgebakende patiëntengroep nog mogelijk is. Ja, dat is mogelijk als de firma de nodige bewijzen kan voorleggen op het vlak van de klinische effectiviteit, de veiligheid, de farmaco-economische impact en de budgettaire impact.

 

U vraagt ook welke criteria volgens mij nodig zijn om een doelgroep medisch en budgettair verantwoord af te bakenen. Daarover zal ik me niet uitspreken. Het is aan de firma en vervolgens aan de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen (CTG) om dergelijke criteria te definiëren, steeds op basis van bestaande wetenschappelijke evidentie.

 

Dan hebt u het over de toegang tot het medical need program. Daar wil ik iets uitvoeriger op antwoorden, want dat is belangrijk. Als het geneesmiddel niet wordt gecommercialiseerd, moeten de verantwoordelijken voor het programma – de farmaceutische firma – wettelijk verplicht het geneesmiddel blijven leveren volgens de programmavoorwaarden aan de patiënten die vóór de datum van beëindiging van het programma werden opgenomen. Als het geneesmiddel op de markt wordt gebracht, met of zonder vergoeding, is de verantwoordelijke van het programma niet langer verplicht het geneesmiddel onder de voorwaarden van het programma – gratis dus – te blijven leveren. Als de firma ervoor zou opteren om het geneesmiddel tegen de huidige astronomische lijstprijs te commercialiseren, zou dat in de praktijk natuurlijk neerkomen op een duidelijke keuze tegen de betrokken patiënten. Dat is het formele antwoord dat ik u geef. Zoals altijd ligt hier een cruciale verantwoordelijkheid bij de firma zelf.

 

Wat uw vijfde vraag betreft, staat in het protocol van het medical need program dat geen nieuwe patiënten worden opgenomen, maar het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG) meldt mij dat er wel nog enkele nieuwe patiënten worden opgestart. De firma kan echter niet worden verplicht om blijvend nieuwe patiënten te includeren. Dat is de wetgeving.

 

De zesde vraag betreft beslissingen in andere Europese landen. Vergoedingen in andere landen worden door het RIZIV opgevolgd in de EURIPID-databank en in het kader van de vijflandencontext van Beneluxa. Daarnaast ontvangt de CTG van het farmaceutische bedrijf een lijst met vergoedingen in EU-landen.

 

U vraagt of ik de patiëntenverenigingen en experten zal betrekken. Ja, de patiëntenverenigingen zijn sinds april 2025 vertegenwoordigd in de CTG. We hebben ook al samengezeten met de specifieke patiëntenvereniging nadat duidelijk werd dat er helaas geen akkoord kon worden gevonden. We hebben dat dus besproken met de patiëntenvereniging. Bij een nieuwe procedure zal mijn kabinet ter beschikking staan van de patiëntenvereniging om haar op de hoogte te houden van het verloop van de procedure. Dat hebben we haar al uitgelegd.

 

Het is allemaal jammer en moeilijk. Het is  belangrijk om zeer openhartig te zijn tegenover de patiëntenvereniging in de mate dat het kan, met respect voor de vertrouwelijkheid van dergelijke onderhandelingen.

 

08.03  Irina De Knop (Anders.): Los van dit specifieke medicijn of recept hoor ik dat de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen het voor bepaalde criteria zo moeilijk maakt dat er altijd wel een reden lijkt te zijn om aan bepaalde effecten te twijfelen of nog meer gegevens te willen verzamelen. Dergelijke zaken nemen natuurlijk ook tijd in beslag. Naar ik verneem, is de beoordeling soms nogal eenzijdig, waarbij vaak niet naar het rendement op lange termijn wordt gekeken.

 

Ik heb begrepen dat de CTG een horizon van ongeveer drie jaar hanteert om de efficiëntie en de meerwaarde van een geneesmiddel te beoordelen. In bepaalde gevallen moet men echter over een langere termijn een oordeel kunnen vormen. Het is dus nuttig en nodig dat de commissie voldoende breed kijkt en zowel in de breedte als in de diepte evalueert.

 

Uiteraard moet er ook een mogelijkheid zijn om te onderhandelen, zodat de prijs in overeenstemming is met wat het zorgbudget kan dragen. U speelt daarin natuurlijk een cruciale rol, mijnheer de minister.

 

Ik maak me een beetje ongerust. Dit is slechts één voorbeeld. Er zijn echter veel voorbeelden waarbij het erg lang duurt voordat een geneesmiddel wordt erkend en terugbetaald. Vaak gaat het om innovatieve geneesmiddelen die belangrijk zijn voor de patiënt, maar ook voor de innovatie in onze gezondheidszorg. Als we ervoor willen blijven zorgen dat onze patiënten snel toegang krijgen tot innovatieve geneesmiddelen, dragen we daarin een belangrijke verantwoordelijkheid.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 56017873C van mevrouw Lanjri wordt uitgesteld.

 

09 Questions jointes de

- Benoît Piedboeuf à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'interdiction des additifs dans les e-liquides (base juridique et impact)" (56017888C)

- Benoît Piedboeuf à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'interdiction des additifs dans les e-liquides (cohérence, calendrier et contrôle)" (56017889C)

09 Samengevoegde vragen van

- Benoît Piedboeuf aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het verbod op additieven in e-vloeistoffen (rechtsgrond en gevolgen)" (56017888C)

- Benoît Piedboeuf aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het verbod op additieven in e-vloeistoffen (coherentie, tijdpad en controle)" (56017889C)

 

09.01  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, le SPF Santé publique a envoyé le 18 juin dernier une communication au secteur visant à "clarifier" l’application de l’article 4, §4, 5° de l’arrêté royal du 28 octobre 2016 relatif aux cigarettes électroniques.

 

Si cette mesure est présentée comme une simple clarification réglementaire, elle apparaît en pratique comme une évolution substantielle du cadre applicable.

 

En effet, les substances visées sont, dans de nombreux cas, intrinsèquement liées à l’expérience d’inhalation des produits de vapotage. Leur interdiction généralisée devrait dès lors avoir pour effet d’exclure du marché la plupart des produits de vapotage actuellement légalement disponibles sur le marché belge.

 

Sur quelle base scientifique et juridique repose l’assimilation systématique des activateurs TRPM8 à des additifs "facilitant l’inhalation" au sens de l’arrêté royal de 2016?

 

Cette interprétation a-t-elle fait l’objet d’une expertise indépendante ou d’une consultation préalable des parties prenantes?

 

Le SPF Santé publique a-t-il procédé à une évaluation de l’impact de cette mesure sur l’offre de produits de vapotage en Belgique?

 

Une analyse a-t-elle été menée concernant les conséquences pour les centaines de milliers de consommateurs adultes utilisant ces produits comme alternative au tabac?

 

La nouvelle interprétation annoncée par le SPF, le 18 juin, concernant l’application de l’article 4, §4, 5 de l’arrêté royal du 28 octobre 2016 relatif aux cigarettes électroniques semble vouloir anticiper de manière significative cette échéance, réduisant le délai d’adaptation pour les acteurs économiques à moins de six mois. Une telle situation pourrait entraîner des conséquences importantes, tant pour les entreprises (en grande majorité des PME belges) que pour les centaines de milliers de consommateurs adultes qui utilisent ces produits comme alternative au tabac. Par ailleurs, l’expérience d’autres États membres, notamment les Pays-Bas, suggère que des restrictions étendues favorisent le développement de circuits parallèles non contrôlés, où des jeunes deviennent des "dealers" de cigarettes électroniques, sans nécessairement atteindre les objectifs de santé publique visés.

 

Monsieur le ministre, comment le gouvernement justifie-t-il la proportionnalité de cette mesure au regard des objectifs de santé publique poursuivis?

 

Comment cette initiative s’articule-t-elle avec la décision récente relative à l’interdiction des arômes prévue pour septembre 2028?

 

Pour quelles raisons la date du 1er janvier 2027 a-t-elle été retenue comme échéance d’entrée en vigueur contraignante?

 

Le gouvernement considère-t-il que ce délai est suffisant pour permettre aux opérateurs économiques de s’adapter dans des conditions viables?

 

Des mesures d’accompagnement ou de transition sont-elles envisagées?

 

Quelles mesures sont-elles envisagées pour prévenir le développement de marchés parallèles ou non conformes? Des contacts avec l’administration des douanes et accises ont-ils été menés par votre administration?

 

Une évaluation de l’impact budgétaire potentiel (notamment en matière d’accises et de TVA) a-t-elle été réalisée?

 

09.02  Frank Vandenbroucke, ministre: Je tiens tout d'abord à préciser que, suite à la décision du Conseil des ministres du 17 juillet, le SPF Santé publique a informé le secteur, le 12 août de cette année, que l'entrée en vigueur de l'article 4, paragraphe 4, 5ème de l'arrêté royal du 28 octobre 2016 sera reportée au 1er septembre 2028, afin de garantir une mise en œuvre cohérente de la réglementation.

 

Je rappelle qu'il ne s'agit pas d'une nouvelle interdiction, mais de l'application d'une disposition déjà prévue dans l'arrêté royal précité, qui concerne la transposition de la directive européenne relative aux produits du tabac.

 

La liste des substances concernées s'inscrit dans la continuité de celle qui avait déjà été communiquée en 2021 pour les produits à base de tabac. Cette liste n'est donc pas nouvelle. Elle a été élaborée à la suite des recommandations formulées en 2020, dans le cadre de la Joint Action on Tobacco Control, et après consultation d'experts scientifiques de l'Organisation mondiale de la Santé.

 

Par ailleurs, le neuvième rapport du groupe d'études de l'OMS sur la réglementation des produits du tabac 2023 confirme que les activateurs du récepteur TRPMS facilitent l'inhalation.

 

Conformément à l'article 5.3 de la convention-cadre de l'OMS pour la lutte anti-tabac, aucune concertation n'a été menée avec l'industrie du tabac. Les politiques de santé publique doivent en effet être protégées des intérêts commerciaux de cette industrie. Mes services ont dès lors agi de manière pleinement légitime. Ils ont en outre informé à plusieurs reprises le secteur qu'une telle liste pour les cigarettes électroniques était en cours de préparation.

 

Enfin, comme vous le savez, des moyens budgétaires supplémentaires ont été alloués aux services d'inspection afin de renforcer les contrôles relatifs aux produits du tabac illégaux, en étroite collaboration avec l'administration générale des douanes et accises.

 

Il y a eu une séance d'information en février 2023 sur les modifications apportées à l'arrêté royal régissant les cigarettes électroniques, un Frequently Asked Questions sur le site web, et les informations relatives à la liste des ingrédients dans les dossiers de notification. Voilà ma réponse.

 

09.03  Benoît Piedboeuf (MR): Merci, monsieur le ministre, pour toutes ces informations.

 

La fin de votre réponse concerne le commerce illégal. C’est vraiment un travail à poursuivre. Cela a déjà été efficace pour le démantèlement de toute une série de réseaux, mais il y en a encore. On sait que la consommation vient en partie de là et en partie du transfrontalier. Je vous remercie pour vos réponses.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De plaats van innovatie binnen de hervorming van het ziekenhuislandschap" (56017900C)

10 Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La place de l'innovation au sein de la réforme du paysage hospitalier" (56017900C)

 

10.01  Frieda Gijbels (N-VA): Mijn vraag is vrij uitgebreid en betreft de hervorming van het ziekenhuislandschap, die op tafel ligt en uiteraard nog een heel traject moet doorlopen. De vraag is vooral welke rol innovatie zal spelen in de toekomst van onze ziekenhuizen. Ik merk dat daarover ook ongerustheid bestaat bij de ziekenhuizen, onder meer omdat nog niet alles duidelijk is over een hervormde ziekenhuisfinanciering. Men stelt zich vragen over wat nog mogelijk zal zijn en hoeveel ruimte daarvoor zal blijven.

 

Hoe ziet u de rol van innovatie binnen de ziekenhuizen? Zal die voorbehouden blijven voor universitaire ziekenhuizen of zal die ook een plaats krijgen in algemene ziekenhuizen, ziekenhuizen voor dagzorg, voorzieningen voor intermediaire zorg en revalidatiecentra, zoals toch wenselijk is? Hoe zal innovatie worden ondersteund? Als we onze zorg verder willen ontwikkelen, is het immers van groot belang dat er ruimte blijft voor innovatie.

 

10.02 Minister Frank Vandenbroucke: Het idee van een innovatiefonds is inderdaad ter sprake gekomen in het kader van de hervorming van de nomenclatuur en de ziekenhuisfinanciering, maar dus niet zozeer naar aanleiding van de hervorming van het ziekenhuislandschap. Het gaat meer over de financieringsdiscussie. Daarom was het innovatiefonds ook niet opgenomen in de oriëntaties die we samen met de interministeriële conferentie Volksgezondheid hebben vastgelegd en gepubliceerd, aangezien die betrekking hadden op het ziekenhuislandschap. Over het fonds is wel van gedachten gewisseld in het kader van de financiering.

 

Daarover ligt nog niets vast, al is het voor mij wel een belangrijk debat. Eerst moeten we ons afvragen wat we precies begrijpen onder innovatie. Dat begrip moet worden afgebakend. De gedachtewisseling daarover vindt plaats binnen de ad-hocoverlegstructuur rond de hervorming van de ziekenhuisorganisatie en -financiering, waarin artsen, ziekenhuizen en VI’s rond de tafel zitten. Het spreekt voor zich dat de federale financiering daarbij rekening moet houden met de bevoegdheidsverdeling met de deelstaten qua investeringen in innovatie op het vlak van uitrusting en infrastructuur. Ik vind wel dat we innovatiebudgetten niet uitsluitend voor universitaire ziekenhuizen mogen voorbehouden, dat lijkt me een misverstand.

 

Wat cybersecurity betreft, wil ik – zonder zelfgenoegzaam te willen klinken – toch benadrukken dat we de voorbije jaren systematisch aanzienlijke middelen hebben uitgetrokken ter ondersteuning van de informatisering, in het bijzonder voor cybersecurity. Er is al heel wat gebeurd. Ik wil niet beweren dat we er al zijn, maar het is niet zo dat we niets doen. Volgens mij moeten we dat onderscheiden van het debat over innovatie. Innovatie gaat over vernieuwing in de medische wetenschap en in de behandeling van patiënten. Volgens mij gaat het daarbij niet louter om nieuwe ICT-ontwikkelingen of dergelijke.

 

10.03  Frieda Gijbels (N-VA): Inderdaad, zoals u zelf aangeeft, denk ik het debat eerder zal worden gevoerd in het kader van de hervorming van de ziekenhuisfinanciering. Er moet daarbij voldoende ruimte gegarandeerd blijven om te innoveren. Innovatie is noodzakelijk als we met onze zorg vooruit willen blijven gaan. Volgens mij leveren we zorg van goede kwaliteit en die kwaliteit moeten we zeker blijven ondersteunen. Ik kijk uit naar de verdere debatten die we daarover zullen voeren wanneer we het zullen hebben over de ziekenhuisfinanciering en de hervorming van de nomenclatuur.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

11 Questions jointes de

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les recommandations du KCE en matière de dépistage des cancers du sein" (56017906C)

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les études internationales sur le dépistage des gènes de prédisposition aux cancers à haut risque" (56017909C)

11 Samengevoegde vragen van

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De aanbevelingen van het KCE inzake borstkankerscreening" (56017906C)

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De internationale studies over de genetische screening op hoogrisicokankergenen" (56017909C)

 

11.01  François De Smet (DéFI): Je renvoie à la question que j'ai introduite par écrit.

 

Selon La Libre Belgique du 9 juillet, le Centre fédéral d'expertise des soins de santé (KCE) a publié tout dernièrement un rapport dans lequel il ne recommande pas l'élargissement du dépistage de masse du cancer du sein aux femmes de 45 à 49 ans et de 70 à 74 ans, au regard du rapport coût-efficacité et de la balance bénéfices-risques.

 

Parallèlement, Le Vif relève que 118 000 Belges à haut risque n'ont pas accès à un test de dépistage remboursé, alors même que l'efficience de ce dépistage ciblé est jugée favorable, et rappelle que l'OCDE pointe la faiblesse des dépenses belges de prévention. La prévention ne représente qu'environ 2 % des dépenses de santé belges, qui sont parmi les plus faibles d'Europe occidentale, selon l'OCDE. Et cette compétence relève des entités fédérées

 

La tension entre le refus d'élargir un dépistage de masse, jugé peu efficient, et l'absence de remboursement d'un dépistage ciblé, jugé efficient pour les personnes à haut risque, interroge la cohérence d'ensemble de la politique fédérale de prévention.

 

En conséquence, monsieur le ministre, confirmez-vous les conclusions du rapport du KCE, et comptez-vous les suivre intégralement? Quelles suites ont-elles été données à l'identification des 118 000 personnes à haut risque privées d'un test remboursé, et pour quelles pathologies ce dépistage ciblé est-il envisagé? Quel est le budget INAMI actuellement consacré aux dépistages organisés, et quel serait le coût d'un remboursement du dépistage ciblé des personnes à haut risque, comparé au coût des traitements évités, selon les données du KCE et de l'OCDE? Comment comptez-vous porter la part de la prévention dans les dépenses de santé au niveau des standards européens, en concertation avec les entités fédérées via la Conférence interministérielle?

 

11.02  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, ik zal mijn vraag integraal mondeling stellen omdat ze de nodige aandacht verdient.

 

Heel wat studies wijzen er steeds nadrukkelijker op dat genetische screening op hoogrisicokankergenen een belangrijke rol kan spelen in preventie en vroegtijdige opsporing. Door mensen met een verhoogd genetisch risico tijdig te identificeren, kunnen ze beter opgevolgd worden en kunnen preventieve maatregelen sneller worden genomen. Op die manier kunnen levens worden gered, maar kan ook worden vermeden dat kanker pas in een vergevorderd stadium wordt vastgesteld.

 

Vandaag blijft het Belgisch terugbetalingsbeleid echter vooral vertrekken vanuit een reactieve logica. In de praktijk wordt vaak pas genetisch getest nadat iemand kanker heeft gekregen, waarna eventueel ook familieleden onderzocht worden. Dat is belangrijk, maar dat is een aanpak die vertrekt vanuit de ziekte, niet vanuit het voorkomen van de ziekte. Er zijn heel wat buitenlandse voorbeelden die aantonen dat bevolkingsbrede of gerichte genetische screenings op hoogrisicogroepen goedkoper en efficiënter kunnen worden georganiseerd. Ook de bezorgdheid over de psychologische impact lijkt volgens verschillende studies toch genuanceerder te zijn. Een negatieve test kan net zo goed geruststelling bieden, terwijl een positieve test toelaat om tijdig keuzes te maken.

 

Mijnheer de minister, ik heb daarover enkele vragen. Er zijn internationale studies die aantonen dat het genetisch testen van de bevolking duizenden levens kan redden en ook uiterst kostenefficiënt kan zijn. Waarom wordt dat wetenschappelijk bewijs niet gevolgd in het Belgisch terugbetalingsbeleid? Waarom kiest België ervoor om pas na een diagnose genetische testen terug te betalen? Welke concrete bezwaren ziet u nog op het vlak van kosteneffectiviteit en organisatie, ondanks de talrijke internationale voorbeelden?

 

U blijft ook verwijzen naar mogelijke psychologische nadelen als argument tegen terugbetaling. Kunt u dat toelichten? Welke bijkomende gegevens zijn er volgens u nog nodig vooraleer zou kunnen worden overgegaan tot terugbetaling? Wat hebt u nog meer nodig dan de bestaande gevalideerde internationale studies? Welke concrete organisatorische knelpunten ziet u? Waarom kunnen proefprojecten, zoals dat van de VUB, niet dienen om die knelpunten net beter in kaart te brengen?

 

11.03 Minister Frank Vandenbroucke: Mijn antwoord is deels in het Frans, omdat ik dacht dat ook Franstalige leden vragen hadden gesteld. Mijn excuses daarvoor.

 

Le récent rapport du KCE porte sur le dépistage du cancer du sein organisé par les entités fédérées, et destiné aux femmes ne présentant pas de risque accru de développer cette maladie. Le KCE ne recommande pas d'étendre ce dépistage aux femmes âgées de 45 à 49 ans ni à celles âgées de 70 à 74 ans, au regard de l'équilibre entre les inconvénients et les bénéfices cliniques, mais également en raison du rapport coût-efficacité.

 

Ces recommandations ne concernent toutefois pas les femmes présentant des antécédents personnels ou familiaux de cancer du sein, des prédispositions génétiques ou des symptômes. Pour les femmes âgées de 50 à 69 ans, la mammographie de dépistage bisannuelle avec double lecture est intégralement remboursée.

 

Les dépenses annuelles de l'INAMI liées aux mammographies de dépistage et à leur lecture dans le cadre de dépistages de masse sont estimées à environ 21 millions d'euros. Par ailleurs, pour les femmes présentant un risque accru identifié, il existe une nomenclature distincte pour un suivi plus intensif.

 

De twee vragen verwijzen daarnaast naar genetische bevolkingsscreening op erfelijke kankerpredispositie. Dat aspect is niet onderzocht in het KCE-rapport.

 

Het aangehaalde cijfer van 118.000 betreft een schatting van het aantal dragers in de Belgische bevolking. Het pleidooi in het aangehaalde artikel gaat dus over een bevolkingsbreed screeningsaanbod om die personen te identificeren. Aangezien georganiseerde screeningsprogramma’s tot de bevoegdheid van de deelstaten behoren, komt het in de eerste plaats aan hen toe om te beoordelen of nieuwe programma’s of proefprojecten wenselijk zijn.

 

De keuzes inzake organisatie, evaluatie en financiering liggen dus in eerste instantie bij de overheden die verantwoordelijk zijn voor het preventiebeleid, uiteraard in afstemming met het federale niveau. In die context onderhouden we als federale overheid regelmatig overleg met de deelstaten om de uitwisseling van kennis te bevorderen, wetenschappelijke ontwikkelingen op te volgen en een goede coördinatie van het gezondheidsbeleid te ondersteunen. Screening in samenwerking met de deelstaten vormt ook een belangrijk onderdeel van het onlangs gepubliceerde Belgisch Kankerplan 2026-2036, waarover we het daarnet al hadden.

 

Daarin hebben we iets opgenomen wat op het eerste gezicht misschien wat raar of afstandelijk overkomt, mevrouw De Knop. Toch is het belangrijk en raakt het aan de kern van uw vraag. We vinden het belangrijk om bij te dragen aan een verdere wetenschappelijke onderbouwing en de optimalisatie van de bestaande screeningsprogramma’s, maar ook om onderzoek te doen naar de meerwaarde en de haalbaarheid van risicogebaseerde screening.

 

Dat staat letterlijk in het Kankerplan. In de eerste fase ligt de focus op longkankerscreening bij hoogrisicogroepen, met aandacht voor gezondheidswinst, kosteneffectiviteit, budgettaire impact, benodigde capaciteit, rookstopbegeleiding en organisatorische haalbaarheid. De lessen uit die oefening zouden nadien kunnen worden gebruikt voor de verdere ontwikkeling van meer gepersonaliseerde preventie en vroegtijdige opsporing.

 

Zeer kort samengevat: de bevoegdheid en de uiteindelijke beslissing over een dergelijk initiatief liggen bij de deelstaten. We moeten dus in de eerste plaats aan hen vragen wat ze daarvan vinden. Er is uiteraard een sterke interactie met ons. We willen dan ook echt bijdragen aan de wetenschappelijke reflectie daarover. Dat is geen eenvoudige oefening, omdat we de kosten en baten van screening tegen elkaar moeten afwegen. Een zorgvuldige oefening is dus noodzakelijk.

 

11.04  François De Smet (DéFI): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses, en ce compris la partie en français qui était tout à fait justifiée.

 

11.05  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, het is een beetje het verhaal van de kip of het ei. Als u wilt weten of het qua kosten en baten interessant is, moet die screening gebeuren. We moeten dat dan niet verder uitstellen. U zegt dat we de kosten en baten zorgvuldig tegen elkaar moeten afwegen om te beoordelen of een dergelijke screening nuttig is. Daarover ben ik het met u eens. We moeten die oefening natuurlijk wel aanvatten om daar zicht op te krijgen. In uw antwoord heb ik echter geen geruststelling gehoord dat die kosten-batenanalyse er zal komen. Ik vrees ook dat we nog een tijdje zullen kunnen wachten als u het aan de deelstaten overlaat. Dat staat hoegenaamd niet op uw prioriteitenlijst, aangezien er in Vlaanderen verder is bespaard op preventie. Ik hoor mensen nogal perfide stellen dat de deelstaten daar geen belang bij hebben, omdat de voordelen van dat preventiebeleid eerder federaal zijn. Sommige mensen redeneren dus op die manier. Ik val bijna van mijn stoel als ik dat hoor. Ik dacht altijd dat het ging om het leven van mensen en om de best mogelijke zorg voor onze patiënten.

 

Uiteindelijk is iedereen het er volgens mij over eens dat we onze begroting onder controle moeten houden. Als Vlaanderen kan helpen om mensen gezonder te houden en tegelijk de begroting onder controle te houden, dan zouden we dat moeten toejuichen. Met andere woorden, ik reken toch een beetje op u om die kosten-batenanalyse op te starten en de deelstaten de juiste weg te wijzen. Uw antwoord heeft mij op dat punt niet gerustgesteld.

 

Ik ben wel blij te vernemen dat u zegt dat in het Kankerplan letterlijk staat dat ook naar dat soort onderzoek of screenings verder moet worden gekeken. Wat mij wel verontrust, is dat u zegt dat we verder blijven werken aan de wetenschappelijke onderbouwing, terwijl ik van niet de minsten verneem dat die onderbouwing er al is. Het is dus heel duidelijk wat er moet gebeuren: we moeten echt werk maken van die kosten-batenanalyse. Ik ben ervan overtuigd dat die positief zal uitvallen. Vervolgens moeten we werken aan een terugbetalingssysteem, minstens voor hoogrisicopatiënten. Op die manier kunnen we verder leren.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

12 Questions jointes de

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La surprescription d'inhibiteurs de pompe à protons chez les nourrissons" (56017907C)

- Jan Bertels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les médicaments contre le reflux chez les bébés" (56018356C)

12 Samengevoegde vragen van

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het overmatig voorschrijven van protonpompinhibitoren voor zuigelingen" (56017907C)

- Jan Bertels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Refluxmedicatie bij baby's" (56018356C)

 

12.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, le groupe de presse Sudinfo du 9 juillet relaie une étude sur le recours trop fréquent aux inhibiteurs de la pompe à protons (IPP) chez les nourrissons pour des reflux le plus souvent physiologiques: les traitements durent en moyenne 68,6 jours et 18 % des bébés traités reçoivent des IPP pendant au moins 16 semaines, sans réévaluation médicale documentée. Ces durées excèdent largement les recommandations pédiatriques, qui réservent les IPP aux reflux pathologiques avérés et pour des durées courtes.

 

La surprescription pédiatrique interroge à la fois la sécurité des patients les plus vulnérables (effets à long terme documentés dans la littérature), la qualité de l'accompagnement des jeunes parents et la dépense publique de l'assurance soins de santé.

 

En conséquence, monsieur le ministre, confirmez-vous les chiffres cités (durée moyenne de 68,6 jours, 18 % des nourrissons traités au moins 16 semaines sans réévaluation)? Disposez-vous, via l'INAMI et l'AFMPS, de données nationales sur la prescription d'IPP chez les moins de deux ans? Confirmez-vous le coût annuel pour l'assurance soins de santé des IPP prescrits en pédiatrie, et les données de pharmacovigilance disponibles sur les effets à long terme chez le nourrisson? Envisagez-vous des mesures ciblées, recommandations de bonne pratique actualisées, feedbacks individualisés aux prescripteurs, conditions de remboursement, campagne d'information des jeunes parents en lien avec l'ONE et Kind en Gezin?

 

12.02  Jan Bertels (Vooruit): Mijnheer de minister, uit onderzoek van een ziekenfonds blijkt dat 1 op de 13 Belgische baby’s, iets meer dan 7 %, refluxmedicatie – protonpompinhibitoren (PPI's) – krijgt. Dat is opmerkelijk omdat de doeltreffendheid bij zuigelingen nauwelijks wetenschappelijk is onderbouwd.

 

Daarnaast leggen de cijfers een scherpe scheefgroei bloot: in Wallonië krijgt 13 % van de baby’s een PPI, tegenover zo'n 4 % in Vlaanderen en Brussel. Kinderartsen schrijven 75 % van de kuren voor, waarbij de top 5 % van de kinderartsen ruim zes keer meer voorschrijft dan de mediaan.

 

Is het RIZIV op de hoogte van die grote regionale én individuele verschillen in het voorschrijfgedrag van kinderartsen? Aangezien doelmatige zorg voor ons allen belangrijk is, welke concrete initiatieven neemt het RIZIV om artsen te sensibiliseren over afwijkend voorschrijfgedrag en de beperkte effectiviteit bij zuigelingen?

 

12.03  Frank Vandenbroucke, ministre: Monsieur De Smet, sur l'année 2025, nous constatons des prises moyennes de 37,4 DDD (Defined Daily Dose ou dose quotidienne standard) par enfant âgé de moins de deux ans par thérapie. Nous identifions une thérapie tant que le nombre de jours entre deux prescriptions n'excède pas le nombre de DDD plus sept. À noter que 170 de ces thérapies excèdent une durée de 16 semaines, ce qui représente 2,3 % des thérapies, et que 166 patients ont connu une durée de traitement excédant 16 semaines, ce qui représente 4,2 % des patients.

 

La somme des IPP pour les moins de deux ans sur l'année 2025 s'élève à 88 801 euros.

 

Les recommandations existent déjà et sont régulièrement actualisées sur la base des données scientifiques. Les différences observées dans les pratiques de prescription soulignent l'importance de poursuivre la sensibilisation des professionnels de santé et la diffusion des recommandations en ligne avec les objectifs du plan pluriannuel des soins appropriés de l'INAMI. L'INAMI et les autorités de santé continuent à suivre ces thématiques dans le cadre de leur mission visant à promouvoir les soins de qualité appropriée.

 

L'information et l'accompagnement des jeunes parents relèvent principalement des communautés, tandis que l'autorité fédérale soutient la diffusion d'informations cohérentes et fondées sur les données scientifiques.

 

Meneer Bertels, met het RIZIV beschikken we niet over de nodige gegevens om de studie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen uit te voeren. Alleen het geboortejaar van de baby's is immers beschikbaar, terwijl de exacte geboortedatum vereist is om, overeenkomstig met de methodologie van de studie, het gebruik van protonpompinhibitoren (PPI's) gedurende het eerste levensjaar van de baby te kunnen onderzoeken.

 

Wat uw tweede vraag betreft, wijst u erop dat pediaters de belangrijkste voorschrijvers zijn van PPI's bij zuigelingen. Gerichte sensibilisering van artsen-specialisten op basis van een afwijkend voorschrijfprofiel is, zoals u weet, complex. Om afwijkende voorschrijfprofielen betrouwbaar te kunnen identificeren, moeten de betrokken patiëntenpopulaties voldoende vergelijkbaar zijn. Aangezien pediaters in uiteenlopende contexten werken, beschikken we momenteel niet over voldoende gegevens om de voorschrijfpraktijken van individuele zorgverleners op een betrouwbare een-op-eenbasis te vergelijken.

 

Mogelijk nuttige bijkomende info vindt u terug bij het BCFI (Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie). Via het BCFI werd in 2024 al gesensibiliseerd inzake de risico's van PPI's bij jonge kinderen.

 

12.04  François De Smet (DéFI): Merci, Monsieur le ministre, pour vos précisions chiffrées.

 

12.05  Jan Bertels (Vooruit): Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister. Op het vlak van doelmatige zorg hebben we inderdaad nog wat werk voor de boeg. Er was in 2024 inderdaad een sensibiliseringsactie van het BCFI over de risico's voor baby’s en zuigelingen van PPI’s, maar als de cijfers een excessief voorschrijfgedrag blijven aantonen, moet de overheid toch op zoek gaan naar een manier om het gedrag van de voorschrijvers aan te passen, want het is gewoon niet gezond, niet voor die baby's en zuigelingen en ook niet voor ons gezondheidszorgsysteem.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

13 Question de François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les craintes de suspension de traitement dans les centres de fertilité" (56017908C)

13 Vraag van François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De vrees voor een opschorting van de behandelingen in vruchtbaarheidscentra" (56017908C)

 

13.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, les centres de fertilité craignent de devoir suspendre des traitements en raison d'une réforme en préparation. Le secteur pointe l'insécurité entourant le financement et la nomenclature des actes de procréation médicalement assistée (PMA) et alerte sur les conséquences directes pour les patientes et patients en train de suivre un tel parcours.

 

La Belgique est reconnue pour l'accessibilité de sa PMA: six cycles remboursés jusqu'à l'âge de 43 ans. Dès lors, une rupture de traitement, dans des parcours où chaque cycle compte, entraînerait des conséquences humaines considérables.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous le contenu et le calendrier de la réforme visée par les centres de fertilité? Pourriez-vous préciser les forfaits et numéros de nomenclature qui seraient modifiés? Quelle est l'étude d'impact réalisée au sujet de l'équilibre financier des centres agréés et du nombre de cycles concernés annuellement? Quelles sont les garanties selon lesquelles aucun traitement en cours ne devra être suspendu? Une concertation est-elle menée avec le Collège de médecins de la reproduction, les réseaux hospitaliers et les mutualités? Vous engagez-vous à prévoir un régime transitoire préservant intégralement les droits des patientes et patients?

 

13.02  Frank Vandenbroucke, ministre: Monsieur De Smet, du côté de l'INAMI, aucune réforme du financement et de la nomenclature de la PMA n'est en préparation en vue de contraindre les centres de fertilité à suspendre leurs traitements. Le cadre actuel reste d'application. La prise en charge dans les centres agréés, incluant le remboursement de six cycles jusqu'à l'âge de 43 ans, n'est pas remise en cause.

 

Ensuite, dès lors qu'une modification des forfaits ou des numéros de nomenclature n'est pas envisagée, une étude d'impact sur l'équilibre financier des centres ou sur le nombre de cycles concernés n'a pas lieu d'être. Pour cette raison, aucun traitement en cours ne doit être interrompu.

 

Par ailleurs, des travaux législatifs sont en cours, notamment en ce qui concerne le don de gamètes. Ils relèvent toutefois d'un autre cadre et ne portent pas sur le financement ou la nomenclature de la PMA. Ces travaux font l'objet d'une concertation avec les représentants du secteur et les centres de fertilité.

 

Je reste attentif à préserver l'accessibilité de la PMA en Belgique.

 

13.03  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse relativement rassurante, en tout cas pour les centres concernés. Merci d'avoir rappelé le caractère prioritaire de leur accessibilité, car ils permettent à beaucoup de femmes et de familles de trouver leur bonheur.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De noodzaak van correcte communicatie over antidepressiva en hittegolven" (56017914C)

14 Question de Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La nécessité d'une communication correcte relative aux antidépresseurs et à la canicule" (56017914C)

 

14.01  Irina De Knop (Anders.): Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

 

Tijdens hittegolven wordt terecht gewaarschuwd voor kwetsbare groepen zoals ouderen, chronisch zieken en mensen in woonzorgcentra. Maar ook patiënten die bepaalde geneesmiddelen nemen, kunnen extra gevoelig zijn voor hitte.

 

Volgens recente berichtgeving op VRT NWS circuleren op TikTok video's waarin mensen zeggen dat ze meer last hebben van hitte door antidepressiva. Die bewering blijkt genuanceerd maar niet onjuist. Sommige vaak voorgeschreven antidepressiva kunnen de zweetproductie verhogen. Dat kan hinderlijk zijn en vraagt extra aandacht voor voldoende vocht en mineralen. Andere, oudere antidepressiva, zoals tricyclische antidepressiva, kunnen de zweetproductie net afremmen, waardoor het lichaam minder goed afkoelt.

 

Ook andere geneesmiddelen, zoals antipsychotica, anti-epileptica, niermedicatie en hartmedicatie, kunnen de temperatuurregeling beïnvloeden. De boodschap moet dus duidelijk zijn: bepaalde medicatie vraagt extra waakzaamheid bij hitte, maar patiënten mogen nooit op eigen initiatief stoppen of hun behandeling aanpassen zonder medisch advies.

 

Daarom volgende vragen:

 

Worden patiënten die antidepressiva of andere hittegevoelige medicatie nemen vandaag systematisch geïnformeerd over de risico's tijdens hittegolven?

 

Bestaat er een officiële lijst of richtlijn voor zorgverleners over geneesmiddelen die extra aandacht vragen bij extreme hitte?

 

Hoe worden huisartsen, apothekers, psychiaters en andere zorgverleners betrokken bij die communicatie?

 

Wordt in het Ozon- en hitteplan voldoende rekening gehouden met mensen die psychofarmaca of andere medicatie nemen die de temperatuurregeling beïnvloedt?

 

Zal u, samen met het FAGG en Sciensano, bij toekomstige hittewaarschuwingen gerichte communicatie voorzien over medicatiegebruik bij hitte?

 

Hoe zal u vermijden dat algemene waarschuwingen ertoe leiden dat patiënten antidepressiva of andere medicatie foutief stopzetten?

 

Welke rol ziet u voor apothekers om patiënten met risicomedicatie proactief te informeren bij aangekondigde hittegolven?

 

Hoe volgt u gezondheidsinformatie en mogelijke desinformatie over medicatie en hitte op sociale media op?

 

Bent u bereid bij toekomstige hittecommunicatie expliciet op te nemen: stop nooit op eigen initiatief met medicatie, maar vraag advies aan arts of apotheker?

 

14.02 Minister Frank Vandenbroucke: Ten eerste, patiënten ontvangen vandaag al informatie via verschillende kanalen, onder meer via zorgverleners die door onze communicatie worden geïnformeerd, via de bijsluiters van geneesmiddelen en via de volksgezondheidscommunicatie tijdens periodes van intense hitte.

 

Om burgers beter te informeren, stelt FarmaInfo, een initiatief van het FAGG, ook specifieke informatie ter beschikking over hitte en geneesmiddelengebruik. Het thema 'Hittegolf en geneesmiddelen: wees voorzichtig' is beschikbaar op de website van FarmaInfo en bevat onder meer advies voor tijdens een hittegolf. De informatie benoemt de risicogroepen en licht de te nemen maatregelen toe. Burgers vinden er bijvoorbeeld informatie over het correct bewaren van geneesmiddelen bij een dergelijke hitte en over bepaalde behandelingen die de negatieve gevolgen van een hittegolf kunnen versterken.

 

Ten tweede, er bestaan inderdaad specifieke aanbevelingen over geneesmiddelen die de temperatuurregeling, de vochtbalans of de cardiovasculaire stabiliteit kunnen beïnvloeden.

 

Ten derde, zorgverleners zijn essentiële schakels in de communicatie. De plannen en aanbevelingen voorzien onder meer in hun betrokkenheid bij de opvolging van kwetsbare patiënten, het verstrekken van informatie op maat en de beoordeling van behandelingen die door intense hitte kunnen worden beïnvloed. Het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie of BCFI verspreidt onder zorgverleners ook aanbevelingen over het gebruik van geneesmiddelen tijdens hittegolven. Die aanbevelingen werden in 2024 voor het laatst geactualiseerd.

 

Ten vierde, het ozon- en hitteplan besteedt bijzondere aandacht aan kwetsbare personen, onder wie personen met chronische aandoeningen of psychiatrische stoornissen. De aanbevelingen voorzien ook in een herbeoordeling van behandelingen die de temperatuurregeling, de vochtbalans of de cardiovasculaire stabiliteit kunnen verstoren. Uit een evaluatie die de RMG naar aanleiding van de hittegolf maakte, bleek evenwel dat de communicatie niet altijd voldoende gericht was.

 

Om die reden zal in het nieuwe Heat Health Preparedness and Response Plan, waaraan we werken, nog meer aandacht moeten uitgaan naar de ontwikkeling van communicatie voor specifieke groepen. Mensen die medicatie nemen die de temperatuurregeling beïnvloedt, behoren inderdaad tot die specifieke groepen. Mevrouw De Knop, we moeten op dat vlak dus beter doen. Daarmee ben ik het helemaal eens.

 

Ten vijfde, we evalueren voortdurend de preventieboodschappen die tijdens periodes van intense hitte worden verspreid. Informatie over geneesmiddelen maakt al deel uit van de huidige communicatie en zal ook bij toekomstige waarschuwingen bijzondere aandacht blijven krijgen.

 

Ten zesde, in de communicatie wordt benadrukt dat patiënten een medicamenteuze behandeling nooit mogen onderbreken of wijzigen zonder advies van een arts of apotheker. Het doel is te informeren over de te nemen voorzorgsmaatregelen, niet om de stopzetting van behandelingen aan te moedigen. Die nuance is essentieel in elke communicatie over geneesmiddelen en hitte.

 

Ten zevende, apothekers spelen een eerstelijnsrol in het advies aan patiënten. Ze kunnen de preventiemaatregelen in herinnering brengen, nagaan of geneesmiddelen correct worden bewaard en patiënten doorverwijzen naar hun arts wanneer aanpassingen of een bijzondere opvolging nodig lijken. Die aanpak gaat uit van de complementariteit tussen de arts, de apotheker en andere zorgverleners.

 

Ten achtste, we volgen de bezorgdheden van het publiek op en passen onze communicatie aan wanneer onvolledige of misleidende informatie circuleert. Het doel is informatie te verspreiden die gebaseerd is op de beschikbare wetenschappelijke gegevens en wordt uitgedragen door erkende bronnen, zoals de bevoegde gezondheidsautoriteiten.

 

Tot slot, u verwijst naar de boodschap om nooit te stoppen op eigen initiatief, maar advies te vragen. Dat sluit volledig aan bij de algemene beginselen van een goed geneesmiddelengebruik en bij de aanbevelingen die we doen. Het is belangrijk te benadrukken dat patiënten bij twijfel over hun behandeling tijdens periodes van intense hitte altijd advies moeten vragen aan een arts of apotheker, voordat ze hun behandeling wijzigen.

 

14.03  Irina De Knop (Anders.):  Mijnheer de minister, ik dank u voor uw aandacht en voor het feit dat het element mee zal worden opgenomen in het toekomstige hitteplan. Dat is bijzonder relevant, nuttig en nodig voor de patiënten in kwestie.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Vraag van Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De oncologische revalidatie na een kankerbehandeling" (56017915C)

15 Question de Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La revalidation oncologique après un traitement contre le cancer" (56017915C)

 

15.01  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, we vernamen dat men in het AZ Sint-Maarten in Mechelen sinds kort roeitoestellen inzet bij de oncologische revalidatie van kankerpatiënten. Men werkt daarvoor samen met de Vlaamse Roeiliga die de toestellen ter beschikking stelt en ook kinesisten opleidt om de juiste technieken aan te leren. Ook in Antwerpen loopt een gelijkaardig project al langer.

 

Dat project toont hoe belangrijk beweging en revalidatie zijn na een kankerbehandeling. Veel patiënten kampen na chemo, bestraling of chirurgie immers met zware vermoeidheid, verlies aan spierkracht en conditieverlies. Gerichte revalidatie kan hen helpen om sneller opnieuw kracht en autonomie en daarmee ook zelfvertrouwen op te bouwen.

 

Het voorbeeld van het roeien leek ons interessant, omdat het heel laagdrempelig en ook gewrichtsvriendelijk is en er heel veel spiergroepen tegelijk worden gebruikt. Het is voor ons zeker een aanleiding geweest om breder te kijken naar de plaats van oncologische revalidatie in onze zorg.

 

Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u de toegankelijkheid van oncologische revalidatie voor kankerpatiënten vandaag? Beschikt u over cijfers over het aantal patiënten dat na een kankerbehandeling gebruikmaakt van oncologische revalidatie? Welke verschillen zijn er tussen de ziekenhuizen of regio's? Wordt dat volgens u vandaag voldoende systematisch aangeboden of besproken met patiënten? Wat kunt u ter zake nog doen?

 

Aansluitend daarbij, hoe wordt de terugbetaling van kinesitherapie en multidisciplinaire revalidatie na kanker vandaag georganiseerd? Ziet u daar de nood aan een sterker structureel kader, zodat zulke programma's niet afhankelijk zijn van lokale initiatieven en uiteindelijk van mensen die eraan denken om op die manier te werk te gaan? Bent u bereid om goede praktijken, zoals de samenwerking tussen ziekenhuizen, kinesisten en sportfederaties, verder te ondersteunen of te verspreiden? Ik heb niet kunnen nagaan of dat in het Kankerplan is opgenomen, maar ik dacht van niet. Als dat wel het geval zou zijn, dan zou ik dat nu graag horen.

 

15.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw De Knop, initiatieven zoals die van AZ Sint-Maarten en de Antwerpse ziekenhuizen tonen aan hoe belangrijk beweging en revalidatie zijn na een kankerbehandeling, zoals u terecht zegt. Op dit moment bestaat er geen specifieke regelgeving voor de terugbetaling van oncologische revalidatie als afzonderlijk multidisciplinair programma. Daardoor beschikt het RIZIV niet over specifieke cijfers met betrekking tot het aantal patiënten dat na een kankerbehandeling oncologische revalidatie volgt. We weten dus ook niet welke verschillen er ter zake bestaan tussen ziekenhuizen of regio's.

 

Het punt dat u hier aanstipt, beantwoordt heel goed aan de geest van het Kankerplan. Natuurlijk vindt men dat programma daarin niet terug, maar in het Kankerplan benadrukken we twee zaken die in dat verband belangrijk zijn.

 

Ten eerste, een kankerbehandeling is in eerste instantie natuurlijk een medische behandeling, maar ook wanneer mensen aan het genezen zijn of genezen zijn en de medische behandeling is stopgezet, blijft er vaak nog een opdracht. Er blijven zorgnoden en andere zaken die moeten gebeuren. Het Kankerplan benadrukt dat we de patiënt moeten blijven bekijken wanneer de behandeling is stopgezet en wanneer de patiënt genezen wordt verklaard. Ook dan blijven er zaken te doen. Dat is de geest van het Kankerplan.

 

Ten tweede wordt in het Kankerplan zeer sterk benadrukt dat we patiënten goed willen informeren over alle beschikbare opties. Het gaat daarbij niet alleen om de diagnose en de medische behandeling, maar ook om de mogelijkheden op het vlak van nazorg, opvolging enzovoort. Ik vind dat het dus goed beantwoordt aan de geest van het Kankerplan.

 

De vragen die u stelt, verwijzen natuurlijk ook naar zaken die onder de bevoegdheid van de deelstaten vallen. Het gaat dan om de totstandbrenging van relaties en samenwerking tussen de zorgsector en sportfederaties en om laagdrempelige initiatieven voor beweging in de buurt. Dat zijn bevoegdheden van de deelstaten. Persoonlijk vind ik echter dat dat beantwoordt aan de geest van het Kankerplan en dat we al die aspecten moeten bekijken.

 

15.03  Irina De Knop (Anders.): Dank u wel voor uw antwoorden. Mijn laatste vraag verwees inderdaad naar een bevoegdheid waarvoor ook de deelstaten verantwoordelijk zijn. In die zin begrijp ik uw opmerking, maar ik heb vooral onthouden dat er momenteel geen specifiek traject is voor revalidatie na een kankerbehandeling. Dat was volgens mij een belangrijk onderdeel van mijn aanbeveling en mijn vraag. Ik wil u dan ook verzoeken om verder na te kijken hoe u dat structureel kunt verankeren, gezien de grote voordelen en de aanzienlijke gezondheidswinst voor patiënten.

 

U hebt ook altijd veel aandacht voor het mentale welzijn van mensen. Ik denk net dat revalidatie, naast het herstel na kanker, een heel belangrijk element kan zijn voor het mentale welzijn van die patiënten en voor hun ondersteuning.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

16 Questions jointes de

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'accès aux soins buccodentaires pour les publics fragilisés" (56017999C)

- Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'accessibilité des soins dentaires" (56018464C)

16 Samengevoegde vragen van

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De toegang tot mondzorg voor kwetsbare groepen" (56017999C)

- Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De toegankelijkheid van tandheelkundige zorg" (56018464C)

 

16.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, un article de la Gazet van Antwerpen de juillet dernier relayait le cri d'alarme d'une douzaine de dentistes anversois qui assurent depuis plusieurs années – et largement bénévolement – les soins bucco-dentaires de personnes sans abri et précarisées. Leurs constats dépassent évidemment Anvers.

 

Pour les publics fragiles, l'accès à la dentisterie de première ligne repose sur des initiatives volontaires, faute de cadre de financement structurel, alors que l'état bucco-dentaire est un déterminant majeur de santé générale et d'insertion sociale.

 

Le taux de conventionnement des dentistes ne cesse de reculer, entraînant des suppléments d'honoraires croissants. L'accord dento-mutualiste 2026-2027 est en cours de négociation au sein de l'INAMI. Le remboursement préférentiel et le tiers payant obligatoire n'atteignent manifestement pas les publics les plus éloignés du soin, comme le montrent les enquêtes de Sciensano sur le renoncement aux soins dentaires, particulièrement aigu à Bruxelles et dans les grandes villes – car le cas anversois peut s'appliquer aux autres grandes villes du pays.

 

Monsieur le ministre, avez-vous eu connaissance de cette situation décrite à Anvers? Est-ce qu'il existe un cadastre des initiatives de soins dentaires pour publics défavorisés? Est-ce que cette situation est connue dans d'autres grandes villes du pays? Est-ce que le soutien structurel (financement INAMI spécifique, statut pour la dentisterie sociale, extension du tiers payant) est envisagé pour ces dispositifs de première ligne? Et enfin, quelles sont les mesures prises pour enrayer la baisse du conventionnement et limiter les suppléments afin de garantir l'accessibilité effective des soins bucco-dentaires, notamment dans les grandes villes de notre pays? Merci.

 

16.02  Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, patiënten worden steeds vaker geconfronteerd met wachtlijsten en zelfs met patiëntenstops bij tandartsen. Dat is een gekend probleem. We vernamen onlangs ook dat patiënten zich vaker tot hun huisarts wenden voor bijvoorbeeld pijnstilling of antibiotica. Dat is goed bedoeld, maar het is geen goede zaak, omdat de oorzaak daarmee niet wordt aangepakt en het probleem alleen tijdelijk wordt verlicht.

 

Om een goed beeld te krijgen van het aanbod aan tandartsen, moeten we een goed beeld hebben van hun geografische spreiding en het aantal beschikbare tandartsuren op ons grondgebied. Mijn eerste vraag is dan ook of u weet in welke streken het tekort aan tandartsen het grootst is. Is er een verschil tussen de steden en het platteland? Hebt u een zicht op het aantal tandartsuren per vestiging? Hoe staat dat in de verhouding tot het aantal tandartsen?

 

Hebt u een zicht op de evolutie van grotere samenwerkingsverbanden in de centrumsteden? Kan dat een rol spelen in het gepercipieerde tekort, vooral in de meer landelijke gebieden? Hebt u een zicht op het aantal beschikbare mondhygiënistenuren en op de geografische spreiding daarvan?

 

Vindt er ook overleg met de deelstaten plaats? Zo ja, welke concrete pistes worden daarbij besproken?

 

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de verdere ontwikkeling van een kadaster van gezondheidszorgberoepen? Wanneer verwacht u dat dit een voldoende accuraat beeld zal geven van de effectieve activiteit en de geografische spreiding van tandartsen, maar ook van andere zorgberoepen?

 

16.03  Frank Vandenbroucke, ministre: L'accès à des soins bucco-dentaires de qualité et financièrement accessibles est essentiel, en particulier pour les publics vulnérables.

 

Plusieurs mesures concrètes ont été prises ces dernières années, dont l'élargissement du remboursement de certaines prestations par la suppression totale ou progressive des limites d'âge; l'interdiction, depuis le 1er juillet 2026, de facturer des suppléments aux bénéficiaires de l'intervention majorée pour les prestations dentaires ambulatoires remboursables; ainsi que la suppression, depuis juin, de la règle de continuité pour le détartrage.

 

Le nouvel accord dento-mutualiste s'accompagne également d'une hausse du taux de conventionnement, passé de près de 57 % en 2024 à 60,48 % en 2026.

 

Op het terrein bestaan daarnaast verschillende initiatieven die mobiele of gerichte tandzorg organiseren voor kwetsbare groepen. Sommige van die initiatieven werken daarbij samen met of worden ondersteund door deelstaten en lokale actoren. Voor prestaties die aan de nomenclatuurvoorwaarden voldoen, kan de ziekteverzekering tussenkomen.

 

Wat de gegevens betreft, blijkt uit de recentste PlanCAD-rapportering over tandartsen op de arbeidsmarkt voor de periode 2017-2021 dat er aanzienlijke regionale verschillen bestaan op het vlak van activiteittoegankelijkheid. De recentere gegevens uit het Health Professionals Report 2024 bevestigen dat.

 

De hoogste dichtheid werd vastgesteld in Brussel, met 8,25 vte's per 10.000 verzekerden, tegenover 3,92 in Namen. Binnen Vlaanderen varieerde de dichtheid van 4,41 vte's in West-Vlaanderen tot 5,14 in Limburg. Mevrouw Gijbels, op basis van de beschikbare gegevens is een voldoende onderbouwde vergelijking tussen steden en plattelandsgebieden niet mogelijk.

 

De vte's geven een indicatie van het arbeidsvolume op basis van RIZIV-prestaties, maar kunnen niet worden gelijkgesteld met beschikbare consultatie-uren. Er zijn ook onvoldoende gegevens om de capaciteit per praktijk of vestiging, de evolutie van groepspraktijken in centrumsteden of het effect daarvan op de toegankelijkheid voor nieuwe patiënten nauwkeurig te bepalen.

 

Voor mondhygiënisten is inmiddels het PlanCAD-rapport Mondhygiënisten op de arbeidsmarkt 2023 gepubliceerd. De dichtheid van de actieve mondhygiënisten in de gezondheidszorg bedroeg 0,29 per 10.000 inwoners: 0,36 in het Vlaams Gewest, 0,17 in het Waals Gewest en 0,20 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De beschikbare uren per praktijk of vestiging zijn niet bekend.

 

De verdere ontwikkeling van het praktijkregister kan, met informatie via ProGezondheid en andere officiële bronnen, meer inzicht bieden in de effectieve activiteit, de praktijklocaties en de geografische spreiding. Dat vereist samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus.

 

Hoewel de geografische spreiding als een aandachtspunt wordt erkend, zijn daarover nog geen concrete pistes besproken in onze IKW. Ik kan dus nog niet zeggen wanneer het praktijkregister een volledig en voldoende accuraat beeld daarvan zal geven.

 

16.04  François De Smet (DéFI): Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. J'entends les mesures qui ont été déployées depuis quelques mois et je ferai le suivi pour pouvoir vérifier si elles augmentent effectivement l'accessibilité des soins bucco-dentaires aux plus fragilisés économiquement.

 

16.05  Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, er zijn verschillende aspecten aan de toegankelijkheid van mondzorg en tandheelkundige zorg. In de eerste plaats is er de financiële toegankelijkheid, waarvoor er vooral moet worden gewerkt aan een betere nomenclatuur, gebaseerd op de werkelijke kosten. Daarnaast moet er meer worden ingezet op preventie. Er zijn momenteel nog niet zoveel mondhygiënisten. De opleiding bestaat ook nog niet zo lang. Hun aantal zal dus nog toenemen, wat hopelijk ook het aantal grote en duurdere behandelingen zal beperken. Daar moet op ingezet worden, ook bij de hervorming van de nomenclatuur. Er moet in samenwerking met de deelstaten meer worden gefocust op preventie, aangezien de meeste tandproblemen te voorkomen zijn, als daar voldoende op wordt ingezet.

 

Ik vind het enigszins verontrustend dat er nog zo weinig bekend is over de spreiding van tandartsen en zorgverstrekkers in het algemeen. Ik heb u daar ook een schriftelijke vraag over gesteld. Blijkbaar is van slechts 11 % van de zorgverstrekkers een werkadres bekend in ProGezondheid. Die informatie is nochtans vrij gemakkelijk te achterhalen en dan kan er met de deelstaten aan de slag worden gegaan om tot een betere spreiding te komen.

 

Ik krijg verontrustende signalen dat het voor jongere tandartsen niet meer zo evident zou zijn om in Leuven aan de slag te gaan, omdat het aanbod er in zekere mate verzadigd is. Het zou jammer zijn als we de landelijke regio's verwaarlozen en de zorgverlening steeds meer concentreren in grote praktijken in de centrumsteden. Ook kleinere eenmanspraktijken hebben volgens mij nog steeds een plaats in ons zorglandschap. We mogen die niet verwaarlozen of onvoldoende aanmoedigen. Er kan zeker nog ingezet worden op een aantal werven; het belangrijkste lijkt mij echter om eerst en vooral een goed zicht te krijgen op de spreiding, die vandaag erg ongelijk lijkt te zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

17 Vraag van Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De centralisatie van de behandeling van hoofd- en halskanker" (56018109C)

17 Question de Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La centralisation de la prise en charge des cancers de la tête et du cou" (56018109C)

 

17.01  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, toevallig komt deze vraag, die ik ook al een hele tijd geleden indiende, in de Week tegen Kanker aan bod.

 

U hebt beslist om de behandeling van hoofd- en halskanker te concentreren in een beperkt aantal referentiecentra. Alleen ziekenhuizen die voldoende patiënten behandelen en aan duidelijke volumenormen voldoen, zullen die complexe zorg nog terugbetaald krijgen.

 

Op zich kunnen we instemmen met uw argumentatie voor centralisatie. Het gaat immers om erg complexe kankers, waarbij onder andere de diagnose, chirurgie en radiotherapie zowel qua behandeling als qua revalidatie nauw op elkaar moeten aansluiten. Uit cijfers van het Kankerregister blijkt bovendien dat de overlevingskansen toenemen wanneer patiënten behandeld worden in centra met voldoende ervaring. So far, so good. Het zijn dus goede maatregelen.

 

Dat neemt niet weg dat u voor uw hervorming erg zorgvuldig te werk moet gaan. Voor patiënten is immers niet alleen de kwaliteit van de behandeling superbelangrijk; zij moeten ook kunnen rekenen op een vlotte doorverwijzing dankzij een goede geografische bereikbaarheid en samenwerking tussen ziekenhuizen met het oog op continuïteit in de nazorg. Ook moet duidelijk zijn welke centra erkend worden en hoe ziekenhuizen die niet langer het volledige behandeltraject aanbieden, betrokken kunnen blijven bij diagnose, opvolging en revalidatie.

 

Wanneer treedt de nieuwe conventie in werking? Of is ze ondertussen misschien al in werking getreden? Hoeveel overgangstijd krijgen ziekenhuizen die nu nog patiënten behandelen?

 

Hoeveel referentiecentra verwacht u finaal te erkennen? Hoe zult u zorgen voor een evenwichtige geografische spreiding?

 

Welke kwaliteitscriteria legt u naast de volumenorm van 30 patiënten op? Welke andere criteria vindt u belangrijk? Hoe wordt gegarandeerd dat patiënten snel en automatisch worden doorverwezen naar het meest geschikte referentiecentrum?

 

Welke rol behouden niet-erkende ziekenhuizen bij diagnose, voorbereidende onderzoeken, nazorg en revalidatie?

 

Een belangrijk aspect om mee te nemen, is dat langere verplaatsingen soms een drempel kunnen vormen voor kwetsbare patiënten of voor patiënten die herhaaldelijk radiotherapie nodig hebben. Ook voor hen moet dat haalbaar zijn.

 

17.02 Minister Frank Vandenbroucke: De nieuwe conventie treedt in werking op 1 januari 2027. Er zijn overgangsmaatregelen bepaald. U vindt die terug in artikel 25 van de conventie. Aangezien de referentiecentra onder supraregionale zorg vallen, zullen we minder dan 25 centra hebben. Ik kan u daarover meer zeggen wanneer we de kandidaturen ontvangen en bekeken hebben, maar hoe dan ook, omdat het supraregionale zorg is, weet u dat er minder dan 25 zijn.

 

De tekst van de overeenkomst bepaalt in artikel 5 duidelijke criteria voor de kwaliteit op basis van zorgverstrekkers met ervaring, en noodzakelijke omkadering. Voor de gespecialiseerde centra voor radiotherapie voor kwaadaardige hoofd- en halstumoren zijn die criteria opgenomen in artikel 10. Het multidisciplinaire consult wordt alleen vergoed als het uitgevoerd wordt door het referentiecentrum. De verwijzende arts kan aan het overleg deelnemen en wordt daarvoor ook vergoed.

 

De niet-erkende ziekenhuizen behouden hun huidige rol, maar in overleg met de referentiecentra.

 

In verband met  het voorkomen van lange verplaatsingen is er al in een tussenkomst voorzien in de verplaatsingskosten van het domicilie naar het behandelziekenhuis voor patiënten die een oncologische, ambulante behandeling volgen. U vindt dat terug op de website van het RIZIV. U kunt die informatie ook krijgen bij de mutualiteiten.

 

Het zorgprogramma oncologie bevat al de psychologische ondersteuning voor patiënten en hun naasten.

 

Het niet-dringende ziekenhuisvervoer is, zoals u weet, een deelstatelijke bevoegdheid.

 

U kunt in de artikelen 18 tot en met 21 van de overeenkomst lezen hoe de impact van de centralisatie wordt opgevolgd en geëvalueerd.

 

Het eerste jaarrapport zal 21 maanden na afloop van het betrokken jaar en na communicatie aan de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen, de Nationale Overeenkomstencommissie ziekenhuizen-ziekenfondsen en het Verzekeringscomité bekendgemaakt worden. Als u dat wenst, kunnen we zo'n rapport delen met het Parlement.

 

17.03  Irina De Knop (Anders.): Ik heb geen verdere vragen meer wat dit onderwerp betreft, mijnheer de minister.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

18 Samengevoegde vragen van

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De gedeeltelijke indexering van de honoraria van zorgverleners" (56018110C)

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De centenindex voor de zorgverstrekkers" (56018145C)

18 Questions jointes de

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'indexation partielle des honoraires des professionnels des soins de santé" (56018110C)

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'indexation en centimes des prestataires de soins" (56018145C)

 

18.01  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, we lazen onlangs dat u voorstelt om de honoraria van zelfstandige zorgverleners – waaronder artsen, kinesitherapeuten en thuisverpleegkundigen – slechts gedeeltelijk te indexeren. U verwijst daarbij naar de zogenaamde centenindex en verwacht dat ook zorgverleners bijdragen aan de begrotingsinspanning.

 

Zoals u weet, dient de indexering van honoraria niet alleen om het inkomen van zorgverleners te vrijwaren, maar ook om de stijgende personeels-, energie- en materiaalkosten op te vangen. Een beperking van die indexering kan dus belangrijke gevolgen hebben voor de leefbaarheid van de praktijken, de conventioneringsgraad en uiteindelijk ook de factuur voor de patiënt.

 

We begrepen dat uw kabinet daarnaast zou hebben aangegeven dat de opbrengst van die ingreep opnieuw in de gezondheidszorg moet worden geïnvesteerd. Dan rijst uiteraard de fundamentele vraag of we op die manier bijdragen aan de sanering van de overheidsfinanciën. Als u die maatregel zou nemen, moet hij dan niet daadwerkelijk leiden tot een vermindering van het begrotingstekort? Wanneer de volledige opbrengst opnieuw wordt uitgegeven aan bijkomende of gratis maatregelen gaat het immers niet om een besparing, maar om een verschuiving binnen hetzelfde budget.

 

Klopt het dat u een gedeeltelijke indexering van de honoraria van zelfstandige zorgverleners voorstelt? Welke zorgberoepen vallen daaronder? Hoe zou u die aftopping berekenen en welke budgettaire opbrengst verwacht u daarvan? Welk deel van die opbrengst zal daadwerkelijk worden gebruikt om het gezondheidsbudget of het algemene begrotingstekort te verlagen? Op welke manier zou u de opbrengst opnieuw willen uitgeven in de gezondheidszorg en aan welke concrete maatregelen? Waarom vraagt u een budgettaire inspanning van zorgverleners als de opbrengst vervolgens opnieuw moet worden besteed? We weten immers al langer dat zorgverleners onder druk staan en worden geconfronteerd met bijvoorbeeld de plafonnering van honoraria. De maatregel zou het goede vertrouwen tussen de zorgverleners en de minister zeker niet ten goede komen.

 

18.02  François De Smet (DéFI): De Tijd du 14 juillet rapporte que vous souhaitez décider vous-même de l'affectation du "gain" de l'indexation en centimes (centenindex) appliquée aux prestataires indépendants du secteur des soins ; De Standaard du même jour précise que les médecins ont jusqu'ici échappé à ce mécanisme et que vous souhaitez qu'ils y contribuent également.

 

Ce débat s'ouvre alors que le Conseil des ministres a décidé le vendredi 10 juillet de rechercher un assainissement supplémentaire de 10 milliards d'euros d'ici 2029, soit davantage que l'exigence européenne.

 

Toute modification unilatérale de l'affectation de la marge d'indexation touche à l'équilibre du modèle de concertation et pourrait accroître le risque de déconventionnement, déjà brandi récemment par les syndicats médicaux, avec des conséquences directes sur les suppléments d'honoraires à charge des patients.

 

En conséquence, monsieur le ministre, confirmez-vous votre intention de réaffecter la marge issue de la centenindex des prestataires indépendants et d'étendre le mécanisme aux médecins? Dans l’affirmative, sur quelle base légale et procédure de concertation (médico-mut, Comité de l'assurance)? Quel est le rendement budgétaire attendu de ces mesures à l'horizon 2029? Qu'en est-il de l'évaluation du risque de déconventionnement accru et de l'impact sur l'accessibilité des soins, singulièrement à Bruxelles où le conventionnement est déjà fragile? Quelle est l'articulation de ces mesures avec l'objectif transversal de 10 milliards d'économies décidé le 10 juillet et avec la norme de croissance des soins de santé?

 

18.03 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw De Knop, mijnheer De Smet, ik zal kort antwoorden omwille van politiek-deontologische redenen.

 

U weet dat we met de regering ook een nieuwe procedure op punt hebben gesteld voor de voorbereiding van het budget voor de gezondheidszorg. We schrijven dan een opdrachtenbrief, une lettre de mission, aan de actoren in het Verzekeringscomité, met een aantal aandachtspunten en oriëntaties. Vervolgens is het aan het Verzekeringscomité om een ontwerp van begroting te maken. Dat gaat dan naar de Algemene Raad, waarin ook de regering is vertegenwoordigd, die mee beslist over de begroting.

 

In de toepassing van die procedure hebben we in de zomer, vóór het reces, beslist om geen opdrachtenbrief te versturen. Dat had ermee te maken dat we het niet volledig eens waren over de manier waarop we dat moesten doen, in de vrij onzekere context van de begrotingsopmaak die er ook nog niet was. De regering heeft dus geen opdrachtenbrief naar het Verzekeringscomité verstuurd. Daardoor vallen we terug op de traditionele procedure voor de begrotingsopmaak, waarbij het Verzekeringscomité, op aangeven van de mutualiteiten, een ontwerpbegroting bespreekt. Dat is zeer recent ook gebeurd.

 

Er ligt nu een ontwerpbegroting voor de ziekteverzekering voor, die naar de Algemene Raad gaat. De regering moet een standpunt innemen in die Algemene Raad. Dat is nog niet gebeurd.

 

De vraag of we, naar analogie met wat voor werknemers en mensen met een uitkering is gebeurd, een ingreep doen in het indexeringsmechanisme – bij de zorgverleners is dat de indexmassa – via een soort forfaitaire benadering, een centenindex, is al enige tijd onderwerp van discussie. Daarover is nog geen uitspraak gedaan. Ik zal daar nu evenmin een uitspraak over doen. Het komt de regering toe om daarover na te denken in het kader van de voorbereiding van de Algemene Raad.

 

Of de regering gemakkelijk een positie kan innemen als de globale begrotingswerkzaamheden nog niet gebeurd zijn, weet ik evenmin. Ik wil niet vooruitlopen op de beraadslaging over die kwestie binnen de regering. De regering zal hoe dan ook een standpunt moeten innemen, nadat het Verzekeringscomité een ontwerpbegroting naar de Algemene Raad heeft gestuurd. Welk standpunt dat is, is echter nog niet beslist. Meer kan ik daarover vandaag niet zeggen.

 

18.04  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is een beetje zoals het ook klinkt bij de premier en bij andere ministers. Het is onzekerheid troef. Er is helemaal geen zicht op enig perspectief of oplossing. Het feit dat u er, nadat u er zoveel moeite voor hebt gedaan, niet in geslaagd bent om tot een opdrachtenbrief te komen richting het Verzekeringscomité zegt heel veel over de sfeer die er heerst binnen de regering en over de collegialiteit om samen tot oplossingen te komen.

 

Het is uitkijken naar de begroting. Ik hoop van harte dat u erin zult slagen om de tekorten niet verder te laten oplopen. Dat is heel belangrijk, niet alleen voor onze begroting, maar ook voor ons land. Sta mij toe te zeggen dat het ongezien is dat men zelfs binnen het Verzekeringscomité geen duidelijk beeld heeft van hoe de regering de zaken ziet.

 

18.05  François De Smet (DéFI): Merci monsieur le ministre. On ne peut que prendre acte de votre réponse sibylline, embarrassée, mais que je peux comprendre, parce que c'est aussi la seule honnête que vous pouvez nous donner aujourd'hui. Toujours est-il qu'elle va continuer à mettre un certain nombre d'acteurs dans une grande incertitude. On attend donc, comme beaucoup, que le gouvernement puisse atterrir globalement sur un plan budgétaire.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

19 Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De internationale dreigingen voor de volksgezondheid" (56018125C)

19 Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les menaces internationales pesant sur la santé publique" (56018125C)

 

19.01  Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, deze vraag is geïnspireerd op de risicoscan die het Nederlandse RIVM heeft uitgevoerd en die de internationale dreigingen voor de volksgezondheid in kaart brengt. Daarin valt op dat, naast de gekende risico’s, zoals antimicrobiële resistentie, klimaatverandering en infectieziekten, voor het eerst ook desinformatie tot de belangrijkste dreigingen wordt gerekend.

 

Mijnheer de minister, werd in België al een vergelijkbare analyse of risicoscan uitgevoerd, naar de belangrijkste dreigingen voor de volksgezondheid? Zo ja, van wanneer dateert die analyse en wat waren de voornaamste conclusies?

 

Deelt u de analyse dat desinformatie vandaag een belangrijke bedreiging vormt voor de volksgezondheid? Zo ja, op basis van welke vaststellingen?

 

Op welke manier wordt de impact van desinformatie op de volksgezondheid vandaag opgevolgd? Hoe wordt met dergelijke vaststellingen omgegaan?

 

Acht u het wenselijk om, naar Nederlands voorbeeld, periodiek een risicoscan uit te voeren naar de belangrijkste dreigingen voor de volksgezondheid in België?

 

19.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw Gijbels, de meest vergelijkbare oefening met de Nederlandse risicoscan is de Belgian National Risk Assessment van het Nationaal Crisiscentrum. Die werd op 28 oktober 2024 gepubliceerd voor de periode 2023-2026.

 

De Belgian National Risk Assessment beoordeelt 118 risico’s, waaronder pandemieën, biologische dreigingen, klimaatgerelateerde risico’s, cyberdreigingen en informatieoperaties. Daarnaast voeren de gezondheidsautoriteiten, via onder meer de Risk Assessment Group, de Risk Management Group en het Europese Early Warning and Response System, doorlopend risicobeoordelingen uit. U kent dat goed.

 

Ik deel de analyse dat desinformatie vandaag een belangrijk risico vormt voor de volksgezondheid. De COVID-19-crisis heeft aangetoond hoe moeilijk het is om bepaalde doelgroepen te bereiken, het draagvlak voor maatregelen te behouden en foutieve informatie in te dijken. U zult zich dat zeker herinneren. Dat onderwerp is ook aan bod gekomen in de bijzondere covidcommissie. Daarover werden ook aanbevelingen geformuleerd.

 

De opvolging van die kwestie gebeurt via de coördinatie tussen woordvoerders en crisiscommunicatoren, de monitoring van sociale media, de analyse van publieke percepties en het verstrekken van toegankelijke informatie. De WHO-principes inzake risicocommunicatie, gemeenschapsbetrokkenheid en infodemiebeheer vormen daarbij de leidraad met als doel te evolueren naar een meer proactieve aanpak.

 

Ik wil en moet ook regelmatig blijven evalueren of de bestaande instrumenten voldoende zicht bieden op nieuwe en opkomende dreigingen. De Nederlandse risicoscan kan daarbij inspireren. We moeten wel bekijken op welke manier we dat precies willen aanpakken in samenhang met de bestaande Belgische en Europese systemen.

 

Het probleem is altijd dat wij overlappingen willen vermijden en moeten voortwerken op basis van de beschikbare expertise. Een dergelijke globale benadering is echter wel interessant en moet worden gedaan.

 

19.03  Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, ik ben het daarmee eens. Het zou heel interessant zijn, niet om het werk opnieuw te doen, aangezien het Crisiscentrum een deel ervan al verricht, maar wel om daaruit de elementen te halen die voor de volksgezondheid van belang zijn en waarop verder kan worden ingezet. Ook bij het sluiten van een regeerakkoord kunnen die aspecten bijvoorbeeld worden meegenomen, zodat we een helder zicht krijgen op de risico's waartegen we ons zeker moeten wapenen op het vlak van volksgezondheid.

 

Aangaande desinformatie weet u dat ik een grote voorstander ben van gebundelde online-informatie op een duidelijke laagdrempelige vindplaats waar iedereen terechtkan voor correcte informatie. Op dat gebied is er nog ruimte voor verbetering. Immers, hoe meer en hoe beter heldere informatie beschikbaar is, hoe minder ruimte er volgens mij is voor desinformatie.

 

Ik ben een grote fan van wetenschapscommunicatie. Ik meen echt dat we op die manier veel mensen kunnen bereiken, niet alleen om hun de juiste informatie te bezorgen, maar ook om hen weerbaarder en zelfredzamer te maken op het vlak van hun eigen gezondheid.

 

Ik wil dan ook oproepen om daarop stelselmatig te blijven inzetten. Wanneer er risico's opduiken of bepaalde zaken moeten worden weerlegd, moeten we ervoor zorgen dat de informatie altijd op dezelfde plaats terug te vinden is of dat er ten minste één centrale plaats is waar alle informatie gebundeld is en vanwaaruit eventueel kan worden doorgeklikt. Dat is volgens mij essentieel. Dat kan ook een sleutelrol spelen bij het verstrekken van correcte informatie aan de bevolking.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

20 Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De financiering van NAT-testen bij bloeddonaties" (56018135C)

20 Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le financement des tests NAT lors des dons de sang" (56018135C)

 

20.01  Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, mijn vraag sluit aan bij een schriftelijke vraag die ik eerder stelde over de bijkomende middelen die aan bloedinstellingen zouden worden toegekend om de individuele NAT-testen te financieren, dus de testen waarbij onder andere op hiv wordt getest om bloeddonaties van MSM-donoren mogelijk te maken.

 

Uit het antwoord blijkt echter niet duidelijk hoe die testen sinds 2024 worden gefinancierd. Op welke manier worden de individuele NAT-testen gefinancierd? Heeft het FAGG of de FOD sinds 2023 bijkomende budgettaire middelen gevraagd voor de financiering van die testen? Zo ja, wanneer en met welk resultaat? Op basis van welke evaluatie werd beslist om de uitzonderlijke bijkomende financiering uit 2023 niet voort te zetten? Werd onderzocht hoe andere Europese landen de NAT-testen organiseren en financieren? Zo ja, wat waren de voornaamste conclusies?

 

20.02 Minister Frank Vandenbroucke: De testen op bloeddonaties worden gefinancierd met een subsidie die wordt uitbetaald aan de bloedinstellingen door het FAGG, op basis van artikel 7bis van de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong.

 

De recurrente subsidie voor NAT-testen wordt jaarlijks slechts effectief toegekend op basis van aangetoonde, dus bewezen, bedragen. De voorbije jaren volstond het globale budget ruimschoots, waardoor het FAGG de ongebruikte bedragen, waarvoor geen kosten werden terugbetaald, aan de schatkist heeft teruggestort. Ik besluit daaruit dat een verhoging niet nodig is.

 

Ik geef u de volgende cijfergegevens. De begroting voor 2023 bedroeg 9.901.249 euro, waarvan 1.548.434 euro aan de Staat werd terugbetaald. De begroting voor 2024 bedroeg 9.387.265 euro, waarvan 923.686 euro aan de Staat werd terugbetaald. De begroting voor 2025 bedroeg 8.987.267 euro. Daarvan zal 94.442 euro aan de Staat worden terugbetaald. Dat zijn de cijfergegevens.

 

20.03  Frieda Gijbels (N-VA): Dank u wel. Als de basisfinanciering volstaat, is het inderdaad niet nodig om daar nog iets aan toe te voegen. Het vreemde is wel dat er ook een rapport is van het Rekenhof dat erop wijst dat het FAGG onvoldoende procedures zou hebben om na te gaan of de middelen correct worden besteed. Misschien moet ik daar nog een vraag over stellen, want dat lijkt tegenstrijdig met wat ik nu hoor.

 

20.04 Minister Frank Vandenbroucke: Daar moet u later op terugkomen, want ik kan daar niet meteen op antwoorden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

21 Vraag van Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De weerkerende problematiek van uitstel van betaling van RIZIV-voordelen" (56018146C)

21 Question de Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La problématique récurrente du report de paiement des avantages accordés par l'INAMI" (56018146C)

 

21.01  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, ik lees op de website van het RIZIV dat er in 2026 vertraging is in de verwerking van premies. Mijn vraag is een tijdje geleden ingediend, maar de informatie staat nog altijd op de website. Ik vermoed dus dat het probleem nog steeds speelt.

 

U hebt in de kaderwet al beslissingen genomen om conventionering aantrekkelijker te maken. Toch moeten we vaststellen dat artsen en andere zorgverleners jaar na jaar langer moeten wachten op verschillende RIZIV-premies, wat erg onaangenaam is Het gevolg is dat premies veel te laat worden uitbetaald. Dat hangt ook samen met de besparingen die in Vlaanderen werden opgelegd aan onder meer huisartsen. Het is tekenend dat de overheid achterblijft bij de ondersteuning van haar zorgverleners. Het gaat blijkbaar niet om een probleem van één jaar, maar om steeds terugkerende vertragingen bij de uitbetaling van de praktijkpremie en andere mogelijke premies en terugbetalingen.

 

Wat is de verklaring voor de vertraging bij de uitbetaling van die premies? Waarom slaagt men er maar niet in om die problemen op te lossen? Vindt u het normaal dat premies zo laat worden uitbetaald, zeker nu u nog meer zorgverleners wilt aanzetten tot conventionering?

 

U bent zelf erg streng voor zorgverleners die in de fout gaan. Daarover hebt u al talrijke uitspraken gedaan. Hoe gaat u dan om met het falen van uw eigen administraties om premies tijdig uit te betalen? Dank u wel.

 

21.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw De Knop, we moeten een onderscheid maken tussen het moment van de premieaanvraag en het moment van de uitbetaling. Het RIZIV betaalt de premies doorgaans tijdig uit, vaak zelfs ruim vóór de reglementaire deadline.

 

Voor de praktijkpremie en de telematicapremie moet de uitbetaling bijvoorbeeld uiterlijk op 31 december gebeuren. In 2025 werd 39,7 % al in september uitbetaald, 22,9 % in oktober en 25 % in november. Na 31 december – dus na de reglementaire deadline – werd nog 1,8 % uitbetaald, hoofdzakelijk wegens lopende betwistingen. Dit jaar begon de aanvraagperiode pas eind augustus omdat het RIZIV vooraf de premiebedragen berekent op basis van gegevens uit verschillende authentieke bronnen en de nodige kwaliteitscontroles uitvoert. De eerste betalingen waren gepland vanaf september.

 

Voor het sociaal statuut geldt 15 januari als deadline. In 2025 werd 86,6 % al in oktober uitbetaald. Slechts 0,5 % werd na 15 januari uitbetaald, voornamelijk wegens betwistingen. Dit jaar zal het RIZIV opnieuw de meeste premies ruim vóór de deadline uitbetalen.

 

Voor de conventiepremie geldt alleen voor klinische therapeuten een deadline, namelijk 31 juli. In maart werd 88,3 % uitbetaald. De overige premies volgden inderdaad pas medio augustus. Bijna 12 % van de betalingen liep dus vertraging op door problemen met de gegevensaanlevering.

 

Doorgaans respecteert het RIZIV dus de betalingstermijnen en betaalt het sneller dan de uiterste deadline. Uiteraard blijven we inzetten op een verdere procesoptimalisatie.

 

21.03  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, ik stel voor dat u toch wat grondiger onderzoek voert naar de materie, want de data die u daarnet hebt gegeven, stemmen niet overeen met de data die ik terugvind op de website van het RIZIV. Ofwel is de informatie van het RIZIV fout, ofwel is de uwe fout. Hier staat voor het sociaal statuut duidelijk dat uitbetaling gepland is in oktober 2026, terwijl ik u heb horen zeggen dat de wettelijke timing december is. Bij de telematicapremie staat dat de aanvraagperiode zal lopen van eind augustus tot en met eind november, terwijl ik meen dat u eind december hebt gezegd.

 

Het RIZIV communiceert zelf dat door de laattijdige ontvangst van activiteitengegevens van 2025 de uitbetaling van verschillende premies vertraging oploopt. U hebt dat wel enigszins erkend, maar tegelijkertijd minimaliseert u het probleem, eraan toevoegend voor welke percentages er wel binnen de wettelijke termijn betaald wordt. Ik zal dat nakijken, maar naar ik heb begrepen, houdt het probleem aan en dat al sinds een aantal jaar.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

22 Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De evaluatie van de geautomatiseerde terugbetaling van vervoerskosten" (56018147C)

22 Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'évaluation de l'automatisation du remboursement des frais de transport" (56018147C)

 

22.01  Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, mijn vraag gaat over de geautomatiseerde terugbetaling van vervoerskosten voor patiënten die regelmatig naar het ziekenhuis moeten, bijvoorbeeld voor een oncologische behandeling of dialyse. Die geautomatiseerde terugbetaling zou tegen september 2026 worden geëvalueerd. Door die geautomatiseerde terugbetaling vielen sommige patiënten uit de boot en maakten ze geen aanspraak op een terugbetaling van hun vervoerskosten.

 

Is die evaluatie ondertussen afgerond en wat zijn de voornaamste bevindingen? Welke knelpunten werden vastgesteld bij die geautomatiseerde terugbetaling van vervoerskosten? Werden daarbij ook patiënten geïdentificeerd die vanwege de huidige koppeling aan specifieke nomenclatuurcodes niet automatisch in aanmerking kwamen voor een tegemoetkoming, ondanks een vergelijkbare medische nood en zorgfrequentie? Welke verdere stappen zult u op basis van die evaluatie ondernemen?

 

22.02 Minister Frank Vandenbroucke: Zoals ik al heb aangegeven in mijn antwoord op uw vraag 1007, verwachtte het RIZIV deze gegevens van de VI's in oktober, samen met eventuele gegevens van ziekenhuizen en patiëntenverenigingen, om te onderzoeken welke problemen de automatisering mogelijk heeft veroorzaakt, onder meer met betrekking tot niet in aanmerking genomen verstrekkingen, betalingstermijnen of gemaakte keuzes, zoals de hoofdverblijfplaats en de kortste afstand.

 

Daarna zal het RIZIV de gegevens analyseren om de medische relevantie, de technische haalbaarheid en de budgettaire impact van mogelijke verbeteringen te beoordelen. Deze analyse kan ook als basis dienen voor een bredere reflectie met de betrokken actoren, onder wie patiënten, over de doeltreffendheid en de billijkheid van deze tegemoetkoming, die momenteel beperkt is tot bepaalde aandoeningen. Hoewel dit proces tijd vraagt, zullen de diensten van het RIZIV verbeteringen die sneller mogelijk zijn zonder uitstel aanpakken.

 

22.03  Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, dat is goed nieuws. Vandaag worden patiënten ongelijk behandeld, omdat het van het vereiste soort therapie afhangt of hun vervoerskosten al dan niet terugbetaald worden. Veel patiënten zullen blij zijn als die ongelijkheid weggewerkt wordt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

23 Vraag van Katleen Bury aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De ebola-epidemie in de Democratische Republiek Congo" (56018155C)

23 Question de Katleen Bury à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'épidémie d'Ebola en République démocratique du Congo" (56018155C)

 

23.01  Katleen Bury (VB): Mijnheer de minister, ik heb een opvolgvraag over de toestand in Congo met betrekking tot de ebola-epidemie.

 

Er werd bericht dat zorgverleners niet tijdig werden betaald en dat er ook problemen waren met de personeelsregistratie, waarbij er met dubbele lijsten, een officiële en een parallelle lijst, zou zijn gewerkt. De minister van Volksgezondheid in Congo heeft intussen op de problemen met de betalingsdossiers gereageerd door de bonussen te verhogen en biometrische kaarten uit te reiken aan al wie in het getroffen gebied werkzaam was, waardoor betalingen via tussenpersonen niet meer mogelijk zouden zijn.

 

Het is belangrijk om de vinger aan de pols te houden, mijnheer de minister, des te meer omdat een en ander moeilijk verloopt. Mijn vraag over de betalingsachterstanden dateert al van 17 juli. Zijn de problemen ondertussen opgelost? Heeft dat ook een invloed gehad op de Belgische hulpverlening ter plaatse? Zijn er momenteel nog betalingsachterstanden?

 

Heeft België daarover contact met de Congolese autoriteiten gehad? U kunt in uw antwoord wel zeggen dat de betalingen een Congolese aangelegenheid zijn en dat we daar weinig mee te maken hebben, maar we verlenen rechtstreeks en onrechtstreeks financiële, materiële en technische steun. We willen dan ook de garantie dat die middelen werkelijk bij de hulpverleners terechtkomen. De berichten over tussenpersonen stellen ons niet echt gerust.

 

Zijn er maatregelen genomen om de betalingsachterstanden in de toekomst te voorkomen? Worden hieruit structurele lessen getrokken voor toekomstige epidemieën?

 

Begin juli liepen er klinische tests met twee verschillende virusremmers. Wat is de stand van zaken?

 

23.02 Minister Frank Vandenbroucke: Ik zal inderdaad op sommige van uw vragen zeer kort antwoorden. Ik hoop dat u dat niet frustrerend vindt. U had het onder andere over betalingsachterstanden, maar de Belgische medewerkers in humanitaire organisaties of verbonden aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG) worden niet via het aangehaalde mechanisme vergoed. Met andere woorden, er is geen impact.

 

Uw tweede, derde en vierde vraag hebben daarmee te maken. Ik zal u daarvoor toch moeten verwijzen naar mijn collega die verantwoordelijk is voor het buitenlandse beleid. Onze eigen actie vanuit Volksgezondheid wordt dus niet beïnvloed door de door u aangehaalde feiten.

 

Wat uw vijfde vraag betreft, verlenen we momenteel alleen technische steun via het ITG en geen rechtstreekse financiële steun. De rechtstreekse technische ondersteuning biedt, zo denken we toch, garanties op resultaten op het vlak van opleiding en ondersteuning bij de expertise die nodig is voor een goed verloop van de operaties.

 

Voorts verwijs ik u voor uw zesde vraag over wat daar allemaal misloopt, opnieuw naar mijn collega van Buitenlandse Zaken.

 

Ten zevende, op 2 juli van dit jaar ging de klinische studie Partners, waaraan het ITG deelneemt, van start in de DRC, waarin twee geneesmiddelen tegen het Bundibugyo-ebolavirus worden onderzocht: MBP-134, een behandeling op basis van monoklonale antilichamen, en remdesivir, een antiviraal middel. De WHO meldt dat op 10 september al meer dan 300 mensen in die studie waren opgenomen, verspreid over vijf behandelingscentra in Ituri.

 

De studie zou aanvankelijk zes maanden lopen en betrekking hebben op ongeveer 700 tot 1.000 personen. Voor zover ik weet, werden er nog geen resultaten gepubliceerd, bijvoorbeeld over de werkzaamheid. Het is in ieder geval onzeker of de resultaten van de trials nog zullen leiden tot geneesmiddelen die tijdens de huidige epidemie kunnen worden goedgekeurd en gebruikt.

 

23.03  Katleen Bury (VB): Mijnheer de minister, het verontrust mij dat u voor mijn vraag met betrekking tot de ondersteuning die België biedt, gewoon naar de minister van Buitenlandse Zaken verwijst en antwoordt dat u er geen flauw idee van hebt. Ze zou u nochtans nieuwsgierig moeten maken naar het verloop van de ondersteuning. De gedachte om daaromtrent wat informatie in te winnen, is blijkbaar niet bij u opgekomen.

 

Ik vind het nogal gemakkelijk wanneer ministers de verantwoordelijkheid afschuiven op de zogenaamd verantwoordelijke minister. U hebt absoluut ook de verantwoordelijkheid om van dergelijke zaken op de hoogte te zijn. Het gaat immers om onze middelen, middelen die komen van Volksgezondheid.

 

Ten slotte noteer ik dat u geen weet hebt van de resultaten van de studie met betrekking tot de virusremmers.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

24 Samengevoegde vragen van

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De terugbetalingsvoorwaarden voor ADHD-medicatie bij volwassenen" (56018179C)

- François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "ADHD-zorg" (56018231C)

24 Questions jointes de

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les conditions de remboursement du traitement du TDAH chez l'adulte" (56018179C)

- François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La prise en charge de personnes atteintes de TDAH" (56018231C)

 

24.01  Irina De Knop (Anders.): ADHD wordt vandaag internationaal erkend als een neuroontwikkelingsstoornis die voor een aanzienlijk deel van de patiënten levenslang aanwezig blijft. Hoewel medicamenteuze behandeling voor veel volwassenen een belangrijk onderdeel van de therapie blijft, zijn de terugbetalingsvoorwaarden voor bepaalde ADHD-medicatie nog steeds gekoppeld aan de leeftijd van 18 jaar of aan een diagnose die vóór die leeftijd werd gesteld.

 

Daardoor verliezen sommige patiënten hun terugbetaling zodra zij meerderjarig worden of komen volwassenen die pas op latere leeftijd worden gediagnosticeerd, ondanks een objectief vastgestelde behandelingsbehoefte, niet in aanmerking voor een terugbetaling. Dat roept vragen op over de aansluiting van de huidige regeling bij de wetenschappelijke inzichten en de klinische praktijk.

 

Daarom heb ik volgende vragen:

 

Op basis van welke wetenschappelijke en beleidsmatige overwegingen worden de huidige leeftijds- en terugbetalingsvoorwaarden voor ADHD-medicatie gehanteerd?

 

Acht u deze voorwaarden nog in overeenstemming met de huidige wetenschappelijke inzichten waaruit blijkt dat ADHD voor veel patiënten een levenslange neuroontwikkelingsstoornis is?

 

Hoeveel personen verliezen jaarlijks de terugbetaling van ADHD-medicatie uitsluitend omdat zij de leeftijd van 18 jaar bereiken?

 

Hoeveel volwassenen met een eerste ADHD-diagnose komen vandaag niet in aanmerking voor een terugbetaling omdat de diagnose pas na de leeftijd van 18 jaar werd gesteld?

 

Heeft het RIZIV of een andere overheidsinstantie de budgettaire impact onderzocht van een uitbreiding van de terugbetaling naar volwassenen met een objectief vastgestelde en behandelingsbehoeftige ADHD? Zo ja, wat waren de resultaten?

 

Werd de mogelijkheid om de huidige terugbetalingsvoorwaarden te herzien de voorbije legislaturen onderzocht? Zo ja, welke conclusies werden daaruit getrokken?

 

Bent u bereid de huidige terugbetalingsvoorwaarden te laten evalueren in het licht van de actuele wetenschappelijke inzichten en, indien nodig, aan te passen zodat volwassenen met een objectief vastgestelde en behandelingsbehoeftige ADHD eveneens toegang kunnen krijgen tot terugbetaalde medicatie?​

 

24.02  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, la situation des patients TDAH se heurte à plusieurs défis structurels. Outre le fait que le diagnostic officiel ne peut pas être posé par un médecin généraliste et exige l'intervention d'une équipe de deuxième ou troisième ligne (psychiatre, pédopsychiatre, neuropédiatre ou neurologue), les centres de référence et les équipes multidisciplinaires font face à un engorgement massif. Pour les enfants comme pour les adultes, les délais d'attente pour un bilan complet oscillent souvent entre neuf mois et plus d'un an. Ceci a pour conséquence que de nombreuses familles se tournent vers des neuropsychologues en cabinet privé, ce qui représente un coût financier important. En effet, ces bilans ne sont que très peu remboursés par l'INAMI, tandis que l'iniquité du remboursement des médicaments entre enfants et adultes est dénoncée par les associations.

 

Le Conseil Supérieur de la Santé (CSS) prône une approche thérapeutique multimodale dans ses avis, basée sur la psychoéducation d'abord, ce qui implique que la priorité doit être donnée à l'information et à la guidance du patient et de son entourage, ensuite sur les thérapies non médicamenteuses et aménagements scolaires ou professionnels. Le CSS ne recommande la médication qu'en dernier recours: les psychostimulants ne doivent intervenir qu'en cas d'efficacité insuffisante des mesures non pharmacologiques.

 

En conséquence, monsieur le ministre, quel est l’état actuel de la mise en œuvre des recommandations du CSS en la matière? Des progrès sont-ils à attendre en matière de remboursement INAMI pour les TDAH? Comment entendez-vous lutter contre le recours au secteur privé pour les aspects bilantaires, afin que les centres de référence puissent être davantage compétitifs pour faire face à l’engorgement massif de patients?

 

24.03  Frank Vandenbroucke, ministre: Concernant la première question de M. De Smet, les recommandations du CSS sont largement intégrées dans les informations diffusées via le site www.trajet-tdah.be, soutenu par les autorités fédérales. Ce site met à la disposition des patients, de leurs proches et des professionnels une information scientifiquement validée sur les diagnostics, les options de prise en charge, les traitements médicamenteux et non médicamenteux, ainsi que sur les ressources disponibles.

 

Concernant la deuxième question, les conditions actuelles de remboursement du méthylphénidate dans le traitement du TDAH chez les enfants font effectivement l'objet de plusieurs retours du terrain, notamment en ce qui concerne l'accès aux médecins spécialistes requis pour l'instauration du traitement et le renouvellement des attestations de remboursement.

 

Afin d'examiner ces préoccupations de manière approfondie, le Bureau a récemment décidé de mettre en place une concertation réunissant les parties prenantes concernées, à savoir les médecins spécialistes, les médecins généralistes, les organismes assureurs, les associations de patients, l'INAMI ainsi que des représentants de mon cabinet. Une réunion est en cours. Je ne dispose pas encore des conclusions de cette concertation, mais les discussions sont bien engagées. Les résultats de ces travaux serviront de fondement à une éventuelle adaptation des conditions de remboursement dans le cadre d'une future procédure de révision.

 

Concernant la troisième question, je suis conscient des délais d'attente pour l'évaluation diagnostique. Il convient toutefois de rappeler que l'organisation et le financement des centres ambulatoires relèvent principalement de la compétence des entités fédérées. Par ailleurs, le renforcement de l'offre de soins psychologiques remboursés contribue à améliorer l'accès à un accompagnement précoce, même lorsqu'un diagnostic spécialisé nécessite un délai d'attente.

 

Ik heb al aan de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen gevraagd om te onderzoeken of de terugbetalingsvoorwaarden voor methylfenidaat konden worden uitgebreid door het leeftijdscriterium van 6 tot 17 jaar te schrappen naar aanleiding van het advies van de Hoge Gezondheidsraad. De CTG heeft toen gezegd dat de beschikbare wetenschappelijke evidentie onvoldoende aantoonde dat de baten/risicoverhouding voor volwassenen gunstig was. Daarbij werd onder meer gewezen op het voorkomen van frequente nevenwerkingen, zoals gastro-intestinale klachten, slapeloosheid, nervositeit en cardiovasculaire effecten. Er was ook onzekerheid over de werkzaamheid op lange termijn en er werd ook gewezen op een risico op misbruik. Ik heb toen beslist de terugbetaling niet uit te breiden naar de volwassenen.

 

Wat de vraag naar de budgettaire impact betreft, verwijs ik naar de evaluatie die in 2021 werd uitgevoerd. Daaruit bleek dat een uitbreiding van de terugbetaling naar volwassenen op basis van de toen beschikbare gegevens en aannames zou leiden tot een geraamde bijkomende uitgave van ongeveer 4,1 miljoen euro per jaar. De CTG benadrukte dat er aanzienlijke onzekerheid bestond over het effectieve aantal patiënten dat in aanmerking zou komen voor terugbetaling. Om u een idee te geven, in 2021 waren er ruim 2.200 unieke rechthebbenden die dat jaar de leeftijd van 17 jaar bereikten en minstens één vergoede verpakking methylfenidaat kregen afgeleverd. Dat aantal unieke rechthebbenden was in 2025 al verder gestegen tot ruim 2.900.

 

Wat de vraag naar een eventuele nieuwe evaluatie betreft, wil ik erop wijzen dat de betrokken farmaceutische ondernemingen steeds de mogelijkheid hebben om een nieuwe aanvraag tot uitbreiding van de terugbetaling tot volwassenen in te dienen bij de CTG. Zoals reeds gezegd, het bureau van de CTG heeft ook een overleg gepland over dit onderwerp om na te gaan of een eventuele revisie aangewezen zou zijn.

 

24.04  Irina De Knop (Anders.): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

24.05  François De Smet (DéFI): Merci monsieur le ministre. Je suis ravi qu'une réunion de concertation soit en cours et j'espère que cela pourra finalement aboutir à un meilleur remboursement de ces traitements. Merci.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

25 Samengevoegde vragen van

- Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De modernisering van de Orde der artsen" (56018224C)

- Patrick Prévot aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De klachten aan het adres van de Orde der artsen" (56018657C)

25 Questions jointes de

- Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La modernisation de l'Ordre des médecins" (56018224C)

- Patrick Prévot à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les plaintes adressées à l'Ordre des médecins" (56018657C)

 

Le président: M. Prévot n'est pas présent.

 

25.01  Frieda Gijbels (N-VA): Het tuchtrecht van de Orde der artsen biedt een patiënt die een klacht indient vandaag slechts een beperkte informatiepositie. Een klager kan een gemotiveerde klacht indienen, maar wordt niet noodzakelijk geïnformeerd over de beslissing die naar aanleiding van zijn klacht wordt genomen.

 

Die problematiek wordt al geruime tijd aangekaart, ook door de nationale raad van de Orde der artsen. Die heeft op 10 maart van dit jaar een hervormingsvoorstel goedgekeurd waarin onder meer wordt gepleit voor een versterking van de positie van de klager. Ook in het federale regeerakkoord staat dat de Orde der artsen wordt gemoderniseerd.

 

Ik heb daarover een aantal vragen. Welk gevolg zult u geven aan het hervormingsvoorstel dat de nationale raad van de Orde der artsen op 10 maart heeft goedgekeurd? Bent u van oordeel dat een klager minstens een gemotiveerde kennisgeving moet krijgen van het gevolg dat aan zijn klacht wordt gegeven en van de uiteindelijke beslissing? Welke aanpassingen aan het huidige wettelijke kader zijn daarvoor nodig? Welke concrete initiatieven plant u ter uitvoering van het regeerakkoord om de Orde der artsen te moderniseren? We hebben ook afgesproken om te bekijken of tandartsen daarin kunnen worden opgenomen. Welke timing wordt daarvoor vooropgesteld?

 

25.02 Minister Frank Vandenbroucke: Ik heb ook een antwoord voor de heer Prévot, maar hij is afwezig.

 

Ik ben me bewust van het belang van deze kwestie. In het regeerakkoord staat dat we de Orde der artsen moeten moderniseren. De positie van de klager is daarbij een belangrijk aandachtspunt.

 

Aujourd'hui, l'arrêté royal du 6 février 1970 prévoit que la décision disciplinaire est notifiée au médecin concerné et, pour les sanctions les plus lourdes, communiquée au procureur général et au ministre. Le plaignant lui-même n'en est pas informé; rien n'est prévu pour ses proches.

 

Dans le cadre de la réforme, il me paraît opportun d'examiner dans quelle mesure la communication des décisions disciplinaires peut être élargie aux personnes intéressées – en premier lieu le plaignant –, dans le respect de la vie privée, de la protection des données et du secret professionnel.

 

Mevrouw Gijbels, we zijn daarover in gesprek met de Orde der artsen. Het hervormingsvoorstel van de nationale raad van 10 maart vormt daarbij een belangrijke input.

 

Ik wil nog niet vooruitlopen op de inhoud van de hervorming, maar ik verwacht dat het overleg binnen afzienbare tijd tot een voorstel kan leiden. Dat voorstel kan vervolgens het voorwerp vormen van ruimere consultatie en bespreking in de regering en daarna in het Parlement. Ik wil niets overhaasten, maar maart ligt inmiddels al een tijdje achter ons. We moeten dat in deze legislatuur inderdaad absoluut vormgeven.

 

25.03  Frieda Gijbels (N-VA): Ik hoor dat er gesprekken plaatsvinden, wat al heel goed is, en dat het hervormingsvoorstel daarvoor de basis zal vormen. Ik wil er toch aan herinneren dat we ook hebben afgesproken te bekijken of tandartsen daarin kunnen worden opgenomen. Ik zou daar werk van maken, want ik ben niet de enige die daarom vraagt. Ook de Federale Ombudsdienst Rechten van de Patiënt vraagt daar al vele jaren naar, net als de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België.

 

Volgens mij is er zeker ruimte voor een Orde van tandartsen. Denk bijvoorbeeld aan de praktijken die vandaag met durfkapitaal worden opgericht. Ook daaromtrent en inzake tarieven zijn adviezen nodig. Ik ben ervan overtuigd dat er binnen de tandartswereld ruimte is voor een deontologische orde.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

26 Question de François De Smet à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'étude de Sciensano quant à la mortalité due au surpoids" (56018335C)

26 Vraag van François De Smet aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het onderzoek van Sciensano over de sterfte ten gevolge van overgewicht" (56018335C)

 

26.01  François De Smet (DéFI): Je renvoie à la préparation écrite de ma question, monsieur le président.

 

Un dossier publié par l'hebdomadaire Humo relaie des chiffres de l'institut Sciensano selon lesquels, en 2022, la mortalité liée à un indice de masse corporelle élevé a représenté pour la première fois 8,2 % de l'ensemble des décès enregistrés en Belgique, soit 9 509 morts. Ce dossier, consacré à la nutrition et à la prévention, souligne l'ampleur croissante de ce phénomène, et interroge l'adéquation des politiques de prévention actuellement menées.

 

La lutte contre le surpoids et l'obésité figure parmi les priorités affichées de la politique fédérale de santé publique, notamment au travers du Plan Fédéral Nutrition Santé (PFNS) et des campagnes de prévention financées par l'INAMI.

 

En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir:

1° s’il confirme les chiffres de Sciensano relatifs à la mortalité liée au surpoids en 2022?

 

2° les moyens budgétaires précis aujourd'hui consacrés à la prévention du surpoids et de l'obésité au niveau fédéral (PFNS, remboursements INAMI de consultations diététiques ou de suivi de l'obésité)?

 

3° dans l’affirmative, si ces moyens ont évolué à la hausse ou à la baisse ces dernières années, au regard de l'ampleur du phénomène révélé par Sciensano?

 

4° si une actualisation de la stratégie fédérale de prévention est envisagée à la lumière de ces chiffres, en concertation avec les entités fédérées compétentes en matière de promotion de la santé?

 

26.02  Frank Vandenbroucke, ministre: Les chiffres mentionnés correspondent à la première estimation réalisée par Sciensano de la mortalité attribuable à un indice de masse corporelle élevé dans le cadre de son étude nationale sur le fardeau de la maladie (Belgian National Burden of Disease Study (BeBOD)).

 

Pour l'année 2022, Sciensano estime qu'un IMC élevé était associé à 8,2 % de l'ensemble des décès enregistrés en Belgique. C'est donc conséquent. Il s'agit évidemment d'une estimation statistique et non d'un nombre de décès directement identifiables dans les statistiques de mortalité. Elle repose sur plusieurs sources de données, notamment la distribution de l'IMC dans la population, les données scientifiques disponibles sur le lien entre un IMC élevé et différentes maladies, ainsi que les données concernant la mortalité dans notre pays.

 

Pour faire face à ce constat, nous mettons différentes choses en place. Un trajet de prise en charge de l'obésité chez l'adulte est en réflexion au niveau fédéral. Une approche intégrée pour la prévention et la prise en charge de l'obésité infantile est prévue. Les travaux interfédéraux vont reprendre en janvier. Des discussions interfédérales au sein du GTI Prévention sont en cours pour la création du plan cardiovasculaire. Les entités fédérées ont, chacune, divers plans de promotion de la santé. Je vous invite à prendre contact avec elles pour plus de détails.

 

26.03  François De Smet (DéFI): Je remercie simplement le ministre pour les précisions qu'il vient d'apporter.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

27 Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het statuut van de "fellows"" (56018338C)

27 Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le statut des "fellows"" (56018338C)

 

27.01  Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, artsen die na hun specialisatieopleiding nog verder willen specialiseren in een subspecialisatie – de zogenaamde fellows – vallen vandaag buiten elk statuut of duidelijk kader. Het is zelfs niet duidelijk om hoeveel artsen het gaat en hoe ze over het land zijn verdeeld.

 

Uit de antwoorden op mijn eerdere vragen hierover bleek dat er een enquête loopt – of liep – om meer zicht te krijgen op de situatie en vervolgens te bekijken of een specifiek statuut wenselijk en mogelijk is. Die enquête zou verschillende aspecten bevragen, zoals de arbeidsvoorwaarden, de werkovereenkomst, het statuut, de vergoedingen en de plaats waar de bijkomende opleiding wordt gevolgd.

 

Wat is de stand van zaken van die enquête? Hoeveel enquêtes werden ingevuld en ingestuurd? Wat zijn de resultaten voor de verschillende bevraagde aspecten? Welke conclusies werden getrokken en welke gevolgen zullen daaraan worden verbonden? Zal er inderdaad een specifiek statuut komen?

 

27.02 Minister Frank Vandenbroucke: De enquête over fellowships werd in augustus 2025 verstuurd naar de Belgische ziekenhuizen en naar de artsen-specialisten die in 2022, 2023 of 2024 hun erkenning op titelniveau 2 verkregen en op dat moment in België gedomicilieerd waren. De FOD Volksgezondheid ontving antwoorden van 34 ziekenhuizen – waaronder alle 7 universitaire ziekenhuizen – en van 669 artsen-specialisten.

 

Uit de enquête blijkt onder andere dat 62 % van de bevraagde artsen-specialisten een fellowship volgde of volgt. Fellowships komen relatief vaak voor binnen de algemene heelkunde, de orthopedische heelkunde en de oftalmologie. Ongeveer een derde vindt plaats in een Belgisch universitair ziekenhuis, een derde in een Belgisch algemeen ziekenhuis en een derde in het buitenland.

 

De meest voorkomende bijkomende bekwaamheden situeren zich binnen de pediatrie, de oncologie en de interventionele technieken. Daarnaast bestaan er aanzienlijke verschillen op het vlak van de contractuele voorwaarden, de vergoeding en de arbeidstijd.

 

Op basis van deze bevindingen werken de partijen binnen de Nationale Paritaire Commissie artsen-ziekenhuizen aan een engagementsverklaring om fellowships aan te bieden met respect voor de daarin opgenomen principes, zonder een uniform fellowstatuut voor te stellen. De werkzaamheden daarover lopen nog.

 

Daarnaast zullen tijdens een volgende plenaire vergadering van de Hoge Raad van artsen-specialisten de terugkerende bekwaamheden binnen fellowships inzake pediatrie, oncologie en interventionele technieken verder worden besproken.

 

27.03  Frieda Gijbels (N-VA): Kunnen we die enquête of de resultaten ervan ergens raadplegen? Ik weet niet of die openbaar zijn.

 

27.04 Minister Frank Vandenbroucke: Ik zal het vragen. Ik denk dat we die kunnen opvragen.

 

27.05  Frieda Gijbels (N-VA): Het is natuurlijk interessant om daar zicht op te krijgen. Ik denk dat deze groep effectief nood heeft aan een kader en op zijn minst aan een engagementsverklaring. Voor mij blijft de vraag of het niet beter is om daar een duidelijk statuut aan te koppelen, zodat er geen misbruik kan worden gemaakt van die mensen. Ze hebben uiteindelijk al jarenlang gestudeerd. Ik kan alleen maar hopen dat ze vandaag op de juiste wijze worden ingezet in de ziekenhuizen, want het zou erg jammer zijn als ze op de een of andere manier niet correct zouden worden behandeld. Ik denk dat we daar vandaag eigenlijk te weinig zicht op hebben.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

28 Vraag van Jan Bertels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het mucoviscidosegeneesmiddel Alyftrek" (56018346C)

28 Question de Jan Bertels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le médicament contre la mucoviscidose Alyftrek" (56018346C)

 

28.01  Jan Bertels (Vooruit): Het nieuwe mucoviscidosegeneesmiddel Alyftrek wordt sinds 1 oktober terugbetaald voor patiënten vanaf 6 jaar. Dat is een belangrijke stap in de behandeling van mucoviscidose. Het is ook herhaaldelijk gevraagd door de mucoviscidosevereniging. Het is ook bijzonder positief dat patiënten met zeldzame genmutaties de kans krijgen om via een proefperiode van 12 weken toegang te krijgen tot deze innoverende behandeling.

 

Ik heb drie vragen voor u, mijnheer de minister.

 

Wat is de raming van het aantal patiënten in België dat op basis van de huidige indicatiestelling in aanmerking komt voor de terugbetaling van Alyftrek? Hebt u er zicht op of kunt u inschatten hoeveel van deze patiënten behoren tot de specifieke groep met zeldzame genmutaties, die het medicijn dus in eerste instantie via de proefperiode van 12 weken zullen kunnen testen? Welke instantie beoordeelt precies of de proefperiode van 12 weken voor deze bijzondere groep met een zeldzame genmutatie als succesvol kan worden beschouwd?

 

28.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mijnheer Bertels, dit is inderdaad een heel behartenswaardig issue. Er wordt geschat dat met de huidige terugbetalingsmodaliteiten ongeveer 1.000 patiënten van de in totaal 1.400 mucoviscidosepatiënten die met een modulatortherapie behandeld worden, een behandeling met Alyftrek zullen krijgen. Van die groep van 1.000 zullen ongeveer 100 patiënten tot de groep met zeldzame genmutaties behoren, die nu ook toegang krijgen tot de behandeling met deze allernieuwste CFTR-modulator.

 

Voor deze patiënten wordt een proefperiode van 12 weken geïnitieerd om de werkzaamheid vast te stellen. De beoordeling van het al dan niet succesvol zijn van de proefperiode van 12 weken voor een patiënt met een zeldzame genmutatie, wordt gedaan door een panel dat bestaat uit drie artsen-specialisten met ervaring in de behandeling van mucoviscidose. Na de initiatieperiode worden de effectiviteitsgegevens geanalyseerd. Elk dossier tot verlenging dient in een plenaire sessie, virtueel of in de feitelijke aanwezigheid te worden besproken, waarna een advies wordt geformuleerd per casus in de vorm van een verslag, waarin ook de resultaten van afzonderlijke evaluatieparameters vermeld worden.

 

Er zijn intensieve onderhandelingen gevoerd over het middel. Ik ben dan ook blij te kunnen bevestigen dat er een overeenkomst is bereikt die ervoor zorgt dat een substantiële groep patiënten die tot nog toe geen toegang had tot de CFTR-modulator, daar nu wel op kan rekenen. Dat zal een heel belangrijke positieve impact hebben op de levenskwaliteit van de betrokken patiënten en op het leven van hun omgeving.

 

28.03  Jan Bertels (Vooruit): Mijnheer de minister, we kunnen die laatste vaststelling alleen maar bevestigen en ons bij uw blijdschap aansluiten.

 

De voorbije jaren is er veel gebeurd op het vlak van de behandeling van mucoviscidosepatiënten. Het is een goede zaak dat er nu ook voor een bijkomende groep van duizend patiënten, onder wie honderd met zeldzame genmutaties, een bijkomende behandeling of een bijkomend geneesmiddel beschikbaar is dat hen kan helpen hun levenskwaliteit te verbeteren. Gelet op hun aandoening, is het goed dat we hen zo goed mogelijk kunnen helpen.

 

Ik hoop ook dat door het panel van drie artsen-specialisten, zoals u hebt meegegeven, goede evaluaties kunnen worden uitgevoerd en dat de behandeling hopelijk kan worden verlengd voor degenen die bij een proefperiode zijn betrokken. Daarvoor moeten we de periode van twaalf weken echter nog even afwachten.

 

We zullen die evaluaties uiteraard van nabij opvolgen. De patiënten zullen dat natuurlijk zelf ook doen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

29 Vraag van Frieda Gijbels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De ontdekking van een nieuwe massaspermadonor in Nederland en de impact op België" (56018351C)

29 Question de Frieda Gijbels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La découverte d'un nouveau méga-donneur de sperme aux Pays-Bas et son incidence sur la Belgique" (56018351C)

 

29.01  Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, nog niet zo lang geleden werd in Nederland een nieuwe massaspermadonor ontdekt, genaamd Simon. Hij bood online sperma aan particulieren aan voor thuisinseminatie, maar doneerde blijkbaar ook aan fertiliteitsklinieken. Hij zou ook hebben gedoneerd aan een Deense spermabank en aan wensouders buiten Nederland. Op dat moment was er voorlopig sprake van zes gezinnen in België. Zoals we weten is het risico bij massadonatie dat er koppels ontstaan tussen halfbroers en halfzussen, wat we absoluut moeten vermijden.

 

Mijnheer de minister, wordt in België systematisch gemonitord of er donoren zijn die online sperma aanbieden voor thuisinseminatie?

 

Hebben we zicht op de verspreiding van donorsperma en op de genetische verwantschappen tussen donorkinderen die via thuisinseminatie zijn verwekt?

 

Heeft die man, Simon, gedoneerd aan Belgische ziekenhuizen? Heeft hij gedoneerd aan buitenlandse spermabanken, waarna zijn materiaal in Belgische ziekenhuizen werd gebruikt?

 

Indien hij heeft gedoneerd aan Belgische fertiliteitscentra of indien Belgische fertiliteitscentra hebben gebruikgemaakt van zijn sperma, zullen de ouders en donorkinderen daarover dan worden geïnformeerd, of is dat eventueel al gebeurd?

 

Hoeveel kinderen werden met het materiaal van die donor verwekt? Hoeveel daarvan zijn er in België verwekt, hoeveel via thuisinseminatie en hoeveel via een fertiliteitskliniek?

 

Overweegt u om informele donoren in het register op te nemen, zodat er een zo correct mogelijk overzicht ontstaat van het aantal donorkinderen per donor?

 

29.02 Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw Gijbels, dit is geen eenvoudige vraag. Ik begrijp ze zeer goed en het is een terechte vraag, maar het is geen eenvoudige vraag. Ik hoop dat ik dat duidelijk kan maken.

 

Naar aanleiding van de berichtgeving over die Nederlandse donor heeft het FAGG onmiddellijk formele informatie opgevraagd bij de Nederlandse autoriteiten. Het onderzoek wees uit dat er in één Belgisch centrum niet-anonieme donatie heeft plaatsgevonden bij twee vrouwen. Op basis van de informatie die het FAGG heeft kunnen verzamelen, zijn er geen aanwijzingen voor illegale praktijken binnen het reguliere circuit of voor een overschrijding van het quotum binnen die keten.

 

Het FAGG monitort niet systematisch personen die buiten de erkende fertiliteitscentra online sperma aanbieden voor thuisinseminatie. Voor activiteiten die volledig buiten het gereglementeerde medische circuit plaatsvinden, beschikt het FAGG bijgevolg niet over een volledig overzicht van het aantal donaties, de kinderen of de onderlinge genetische verwantschappen.

 

In het kader van een concreet onderzoek kan het FAGG persoonsgegevens verwerken die noodzakelijk zijn om na te gaan of er sprake is van een inbreuk op de Belgische regelgeving. De moeilijkheid is dat dit iets anders is dan het systematisch inventariseren van personen die buiten erkende fertiliteitscentra sperma aanbieden of doneren. Binnen het huidige wettelijke kader bestaat er geen rechtsgrond om een afzonderlijk register van dergelijke informele donoren aan te leggen of om louter op basis van dergelijke activiteiten iemand op te nemen in het donorregister.

 

Dat is dus een fenomeen dat wij niet in het vizier nemen, bij gebrek aan een basis van een of andere bestaande rechtsgrond. Wanneer een dossier zich aandient, begint het FAGG een onderzoek, waarbij het informatie verzamelt en zo meer, maar daarbuiten, op basis van de rechtsgrond die we hebben om te kunnen controleren, controleren we dat niet of volgen we dat niet op.

 

29.03  Frieda Gijbels (N-VA): Mijnheer de minister, ik snap zeker de moeilijkheid; dergelijke fenomenen zal men nooit helemaal kunnen uitsluiten.

 

Een mogelijk begin is een sensibiliseringsactie ten aanzien van wensouders, om hen te informeren over de mogelijke implicaties als zij een beroep doen op een informele spermadonor, ook wat de veiligheid van dat sperma betreft, want dat wordt uiteindelijk niet gecontroleerd. Ik denk dus dat er misschien wel een manier is om mensen dat eerder af te raden. Aanmoedigen doen we niet, maar we kunnen er wel voldoende informatie over verstrekken, zodat mensen daarover nadenken en misschien toch naar een fertiliteitscentrum gaan als ze een kinderwens hebben en niet op een natuurlijke manier zwanger kunnen worden.

 

Verder denk ik dat het misschien ook een optie is om online proactief te gaan screenen. Ik weet niet op welke manier het sperma wordt aangeboden, maar misschien kan er online toch worden nagegaan in hoeverre dat aanbod bestaat. Ik denk namelijk dat het wel eens meer verspreid en meer gebruikt zou kunnen zijn dan wij vandaag beseffen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

30 Questions jointes de

- Benoît Piedboeuf à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La participation des prestataires aux rôles de garde" (56018400C)

- Jean-François Gatelier à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La collaboration entre prestataires et hôpitaux pour l'organisation des gardes" (56018646C)

30 Samengevoegde vragen van

- Benoît Piedboeuf aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De deelname van zorgverleners aan wachtdiensten" (56018400C)

- Jean-François Gatelier aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De samenwerking tussen zorgverleners en ziekenhuizen bij het organiseren van de wachtdiensten" (56018646C)

 

30.01  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, cher monsieur Vandenbroucke, on connait la difficulté de tenir des gardes satisfaisantes toutes matières confondues dans nos hôpitaux. Cela ajoute à la difficulté de recrutement compte tenu des contraintes des rôles de gardes. Cependant on s’aperçoit sur le terrain qu’une série de prestataires en lien avec les hôpitaux exercent dans des cabinets privés (sauf quand ils ont besoin de l’infrastructure hospitalière, par exemple pour opérer) sans participer aux rôles de garde.

 

Ce sujet a déjà été sur la table plusieurs fois: n’est-il pas envisageable, comme en médecine générale, de requérir que des médecins, pour être agréés, doivent marquer leur solidarité sociétale par la participation aux rôles de garde? Je vous remercie pour votre réponse.

 

30.02  Jean-François Gatelier (Les Engagés): Monsieur le ministre, l'accord de gouvernement prévoit que les pratiques extra muros peuvent avoir une place dans le paysage des soins, en complément des hôpitaux. La collaboration avec les hôpitaux, notamment pour les services de garde, est nécessaire.

 

Par exemple, afin que mes collègues me comprennent bien – c'est un sujet que j'ai déjà évoqué en commission –, personnellement je suis médecin généraliste et j'ai un agrément. Pour pouvoir garder cet agrément que nous confère l'INAMI, je dois répondre à certains critères, dont notamment la formation continue, mais je dois également participer comme tous les médecins généralistes à la continuité des soins la nuit et le week-end. Cela veut dire faire partie d'un rôle de garde.

 

Or, ces dernières années, j'ai pu constater que certaines consœurs et certains confrères spécialistes, qui travaillaient auparavant dans l'hôpital, ont quitté cet hôpital et se sont installés dans le privé. Je ne suis certainement pas contre! Le problème, c'est que, en allant dans le cabinet privé, ils ont quitté aussi le rôle de garde qu'ils effectuaient quand ils avaient une pratique hospitalière. Les directeurs d'hôpitaux se retrouvent donc face à la pénurie de médecins et de médecins spécialistes. Ils se trouvent en plus dans cette situation très compliquée où ils ont du mal à engager des médecins spécialistes – je ne vais pas citer les spécialités mais on les connaît –, parce que ceux-ci doivent participer entre eux aux rôles de garde pour répondre aux demandes des urgences, au suivi des patients hospitalisés dans le service, car il y a un rôle qui est fait à l'intérieur de l'hôpital. C'est sûr que cette contrainte est lourde dans leur pratique. Mais comme il y a une pénurie médicale, certains en ont un petit peu marre, veulent peut-être trouver aussi une vie privée, vont dans leur cabinet privé et ne participent plus à ce rôle de garde. Ceci déforce non seulement le service des collègues qui sont restés dans la pratique hospitalière, mais est en plus très compliqué pour le directeur de l'hôpital qui doit engager un spécialiste en lui disant: "Tu sais, tu vas venir dans un service où vous n'êtes que deux ou trois, ce qui veut dire qu'il faudra par exemple assurer la garde un week-end par mois".

 

Monsieur le ministre, vous avez bien compris ma demande. Je suis certainement favorable à ce qu'on puisse un peu revoir cette situation, pour que tous les médecins spécialistes participent au rôle de garde de l'hôpital. Bien entendu, je crois qu'il faudra tenir compte, si cela se fait, d'un certain moratoire pour ceux qui sont dans une pratique privée depuis 10 ou 15 ans. Il faudra aussi respecter le fait qu'on a laissé aller le système, et aussi, comme en médecine générale, tenir compte de l'âge du praticien.

 

Avez-vous déjà entamé une réflexion sur ce sujet? Si oui, pourriez-vous nous éclairer sur le travail déjà mené? Pouvez-vous nous informer au sujet de la concertation menée avec les acteurs de terrain à ce sujet? Que comptez-vous proposer comme mesures concrètes dans ce cadre? Si non, quand comptez-vous commencer ce travail?

 

30.03  Frank Vandenbroucke, ministre: Chers collègues, à l'heure actuelle, l'agrément des médecins spécialistes repose sur des critères relatifs à la formation, aux compétences et à la qualité de l'exercice professionnel. La participation à un rôle de garde ne constitue pas une condition générale d'agrément. L'article 21 de la loi qualité impose à certains groupes de professionnels de santé, dont les médecins, de participer à la permanence médicale lorsqu'elle est organisée pour leur profession.

 

Par ailleurs, je souhaite également attirer l'attention sur les dispositions de la loi sur les hôpitaux relatives au règlement général de l'hôpital et à la convention individuelle du médecin hospitalier. La loi sur les hôpitaux impose en outre que ces deux documents règlent les modalités de la permanence médicale hospitalière. Il relève donc de la responsabilité de l'hôpital de veiller à ce que tout médecin lié à l'hôpital par une convention participe également à la permanence. Cette obligation doit être rendue contraignante par le biais du règlement général et de la convention individuelle.

 

À ce jour, aucune initiative visant à conditionner l'agrément des médecins spécialistes à une participation obligatoire au rôle de garde n'est en cours de préparation. Je comprends toutefois très bien la préoccupation visant à assurer une répartition équitable des responsabilités liées à la continuité des soins entre les professionnels de santé. C'est ce que notre collègue Gatelier a expliqué et je le comprends très bien.

 

Cette question s'inscrit dans une réflexion plus large sur l'organisation de la permanence des soins et l'évolution des pratiques professionnelles que je compte mener en concertation avec les acteurs de terrain.

 

30.04  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, je pense en effet que cela fait partie de l'organisation des soins et du service à la population. On peut évidemment respecter l'indépendance des médecins spécialistes, je la respecte aussi. Ma fille est médecin généraliste et elle participe au rôle de garde, comme le Dr. Gatelier. Cependant, pour assurer un bon suivi de la santé de la population et des médecins spécialistes qui, eux, font les gardes, il est nécessaire d'organiser les choses.

 

Il est toutefois exact que les hôpitaux, dans le cadre de leurs conventions, peuvent imposer des gardes. Mais il n'empêche que toute une série de professionnels qui ne sont pas nécessairement dans l'hôpital pourraient participer à un besoin d'intérêt public. Je vous invite donc, monsieur le ministre, à considérer que c'est une priorité en matière de santé publique et vous remercie pour votre réponse.

 

30.05  Jean-François Gatelier (Les Engagés): Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. Je rejoins mon collègue, c'est vraiment une priorité. Sinon, nous allons voir une aggravation du nombre de médecins spécialistes qui vont continuer à quitter l'hôpital, ce que nous ne connaissions pas il y a 20 ou 30 ans. Tous les médecins spécialistes travaillaient dans un hôpital. Maintenant, j'ai l'impression que la moitié travaille dans le privé.

 

C'est sans doute exagéré, mais on risque d'y arriver. Je ne voudrais pas qu'on confonde liberté thérapeutique avec liberté tout court. Il y a bien entendu un rendu à faire à la société. Quand vous faites une pratique de soins, vous devez participer à la continuité des soins. Si nous ne mettons pas le holà à certaines pratiques dans certaines spécialités, nous allons déforcer l'engagement dans nos hôpitaux. Il y a une difficulté à assurer un travail d'équipe. Nous risquons de voir encore certains confrères ou consœurs s'installer dans le privé pour le confort de ne pas participer à un rôle de garde.

 

J’ai envie de dire qu'à partir du moment où on a un numéro INAMI qui permet le remboursement des soins avec de l'argent public, il y a forcément une série de contraintes. Il faut réfléchir à proposer rapidement un texte sur cette question.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 56018410C van mevrouw De Knop wordt uitgesteld. Vraag nr. 56018466C van de heer De Smet wordt uitgesteld. De samengevoegde vragen nrs. 56018511C en 56018513C van de heer Lacroix, nr. 56018586C van de heer Gatelier en nr. 56019043C van mevrouw Taton worden uitgesteld.

 

31 Questions jointes de

- Christophe Lacroix à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La protection des mineurs intersexes" (56018534C)

- Sarah Schlitz à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "L'absence de réel cadre législatif protecteur des personnes intersexes dans le plan LGBT+" (56019229C)

31 Samengevoegde vragen van

- Christophe Lacroix aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De bescherming van intersekse minderjarigen" (56018534C)

- Sarah Schlitz aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het ontbreken van effectieve regelgeving ter bescherming van interseksen in het lhbt+-plan" (56019229C)

 

31.01  Christophe Lacroix (PS): Monsieur le ministre, mon groupe a déjà eu l'occasion de vous interroger à ce sujet. Des enfants intersexes font encore l'objet d'interventions médicales irréversibles visant à modifier leurs caractéristiques sexuelles alors que ces interventions ne sont pas nécessaires pour préserver leur santé et pourraient être reportées jusqu'à ce que l'enfant soit en mesure de consentir lui-même à de telles interventions.

 

La loi relative aux droits du patient est parfois présentée comme une protection suffisante. Elle ne règle pourtant pas la question centrale: lorsqu'un enfant ne peut pas consentir, comment garantir que son intégrité physique et son intérêt supérieur priment la volonté des adultes de "normaliser" son corps?

 

Sous la précédente législature, mon groupe a permis l'adoption d'une importante proposition de résolution à ce sujet, mais aucune avancée concrète n'a pu, à vrai dire, être enregistrée par la suite. La protection des personnes intersexes figure aujourd'hui dans les engagements de votre gouvernement et dans le Plan d'action interfédéral LGBTQI+ 2026-2030.

 

Dès lors, monsieur le ministre, reconnaissez-vous que la loi relative aux droits du patient ne constitue pas, à elle seule, une protection suffisante contre les interventions médicales irréversibles et non nécessaires pratiquées sur des enfants intersexes?

 

Êtes-vous favorable à une interdiction de ces interventions lorsqu'elles peuvent être reportées jusqu'à ce que l'enfant soit en mesure de donner un consentement libre et éclairé? Dans le cas contraire, quelle autre protection concrète proposez-vous?

 

Où en sont aujourd'hui les travaux en vue de l'élaboration d'une loi dans ce cadre? Le cas échéant, pouvez-vous déjà nous indiquer les grandes lignes d'accord au sein de votre gouvernement ainsi que les points de dissension? Un calendrier pourrait-il être avancé? Des concertations avec la société civile ont-elles été menées? Si oui, qui a été consulté? Enfin, le Parlement sera-t-il associé à ce travail et pourra-t-il également organiser des auditions à cet effet?

 

31.02  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, cet été, j'ai découvert le Plan d'action interfédéral LGBTQI+ 2026-2030, dans lequel la contribution fédérale ne comprend que 28 mesures, alors que plus de cent dispositions avaient été développées sous la précédente législature.

 

Je constate également que l'ambition pour protéger les personnes intersexes y a sensiblement diminué en comparaison avec le plan précédent, qui demandait l'élaboration d'un "cadre législatif protégeant l’intégrité physique des mineurs intersexes en garantissant, sauf nécessité médicale grave, l’interdiction de toute décision de modification des caractéristiques sexuelles d’un mineur sans le consentement éclairé de celui-ci". Désormais, votre plan mentionne uniquement l'élaboration d'un "protocole médical fondé sur les droits humains".

 

Pour rappel, encore aujourd'hui en Belgique, des enfants intersexes naissent parfaitement sains mais subissent des interventions dites de "normalisation". Une telle situation est inacceptable. Nous ne pouvons pas continuer à laisser pratiquer sur des enfants des opérations purement esthétiques, dont l'objectif est avant tout de répondre à une peur des parents ou de l'entourage face au regard porté par la société binaire dans laquelle nous vivons. Ces enfants doivent pouvoir décider eux-mêmes. Les opérations devraient donc être reportées jusqu'au moment où la personne concernée est en mesure de consentir, sauf lorsqu'une nécessité médicale justifie une intervention plus précoce.

 

Monsieur le ministre, notre pays a déjà été rappelé à l’ordre à de nombreuses reprises sur la scène internationale en raison de ces pratiques intolérables. Depuis des années, les associations concernées se mobilisent et témoignent de situations dramatiques vécues sur notre territoire. Il est aujourd'hui temps d'avancer. Lors de la précédente législature, une proposition de loi avait été déposée mais n'a pas pu aboutir en raison de plusieurs blocages. Il me semble désormais indispensable de relancer ce dossier. Pouvez-vous dès lors préciser le calendrier que vous envisagez pour faire progresser ce dossier? Quel cadre entendez-vous mettre en place afin de garantir une protection effective des enfants intersexes?

 

31.03  Frank Vandenbroucke, ministre: Les interventions dites de "normalisation sexuelle" pratiquées sans nécessité médicale ou sans le consentement du patient ne sont pas autorisées en Belgique. La loi belge relative aux droits du patient fixe des garanties pour chaque patient, indépendamment de son profil ou de ses caractéristiques sexuelles. Toute intervention médicale requiert le consentement libre et éclairé de la personne concernée ou, en cas d'incapacité, de son représentant. C'est notamment le cas des mineurs et des majeurs incapables. Moyennant une information préalable adéquate, le mineur est associé à l'exercice de ses droits en tant que patient et peut les exercer de manière autonome lorsqu'il est jugé apte à apprécier raisonnablement ses intérêts.

 

Lorsque les conditions légales ne sont pas respectées – par exemple en cas de défaut de consentement ou d'information insuffisante – la responsabilité du prestataire de soins peut être engagée. La justice belge a d'ailleurs déjà condamné une intervention de "normalisation sexuelle" médicalement non nécessaire pratiquée sur une personne mineure intersexe. Je renvoie à cet égard à l'arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles du 7 février 2023.

 

Dans le cadre des mesures du Plan d'action interfédéral LGBTQI+, adopté le 17 juillet, nous nous engageons à élaborer un protocole médical fondé sur les droits humains qui établit des directives pour les soins médicaux prodigués aux personnes représentant des variations des caractéristiques sexuelles.

 

Le protocole doit garantir qu'aucune intervention sur les caractéristiques sexuelles ne soit effectuée sans le consentement préalable, libre, éclairé et explicite de la personne concernée. Le protocole tient compte des souhaits psychologiques, sociaux et futurs de la personne et comprend un accompagnement pluridisciplinaire, y compris des informations, un soutien et un suivi. L'identification et la mise en visibilité de l'expertise existante constituent une première étape essentielle permettant, le cas échéant, d'envisager un renforcement ciblé de l'accompagnement afin d'améliorer concrètement la situation des personnes concernées. Voilà ma réponse.

 

31.04  Christophe Lacroix (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Vous clarifiez bien la légalité, ce n'est pas autorisé sans le consentement libre et éclairé, mais néanmoins vous travaillez sur un protocole d'accord pour renforcer le caractère libre, éclairé et explicite de la décision de la personne qui est concernée. Ça me semble véritablement indispensable parce qu'on joue avec l'avenir humain d'une personne.

 

Les mineurs parfois, même très souvent, ne sont pas toujours aptes à décider sous la pression de leurs parents ou de leur entourage. Et donc je crois qu'il faut effectivement garantir leurs droits, le respect de l'attente du moment où ils sont aptes à pouvoir prendre une décision en toute connaissance de cause.

 

C'est assez délicat et c'est assez difficile, c'est assez complexe, je vous le concède. C'est la raison pour laquelle – et vous n'avez pas répondu sur ce sujet – je me permets de vous inviter vraiment à concerter un maximum avec la société civile parce que, pour avoir été délégué général des droits des personnes LGBTQI à l'Assemblée parlementaire du Conseil de l'Europe dans le cadre du mandat parlementaire que j'y ai rempli avec la délégation belge, j'ai pu rencontrer des personnes intersexes. Rassurez-vous, ce n'étaient pas des Belges évidemment, mais des personnes intersexes qui ont été opérées alors qu'elles étaient des enfants et qui, aujourd'hui, sont véritablement des personnes traumatisées psychologiquement, physiquement et à vie et c'est terrible! Elles sont dans une prison aujourd'hui. Leur corps est devenu une prison. Ce n'est pas logique, ce n'est pas normal, ce n'est pas humain.

 

31.05  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Merci pour la réponse. Vous nous dites qu’aujourd'hui, en Belgique, il y a un cadre légal qui fait qu'on ne pratique pas des opérations sans consentement et non nécessaires sur des mineurs. Je vous invite quand même à ne pas remettre en question le vécu et le retour de terrain que nous rapportent chaque jour les associations.

 

Depuis combien de temps ce dossier traîne-t-il? Je suis arrivée ici il y a huit ans et c’est un des premiers dossiers sur lesquels j'ai travaillé. C'était d'ailleurs à l'initiative de la ministre Muylle, qui avait à l’époque organisé ici un colloque avec des personnes concernées – des personnes belges –, qui ont subi des opérations ici.

 

Il y a également eu une résolution, à l’occasion de laquelle nous avons organisé des auditions. Une médecin est venue, que tout le monde connaît ici. Elle a expliqué avec un PowerPoint que, parmi les critères pour effectuer des opérations sur des bébés intersexes, il y avait l'esthétique, pour des raisons d'intégration, de normalisation. Le critère médical ne prévaut donc pas sur ce type de choix.

 

Nous avons aujourd'hui un problème en Belgique. Chaque année que nous attendons pour légiférer et encadrer, de nouveaux enfants subissent des opérations non nécessaires.

 

Certes, il faut travailler à l'accompagnement des familles, à la formation et à l'information des professionnels, mais il faut aussi mettre un terme à ces opérations inutiles qui causent des traumatismes sur le long terme à des personnes qui n'auraient pas dû les subir.

 

Je pense qu'il est temps d’agir. Si vous voulez mettre en place un protocole, si vous pensez que cela va être efficace: allez-y; mais cessez d'attendre et avancez sur ce dossier. Je vous remercie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

32 Question de Christophe Lacroix à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La réglementation de la GPA" (56018535C)

32 Vraag van Christophe Lacroix aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De regelgeving inzake draagmoederschap" (56018535C)

 

32.01  Christophe Lacroix (PS): Monsieur le ministre, l'accord de gouvernement prévoit l'instauration d'un cadre légal relatif à une gestation pour autrui (GPA) altruiste, dite de "haute technologie". Le gouvernement travaille donc sur un sujet qui touche directement à la santé, à l'intégrité corporelle, aux droits de l'enfant et à la filiation.

 

Or, tandis que le cabinet travaille manifestement sur ce dossier, la place réservée à la société civile et aux personnes directement concernées reste opaque. Sur un sujet aussi sensible, il serait problématique que le futur cadre légal soit essentiellement élaboré entre cabinets et experts, sans véritable concertation avec les associations et les représentants de la société civile.

 

Dès lors, monsieur le ministre, où en sont précisément les travaux relatifs au futur cadre légal de la GPA? Un texte est-il déjà en préparation? Quel calendrier le gouvernement s'est-il fixé pour aboutir?

 

Depuis le début de ces travaux, quelles associations et quelles personnes directement concernées ont été officiellement consultées? Pouvez-vous en communiquer la liste, ainsi que les principaux enseignements de ces consultations?

 

Le gouvernement prévoit-il une véritable concertation de la société civile avant de parachever son projet, notamment avec les femmes ayant été mères porteuses, les personnes nées d'une GPA, celles qui y ont eu recours, les associations de défense des droits de l'enfant, les associations de défense des droits des femmes et de promotion de l'égalité ainsi que les professionnels de santé?

 

Enfin, une fois encore, le Parlement sera-t-il associé à ce travail et pourra-t-il également organiser des auditions dans ce cadre?

 

32.02  Frank Vandenbroucke, ministre: Monsieur Lacroix, en exécution de l'accord de gouvernement, la ministre de la Justice et moi-même sommes en train d'élaborer un cadre juridique en vue d'une gestation pour autrui altruiste et de haute technologie. La coordination générale du processus législatif relève de la compétence de la ministre de la Justice. Dans le cadre de mes compétences (Santé publique et Affaires sociales), nous contribuons au volet relatif à la procréation médicalement assistée et à la protection sociale des personnes concernées.

 

La gestation pour autrui n'est pas un sujet neuf dans le débat sociétal et parlementaire. Ce thème a en effet été traité à plusieurs reprises ces dernières années à la Chambre et au Sénat. Différents avis ont été rendus, notamment sous les angles juridique, éthique et sociétal. Ceux-ci sont pris en compte dans l'élaboration du nouveau cadre légal. À cette fin, en concertation avec la Justice, les centres de fertilité ayant une expérience de la gestation pour autrui ont également été consultés.

 

En ce qui concerne l'état d'avancement général du processus législatif, la consultation globale de la société civile et la suite du calendrier, je renvoie à ma collègue, la ministre de la Justice.

 

32.03  Christophe Lacroix (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses, même si je reste évidemment un peu sur ma faim. Je comprends bien que la compétence soit partagée; vous avez bien délimité les secteurs de compétences.

 

En tant que bourgmestre, j'ai été confronté à des parents qui devaient pouvoir faire reconnaître leurs enfants nés via une GPA. Un parent était automatiquement désigné comme papa ou comme maman – il s'agissait surtout de papas – et le deuxième parent devait procéder à une adoption intrafamiliale.

 

Mais le bourgmestre avait également une responsabilité pour reconnaître la filiation, et tout cela dépendait du bon vouloir d'une circulaire du procureur. Il est quand même anormal – mais cela relève de la Justice – qu'en fonction des degrés de tolérance ou d'acceptation de l'évolution d'une société, un bourgmestre doive agir sur la base d'une circulaire émanant d'un procureur du Roi.

 

Je pense que, sur l'aspect de la procréation assistée et celui de la protection sociale, qui relèvent davantage de votre compétence, vous pouvez être, aux côtés de la ministre de la Justice, la personne qui va assurer une concertation. Permettez-moi de m'exprimer ainsi: de manière plus traditionnelle, je ferais davantage confiance à Vooruit qu'au cd&v sur ce dossier. C'est la raison pour laquelle je vous demande d'être particulièrement attentif à ce que les concertations soient bien menées par votre collègue ministre de la Justice.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 56018556C van de heer Van Rooy wordt op zijn vraag uitgesteld.

 

33 Samengevoegde vragen van

- Natalie Eggermont aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De begrotingsdiscussies en de mogelijke besparingen in de zorg" (56018567C)

- Caroline Désir aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De besparingen op de gezondheidszorgbegroting en de gevolgen voor de patiënten" (56018591C)

- Irina De Knop aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De begrotingsonderhandelingen en de ziekenhuiszorg" (56019358C)

- Dominiek Sneppe aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De besparingen in de gezondheidszorg" (56019852C)

33 Questions jointes de

- Natalie Eggermont à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les discussions budgétaires et les éventuelles économies dans les soins de santé" (56018567C)

- Caroline Désir à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les économies dans le budget des soins de santé et l'impact sur les patients" (56018591C)

- Irina De Knop à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les négociations budgétaires et les soins hospitaliers" (56019358C)

- Dominiek Sneppe à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Les économies dans les soins de santé" (56019852C)

 

33.01  Caroline Désir (PS): Monsieur le ministre, j'avais déjà eu l'occasion de vous interroger sur les pistes d'économies envisagées par votre gouvernement dans les soins de santé au moment où on avait parlé de l'instauration d'une franchise médicale jusqu'à 500 euros, de l'augmentation des tickets modérateurs, du durcissement de l'accès au statut BIM, de la réduction de la norme de croissance; bref, d'autant de mesures qui ne feraient qu'une chose, à savoir augmenter la facture à charge des patients et le renoncement aux soins. Une note de l'INAMI évoquait ainsi, selon les scénarios, des économies pouvant aller jusqu'à environ six milliards d'euros, ce qui avait mené à ce qu'on vous interroge en séance plénière.

 

Entre temps, le comité d'assurance de l'INAMI a approuvé début octobre une proposition de budget pour les soins de santé 2027, et l'adoption de ce budget s'inscrit, on le sait, dans le cadre des négociations budgétaires en cours, où votre gouvernement prévoit de réaliser plus de 10 milliards d'euros d'économies.

 

Il est donc aujourd'hui essentiel de savoir quels arbitrages sont sur la table et quels arbitrages concernent plus spécialement le budget des soins de santé 2027.

 

Monsieur le ministre, des mesures susceptibles d'augmenter directement le coût des soins pour les patients sont-elles toujours sur la table? Si oui, quelles sont-elles? Une franchise ou une augmentation généralisée du reste à charge constituent-elles toujours pour vous une ligne rouge, comme vous nous l'aviez indiqué en séance plénière? Comment entendez-vous garantir que le budget des soins de santé 2027 préserve l'accessibilité financière des soins et ne fasse pas peser l'essentiel de l'effort sur les patients?

 

33.02  Dominiek Sneppe (VB): Mijnheer de minister, er moet worden bespaard, er moeten efficiëntiewinsten worden gerealiseerd en ook de gezondheidszorg zal waarschijnlijk een bijdrage moeten leveren. De vraag die wij ons dan stellen, is waarop die bijdrage van de gezondheidszorg zal zijn gebaseerd.

 

Er zouden tegen juli auditrapporten voor alle sectoren van de gezondheidszorg zijn. Die rapporten moesten aantonen waar er overschrijdingen zijn, waar er geld overblijft, waarom dat zo is en vooral welke maatregelen daadwerkelijk iets hebben opgebracht. We zijn halverwege oktober. Waar zijn die rapporten? Zijn ze er al? Zo ja, waar kunnen we ze vinden?

 

We weten dat er grote verschillen tussen de sectoren zijn. De ene sector overschrijdt het budget, terwijl de andere er tientallen miljoenen euro's onder blijft. Een onderschrijding betekent echter niet automatisch een efficiëntiewinst. Misschien wordt bepaalde zorg niet geleverd, misschien is een maatregel niet uitgevoerd of misschien is het budget gewoon verkeerd geraamd. Daarom zijn die audits nodig.

 

Ook de controles van de jaarrekeningen van het RIZIV door het Rekenhof blijven uit. In juli antwoordde u op mijn vraag dat de controle van de jaarrekening voor 2022 van het RIZIV bijna afgerond was. Daarna moesten ook de jaarrekeningen van 2023 en 2024 nog volgen. Ook daarop wachten we nog steeds. Het wordt stilaan tijd dat dit in orde komt.

 

We hebben dus nog altijd geen recente, gecontroleerde jaarrekeningen. We hebben de beloofde auditrapporten nog steeds niet gezien. Ondertussen moet de regering wel beslissen waar in de gezondheidszorg geld moet worden gevonden om de federale begroting op orde te krijgen.

 

Mijnheer de minister, mijn vraag is dan ook heel concreet. Waar zijn de beloofde auditrapporten? Wanneer krijgen we inzage in die rapporten? Of kunt u ons vertellen waar we ze kunnen vinden, als ze er al zijn? Worden die rapporten op tafel gelegd voordat u nieuwe besparingen in de gezondheidszorg vastlegt? Of blijft u verder blind varen?

 

33.03  Frank Vandenbroucke, ministre: Je pense avoir déjà répondu de manière générale à ces questions lorsque Mme Eggermont m'a interpellé. Il s'agissait d'ailleurs d'une question assez similaire, de sorte que je vais reprendre les mêmes éléments.

 

D'abord, mon parti, comme d'autres partis de la majorité, est au gouvernement pour investir dans les soins de santé et pour mettre en œuvre les réformes absolument nécessaires visant à renforcer la qualité et l'accessibilité des soins tout en maîtrisant les budgets qui y sont consacrés. Comme je l'ai souvent dit, investir dans les soins de santé ne signifie pas ouvrir les robinets et laisser couler l'eau. Il faut orienter les moyens, définir des priorités et mettre en place les mesures d'efficacité et de réorientation nécessaires.

 

En ce qui concerne le budget 2027, j'ai déjà expliqué à Mme Eggermont que la nouvelle procédure introduite par ce gouvernement prévoit l'envoi d'une lettre de mission au Comité de l'assurance de l'INAMI contenant des orientations générales relatives au budget. Cette procédure existe effectivement. Toutefois, en juillet, le gouvernement a décidé de ne pas adresser de lettre de mission au Comité de l'assurance. La raison est simple: il n'existait pas encore d'accord suffisant sur la manière de formuler cette lettre alors que le budget global n'était pas encore finalisé.

 

Nous sommes donc revenus à la procédure traditionnelle. Dans ce cadre, il n'y a pas de lettre de mission du gouvernement et le Comité de l'assurance élabore, sur la base des propositions des mutualités, une proposition de budget pour l'année 2027. Cette proposition a été transmise au Conseil général, qui se réunira la semaine prochaine. Il appartient désormais au gouvernement, dans le cadre de cette procédure classique, de se prononcer sur la proposition adoptée par le Comité de l'assurance. Cette discussion aura lieu au sein du Conseil général.

 

Comme le gouvernement n'a pas encore pris position sur cette proposition, je ne vais pas m'exprimer ici à titre individuel ni indiquer aujourd'hui quelle devrait être, selon moi, la décision du gouvernement lors de la réunion de la semaine prochaine.

 

En tout cas, madame Désir, je pense que même si nous pouvons accepter de temps en temps des ajustements au niveau des tickets modérateurs – à cause de l'inflation, par exemple –, même si j'ai moi-même demandé un avis à la commission Schokkaert sur les possibilités de modulation et d'ajustement des tickets modérateurs, et même si j'ai dit moi-même que je partageais l'avis qu'elle m'a rendu, l'idée selon laquelle il faudrait augmenter de façon significative le ticket modérateur pour freiner les patients dans leur recours aux médecins est une idée que je ne partage pas du tout.

 

Je ne peux donc que le répéter. Je l'ai d'ailleurs dit aussi lors d'une conférence que j'ai donnée à l'Université de Gand il y a quelques jours. Donc oui, des ajustements sont possibles. Oui, il faut introduire des réformes. Oui, il faut travailler sur l'efficacité des soins de santé. Mais l'objectif est évidemment l'accessibilité, la qualité, et non l'inverse.

 

Je ne vais toutefois pas être plus précis, vu le fait que nous sommes exactement dans une procédure où le gouvernement doit réfléchir à la réponse à apporter à la proposition adoptée par le Comité de l'assurance de l'INAMI concernant le budget 2027.

 

33.04  Caroline Désir (PS): Je vous remercie monsieur le ministre.

 

Tout d'abord, je vous prie de nous excuser pour la manière dont ce débat s'est déroulé aujourd'hui. Nous avons été informés assez tardivement de la modification de l'ordre du jour. Cela vous a effectivement contraint à répéter deux fois les mêmes éléments, ce qui n'est évidemment pas optimal. Je vous remercie néanmoins de l'avoir fait.

 

Je comprends par ailleurs votre prudence, qui ne me surprend pas. Vous êtes en pleine négociation au sein du gouvernement et je me doutais bien que vous n'alliez pas vous avancer seul sur cette question.

 

Cela étant, je suis heureuse de vous entendre réaffirmer que l'accessibilité et la qualité des soins demeurent des priorités à vos yeux. J'entends également vos réticences à l'égard d'une augmentation significative du ticket modérateur.

 

J'espère donc que vous resterez fermement attaché à ces principes. Nous vous soutenons pleinement dans ce sens et nous suivrons avec attention l'évolution des discussions budgétaires au sein du gouvernement.

 

33.05  Dominiek Sneppe (VB): Mijnheer de minister, u hebt het gepresteerd om geen enkele van mijn vragen te beantwoorden. Dat sterkt me alleen maar in mijn gelijk. Er zijn geen audits. Ook de controle van de meest recente jaarrekening door het Rekenhof is nog niet afgerond. Niettemin legt u de zorgsector besparingen op, zonder enig idee te hebben waar of hoe die besparingen zullen worden gerealiseerd of wat ze zullen opleveren.

 

U vaart dus blind, zoals ik al in mijn vraag stelde. Zult u blind blijven varen? Dat is het geval want het feit dat u niet over die audits en jaarrekeningen spreekt, wijst erop dat er geen enkele controle is. Ik weet niet waarop u uw beleid zult baseren. Als de audits er niet zijn en de mogelijke besparingen al min of meer vastliggen, blijft u blind varen. Dat zal uiteraard ten koste gaan van de zorg en van onze patiënten.

 

Ik wil er nogmaals op aandringen dat u werk maakt van die audits. U had beloofd dat ze er in juli 2026 zouden zijn. We zijn nu halverwege oktober 2026, dus drie maanden later. Ze zijn er nog altijd niet. Ook de controles blijven uit. U zei dat ze op schema zaten. De controle van 2022 moest in juli 2026 afgerond zijn of was toen bijna afgerond. Dan mag toch worden verondersteld dat de controles van 2023 of 2024 ondertussen al aan de gang zijn.

 

U zwijgt echter in alle talen. Ik veronderstel dat dat bevestigt wat wij vrezen, namelijk dat u gewoon hier en daar bespaart waar u zelf meent te moeten besparen zonder enig idee te hebben van de impact op onze zorgsector en onze patiënten. Dat is heel gevaarlijk.

 

Ik hoop dat u nog tot betere inzichten komt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

34 Samengevoegde vragen van

- Natalie Eggermont aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De ziekenhuishervorming" (56018568C)

- Jean-François Gatelier aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De hervorming van het ziekenhuislandschap" (56018589C)

- Luc Frank aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De hervorming van het ziekenhuislandschap en de Duitstalige Gemeenschap" (56018654C)

- Nathalie Muylle aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "De stand van zaken met betrekking tot de ziekenhuishervorming" (56018738C)

34 Questions jointes de

- Natalie Eggermont à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La réforme des hôpitaux" (56018568C)

- Jean-François Gatelier à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La réforme du paysage hospitalier" (56018589C)

- Luc Frank à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "La réforme du paysage hospitalier et la Communauté germanophone" (56018654C)

- Nathalie Muylle à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le point sur la réforme des hôpitaux" (56018738C)

 

34.01  Jean-François Gatelier (Les Engagés): Merci, monsieur le président. Avant de commencer, concernant l'ordre du jour des questions d'aujourd'hui, il y avait plusieurs intervenants concernant le Plan Cancer. La question était la numéro 25 la semaine passée, et elle est remontée à la place 90 et je voulais savoir pourquoi.

 

Le président: On regardera cela après votre question.

 

34.02  Jean-François Gatelier (Les Engagés): Oui, d'accord, mais enfin, comme c'était la dernière question, je souhaitais trouver une réponse à cette injustice, monsieur le président.

 

Monsieur le ministre, la Conférence interministérielle Santé publique du 24 juin dernier est parvenue à un accord de principe sur la réforme du paysage hospitalier belge pour la période 2026-2036. Cet accord repose sur un principe auquel je suis particulièrement attaché: maintenir les soins de proximité là où c'est possible et concentrer les activités là où c'est nécessaire, tout en tenant compte des réalités spécifiques des territoires ruraux. Plusieurs assouplissements importants ont ainsi été introduits par rapport aux propositions initiales des experts.

 

Pour être reconnu comme hôpital général régional, un site devrait, en première phase, disposer d'au moins 150 lits aigus justifiés et de 200 lits aigus agréés. Une dérogation est cependant prévue lorsqu'un site se situe au moins à 25 km par la route d'un autre hôpital général régional, ou à au moins 50 km du site hospitalier le plus proche appartenant à la même communauté. Cette disposition est évidemment essentielle pour les territoires ruraux, et notamment pour la botte du Hainaut, d'où je viens, pour l'hôpital de Chimay, mais aussi le Luxembourg et les cantons de l'Est.

 

L'accord de juin prévoyait cependant encore une phase de concertation avec les différents gouvernements et annonçait l'adoption des lignes politiques définitives en septembre 2026. Nous sommes désormais en octobre.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous, dès lors, nous préciser où en sont les travaux, les principes arrêtés le 24 juin, notamment les critères de distance de 25 et 50 km et les possibilités de dérogation pour les territoires ruraux? Sont-ils définitivement acquis ou font-ils encore l'objet de discussions? Des modifications substantielles ont-elles été apportées au projet depuis l'accord du 24 juin? Je vous remercie pour vos réponses.

 

34.03  Luc Frank (Les Engagés): Geehrter minister, l'évolution de notre paysage hospitalier est nécessaire. En effet, nous sommes confrontés à des complexités croissantes des soins, des pénuries de personnel, des augmentations des coûts. La réforme sur la table doit préserver la qualité – vous l'avez déjà dit – l'accessibilité et la soutenabilité financière de notre système de soins de santé.

 

Depuis le début de la réflexion sur la réforme du paysage hospitalier, Les Engagés insistent sur l'importance de garantir l'accessibilité des soins sur l'ensemble du territoire et de tenir compte des réalités démographiques et territoriales diverses, des zones rurales, et notamment aussi de la communauté germanophone, qui a des soins de santé dans sa langue, auf Deutsch.

 

En juin dernier, la Conférence interministérielle Santé a présenté sa proposition de principes concernant la réforme du paysage hospitalier pour les dix prochaines années. Dans cette proposition de principes, des dérogations aux critères pour un hôpital général régional étaient prévues, notamment pour les sites qui se trouvent à une distance d'au moins 25 km par voie routière, ou pour les sites qui se trouvent à une distance d'au moins 50 km par voie routière du site le plus proche appartenant à la même communauté.

 

Und in diesem Sinne, habe ich Ihnen ja auch schon mal gesagt, wollte ich Ihnen öffentlich danken für Ihren Einsatz, dass Sie dafür gesorgt haben, dass es hier auch eine Ausnahmeregelung gibt.

 

Un grand merci pour cette exception, notamment pour les germanophones.

 

Voici mes questions. Monsieur le ministre, pourriez-vous nous éclairer quant aux discussions qui ont eu lieu au sein de votre gouvernement et en concertation avec les autres ministres de la Santé? Des précisions ont-elles été apportées concernant la Communauté germanophone? Je vous remercie.

 

34.04  Frank Vandenbroucke, ministre: Merci pour ces questions. Je crois que vous avez tous les deux bien résumé le défi essentiel de cette réforme, et donc la mission de cette réforme. Cette réforme s'impose pour renforcer le paysage hospitalier, pour renforcer les hôpitaux, pour adapter l'organisation des hôpitaux aux difficultés pour trouver la main-d'œuvre nécessaire, mais en réconciliant l'accessibilité et la proximité avec la nécessaire concentration de l'expertise. Je crois que cette formule que M. Gatelier a d'ailleurs répétée est absolument parfaite, et c'est l'essence de la réforme.

 

Je voudrais quand même aujourd'hui me focaliser sur l'avancement de la procédure, parce que je crois que ce qui est important. Comme vous l'avez dit, la Conférence interministérielle Santé publique a trouvé un accord le 24 juin sur une série de principes qui devront orienter la réforme. Comme nous l’avons d'ailleurs indiqué ici, dans ses choix, la CIM Santé a quand même développé une approche un peu plus flexible que celle du rapport des experts.

 

Ainsi, notamment pour tenir compte de la nécessaire proximité et des spécificités linguistiques, nous avons opéré des choix qui rendent possible une certaine flexibilité, au-delà de ce qui était initialement prévu dans le rapport des experts.

 

Mais, comme convenu, ces principes sont ensuite examinés au sein des différents gouvernements, afin que chaque ministre puisse déterminer sa position en vue de l'adoption des orientations politiques définitives. L'idée est donc d'avoir une période de feedback dans les gouvernements respectifs des ministres de la Santé.

 

Ces travaux sont toujours en cours car, alors que nous avions prévu de nous revoir en septembre au sein de la CIM Santé, les travaux budgétaires nous ont conduits à reporter ce point de la CIM Santé du mois d'octobre. Nous nous trouvons donc toujours dans cette phase de procédure où chaque gouvernement examine le dossier.

 

Par conséquent, en ce qui concerne les exemples que vous avez donnés, les critères de distance ou les dérogations possibles pour les zones rurales, je ne peux pas anticiper aujourd'hui une décision définitive. Il convient d'attendre les conclusions de la prochaine Conférence interministérielle pour apporter davantage de clarté quant aux orientations définitives et précises de la réforme. Toutefois, l'esprit que vous avez esquissé est exactement le mien. Nous en sommes toujours à la procédure et pas encore à l'étape définitive, vu le report de ce point de l'agenda de septembre à octobre.

 

34.05  Jean-François Gatelier (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse.

 

Nous sommes bien conscients que les différents ministres régionaux de la Santé doivent se concerter avec vous à propos de cette décision définitive. Nous avions poussé un "Ouf!" de soulagement au mois de juin concernant ces hôpitaux ruraux qui sont très éloignés et pour l'avenir desquels les habitants et les soignants avaient exprimé leurs inquiétudes. Celui qui me concerne le plus est l'hôpital de Chimay. Néanmoins, une fois encore, ceux de la province de Luxembourg et des cantons de l'Est se trouvent dans une situation identique.

 

Je sais que vous discutez ensemble en vue d'accorder des dérogations. Pour ma part, j'ai un message à faire passer, monsieur le ministre: il importe que ces dérogations soient identiques. Il ne faudrait pas qu'elles soient délivrées à la carte en fonction des situations ou des capacités intrinsèques de pouvoir les remplir. C'est un autre problème. À mes yeux, il convient de les délimiter. Ensuite, il reviendra aux acteurs des réseaux hospitaliers de répondre ou non en fonction de leurs moyens. Nous connaissons en effet les pénuries de médecins spécialistes et savons qu'il n'est pas évident d'assurer le suivi.

 

Comme mon collègue, j'avais introduit cette question pendant les vacances. Je vais vous donner un petit exemple local pour vous démontrer la nécessité de dérogations bien choisies. Les hôpitaux ruraux français ont déjà accompli cet exercice bien avant nous et ont été confrontés à ces problèmes de dérogation. À Chimay, début septembre, une maman ayant atteint la 38ème semaine de grossesse et dont c'était le quatrième futur accouchement a eu une hémorragie placentaire. Le SAMU est arrivé et a mis deux heures à la conduire à Charleroi. Une fois parvenue là-bas, elle a subi un césarienne en urgence. La petite fille de 38 semaines qui allait naître est décédée à cause de ce retard de soins, faute de maternité et de gynécologue à Chimay susceptible de pratiquer une césarienne. Cet exemple dramatique nous montre qu'il faut absolument rester très attentif, comme vous l'avez toujours dit, aux soins de proximité nécessaires dans de telles situations d'urgence et, bien entendu, concentrer dans les grandes villes et les grands hôpitaux toute l'expertise et tous les soins spécialisés requis.

 

Je suis tout à fait d'accord avec cette réforme, mais je crains que l'on puisse déroger trop facilement de sorte que l'on pourrait déboucher, et vous pouvez compter sur moi pour le rappeler, sur des situations aussi dramatiques que celle de cette maman qui a été prise en charge au bout de deux heures par des soins spécialisés indispensables. Ce n'est pas acceptable dans un pays comme le nôtre. Vous n'y pouvez rien, moi non plus; mais nous encourons un risque selon les dérogations qui seront accordées. Sachez que j'ai déjà alerté notre ministre de la Santé Yves Coppieters de cette situation et de ces dérogations auxquelles chaque gouvernement est en train de réfléchir. Merci, monsieur le ministre.

 

34.06  Luc Frank (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je me réjouis de constater que nous partageons la même vision et le même état d’esprit sur cette question. Au-delà des enjeux de ruralité et de proximité, qui sont essentiels, il existe chez nous un élément complémentaire que vous connaissez très bien: celui de la langue. Cet aspect est particulièrement important dans le domaine de la santé, où chacun doit pouvoir être soigné dans sa langue maternelle. Je vous remercie en tout cas pour votre soutien. Je suis convaincu que nous parviendrons ensemble à trouver une solution.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Collega's, als u de schriftelijke behandeling van uw vragen wenst, dan dient u dat te melden aan de commissiesecretaris, conform de afgesproken procedure.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.11 uur.

La réunion publique de commission est levée à 18 h 11.

 

 

Schriftelijk behandelde mondelinge vragen

Questions orales traitées par écrit

 

Het antwoord werd door de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding bezorgd.

La réponse a été fournie par le vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté.

 

35 Vraag van Jan Bertels aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het Ambutox-ontwenningsprogramma" (56018681C)

35 Question de Jan Bertels à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le programme de sevrage Ambutox" (56018681C)

 

De werking van de ervaringsdragers Verslaving in de ziekenhuizen van de Kempen (cfr. transmuraal zorgpad verslaving in ziekenhuis Geel bv) kent positieve resultaten op het terrein, daarover is iedereen het eens in onze regio. De samenwerking tussen verschillende actoren in de verslavingszorg, zowel vrijwilligers, gezondheids- als welzijnsactoren;

 

Specifiek is er ook een ziekenhuiswerking en een werking voor huisartsen, Ambutox. Een voortzetting van dit project, gelet op zijn resultaten, is onontbeerlijk maar behoeft - natuurlijk - financiering.

 

De minister heeft tijdens een eerder plaatsbezoek zelf de waarde en het nut van de werking/het project kunnen ervaren.

 

Mijn vraag:

- heeft de minister al zicht op een duurzame financiering van deze specifieke zorgverlening? Tegen wanneer desgevallend?

- indien een duurzame financiering nog verdere uitwerking behoeft, is er zicht op een tijdelijke projectfinanciering zodat de goede werking van bv Ambutox niet moet onderbroken worden?

 

Met dank voor uw antwoorden.

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw/meneer de Volksvertegenwoordiger,

 

Ik heb kennisgenomen van het definitieve eindrapport van het Ambutox-project. De gunstige resultaten bevestigen de behoefte aan initiatieven die verschillende terreinactoren betrekken bij de ondersteuning van patiënten met een verslavingsproblematiek. Dat heb ik tijdens mijn werkbezoek ook zelf kunnen vaststellen: ambulante detoxificatie onder begeleiding van de eigen huisarts, ondersteund door een huisarts-expert, een ervaringsdeskundige en een multidisciplinair netwerk, versterkt de eerste lijn en helpt opnames en heropnames vermijden.

 

Het RIZIV financierde het project gedurende zestien maanden. Tijdens het begeleidingscomité werden verschillende mogelijkheden besproken om de voortzetting ervan structureel te verankeren. Financiering via de FOD Volksgezondheid wordt momenteel onderzocht en we streven naar een structurele vorm van financiering voor dit initiatief. De projectfinanciering zal tijdelijk verlengd worden in afwachting hiervan.