Séance plénière

Plenumvergadering

 

du

 

Mercredi 21 avril 2021

 

Après-midi

 

______

 

 

van

 

Woensdag 21 april 2021

 

Namiddag

 

______

 

 


La séance est ouverte à 14 h 20 et présidée par Mme Eliane Tillieux, présidente.

De vergadering wordt geopend om 14.20 uur en voorgezeten door mevrouw Eliane Tillieux, voorzitster.

 

La présidente: La séance est ouverte.

De vergadering is geopend.

 

Une série de communications et de décisions doivent être portées à la connaissance de la Chambre. Elles seront reprises sur le site web de la Chambre et insérées dans le Compte Rendu Intégral de cette séance ou son annexe.

Een reeks mededelingen en besluiten moeten ter kennis gebracht worden van de Kamer. U kan deze terugvinden op de webstek van de Kamer en in het Integraal Verslag van deze vergadering of in de bijlage ervan.

 

Ministre du gouvernement fédéral présente lors de l'ouverture de la séance:

Aanwezig bij de opening van de vergadering is de minister van de federale regering:

Sarah Schlitz.

 

Proposition de résolution

Voorstel van resolutie

 

01 La violence intrafamiliale en particulier à l'égard des femmes et des enfants (1844/1-3)

01 Intrafamilaal geweld, in het bijzonder tegen vrouwen en kinderen (1844/1-3)

 

Cette proposition a été adoptée par le comité d’avis pour l’émancipation sociale en application de l'art. 76 du Règlement.

Dit voorstel is aangenomen door het comité voor de maatschappelijke emancipatie met toepassing van art. 76 van het Reglement.

 

Discussion

Bespreking

 

Conformément à l'article 85, alinéa 4, du Règlement, le texte adopté par la commission sert de base à la discussion.

Overeenkomstig artikel 85, vierde lid, van het Reglement wordt de door de commissie aangenomen tekst als basis voor de bespreking genomen.

 

La discussion est ouverte.

De bespreking is geopend.

 

Mmes Laurence Zanchetta et Sophie Rohonyi, rapporteurs, renvoient au rapport écrit.

 

01.01  Valerie Van Peel (N-VA): Mevrouw de staatssecretaris, ik wil u bedanken voor uw aanwezigheid. Het is spijtig dat dit geen echte plenaire vergadering is, want ik heb het gevoel dat we met de mensen die hier nu zijn de discussie in de commissie al hebben gevoerd. Het zou mooi geweest zijn als de minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken hier ook aanwezig zouden zijn geweest, want u bent niet de enige die met deze problematiek te maken krijgt. U bent wel de belangrijkste, dat geef ik toe, maar uw collega's hebben ook heel wat werk voor de boeg. Deze kleine opzet is dus wel een beetje spijtig.

 

Dit is een belangrijke resolutie en het gevolg van heel wat werk dat we samen hebben gedaan. Ik wil graag beginnen met enkele citaten.

 

"Die eerste keer dat hij mij sloeg en stampte was op straat. Niemand reageerde, dus normaliseerde ik het. Ik begon zijn gedrag in mijn hoofd goed te praten. Daarna zat ik jaren gevangen."

 

"Talloze keren werd ik door mijn man bont en blauw geslagen en verkracht. De tientallen klachten, de PV's werden gewoon op de stapel gelegd en zonder gevolg geklasseerd."

 

"Hij wou dat alles perfect was: het huis, de kuis, het eten, zijn nachtrust, mijn glimlach. Zijn gezin moest hem verafgoden, hem vrolijk stemmen, maar nooit was het helemaal zoals hij het wou. Hoe hard ik ook probeerde, de kleinste aanleiding maakte hem gewelddadig."

 

"Fysiek, psychisch, financieel en seksueel geweld, ik heb het allemaal meegemaakt. Als ik mij maar zo hard mogelijk aanpaste, zou ik de kinderen kunnen beschermen en zouden ze niets merken. Dat dacht ik. Pas na de scheiding besefte ik ten volle hoe die jaren hel ook hen hadden bepaald."

 

"Telkens als zij mij bij de keel had, dacht ik: verdedig jezelf, maar ik wilde haar niet verwonden. Als een man zijn vrouw slaat, staat het in koeien van letters in de krant. Dus stak ik telkens mijn handen weg in mijn broekzakken of achter de rug, want een man die door zijn vrouw mishandeld werd, wie zou dat geloven."

 

"Toen hij zijn pols brak, toen hij keihard op mijn hoofd sloeg, zei ik: sorry."

 

Dat zijn enkele citaten van de vele slachtoffers, te veel, van intrafamiliaal geweld die er vandaag bestaan. Ze geven weer hoe complex de problematiek is.

 

Onder andere Hilde Van Mieghem gaf slachtoffers onlangs nog een broodnodige stem in Als je eens wist, wellicht door ons allemaal bekeken, een reeks die de complexiteit van de problematiek goed weergaf.

 

Neen, de slachtoffers zijn niet altijd vrouwen. Ook al is het voor een op vijf vrouwen wel iets dat ze spijtig genoeg van dichtbij kennen, ook een op zeven mannen krijgt ermee te maken. Ook de kinderen delen vaak in de klappen, zelfs als dat niet rechtstreeks gebeurt, want maar liefst 170.000 kinderen zijn jaarlijks minstens getuige van geweld binnen het gezin.

 

Met sommige daders valt te werken, met andere niet. Goedbedoeld is niet altijd wat goed is, zeker niet in vechtscheidingen.

 

De WHO spreekt niet voor niets over een pandemie en, nogmaals, dat kwam in die serie zeer goed naar boven. Maatschappelijk blijven wij weleens steken in de clichés van de vrouw met het blauwe oog en de man als agressief monster, maar de realiteit is veel genuanceerder. Geweld binnen het gezin wordt zowel door vrouwen als mannen gepleegd en vaak komt het van twee kanten, maar het kind zit er altijd tussenin. Door het gebrek aan degelijk onderzoek, hier en daar ook verouderde wetgeving, door een gebrek aan preventie en de soms gebrekkige opleiding van de politie en de zorgsector wordt partnergeweld onbewust mee in stand gehouden, maar ook buren, familie, vrienden en omstanders sluiten veelal de ogen en houden zich aan de dwingende regel dat men zich beter niet moeit met een huwelijk.

 

Vaak zijn trauma's uit de kindertijd onlosmakelijk verbonden met intrafamiliaal geweld. Niet zelden trouwens zijn criminaliteit, geweld, druggebruik, alcoholmisbruik, ziekteverzuim en suïcide een rechtstreeks gevolg van al die trauma's, waardoor de situatie zich ook dreigt te herhalen. Die intergenerationele spiraal is een vicieuze cirkel die wij echt eens moeten durven doorbreken. De persoonlijke en maatschappelijke schade ten gevolge van intrafamiliaal geweld is namelijk immens groot en de aanpak ervan vergt inspanningen van ons allemaal, als wetgever maar evengoed als medeburger, als vriend, kennis of buur.

 

Een thema als dit is te belangrijk om de partijkleur te laten spelen. De aanpak hiervan overstijgt de beleidsniveaus, maar ook de partijgrenzen en ik ben de collega's uit het adviescomité dan ook dankbaar dat dat gevoel bij iedereen overheerste, met het voorliggende voorstel van resolutie als resultaat. Deze resolutie bereidt, mijns inziens, een totaalaanpak voor, geeft de regering de nodige handvatten om snel aan de slag te gaan en is het gevolg van een uitgebreid debat met tal van experten, zoals het hoort.

 

Die effectieve aanpak is dan ook broodnodig, vandaag misschien zelfs meer dan ooit. Corona heeft heel wat problematieken op scherp gesteld en dit is er bij uitstek een van. De meeste genomen maatregelen inzake corona waren misschien wel nodig, al waren zij volgens mij niet altijd even onderbouwd, maar er is te weinig gekeken naar de neveneffecten ervan. Gezondheid is nochtans veel meer dan alleen een virus bestrijden. Corona zorgde voor stress, verveling, onzekerheid, wegvallende inkomsten, sluitende cafés, sociaal isolement en voor een explosieve toename van huiselijk geweld. Dat wisten wij vanaf het begin, maar er is amper rekening mee gehouden.

 

Tijdens de eerste lockdown van de coronacrisis nam het intrafamiliaal geweld met 50 % toe ten opzichte van het jaar voordien. Hulpverlenings­organisaties trokken een jaar geleden al aan de alarmbel en blijven dat tot op vandaag doen. Het is dan ook heel frappant dat onlangs uit de politiestatistieken van de eerste lockdown is gebleken dat daar niets van terug te vinden is. Integendeel, volgens die statistieken zou het intrafamiliaal geweld zelfs licht zijn afgenomen tijdens de eerste lockdown, wat helemaal niet het geval is. Dat weten we, maar dat betekent dat de drempel voor slachtoffers om naar de politie te stappen en klacht neer te leggen bijzonder hoog is. Dat is trouwens altijd zo, maar in deze coronatijden ligt de drempel nog hoger.

 

Dat de regering pas na een jaar gehoor gaf aan de vraag om de politie, zeker in deze periode, proactief binnen te laten gaan bij die gezinnen waarvan we weten dat er geweld is, is een spijtige zaak. Maar goed, het is nu beslist en ik wil positief vooruitkijken. Intrafamiliaal geweld is niet begonnen met corona en het zal er ook niet mee eindigen, dus wij moeten er nu echt alles aan doen om die drempels voor eens en voor altijd weg te werken. Never waste a good crisis was een van de vele goede uitspraken van Churchill. Dit is er één, dus laat ons die crisis voor wat hier vandaag voorligt goed benutten.

 

Een belangrijk verschil met eerdere resoluties inzake intrafamiliaal geweld die in dit Parlement werden goedgekeurd is volgens mij het partijoverschrijdende, de totaalaanpak, maar ook het feit dat er nu voor het eerst extra aandacht wordt geschonken aan het kind als direct of indirect slachtoffer in het verhaal. Een kind is immers altijd een slachtoffer in een huis waar er geweld is.

 

Het was even vechten in de commissie om deze resolutie niet alleen over de vrouwen te laten gaan en ik ben de collega's dan ook dankbaar dat van dat genderfetisj is afgestapt, want dat verdraagt deze problematiek ook niet. Daarvoor is zij veel te complex. Wij mogen niet vergeten dat het taboe voor mannen die het slachtoffer zijn soms nog vele malen groter is.

 

Sta mij toe even in te zoomen op een paar punten uit de resolutie, zonder allesomvattend te willen zijn, wat deze resolutie gelukkig wel is.

 

Een eerste punt betreft de kindreflex die wij willen uitbreiden naar politie en Justitie en in de gespecialiseerde en multidisciplinaire opleidingen willen meenemen. Dat is een belangrijk punt. Wij moeten die focus blijven leggen. Ook in Vlaanderen gebeurt dat meer en meer. Dat moet in elk van deze zaken de eerste vraag zijn die wordt gesteld, namelijk of er kinderen in de problematiek betrokken zijn en, indien ja, hoe wij hen dan minstens meteen buiten schot houden.

 

Een tweede punt is snelrecht toepassen bij intrafamiliaal geweld opdat klachten snel en doeltreffend worden behandeld door politie en gerecht wanneer er bewijs voorhanden is. Ook dat is belangrijk want u hoorde in de citaten hoe vaak slachtoffers het gevoel hebben dat PV's gewoon op een stapel terechtkomen. De uithuiszetting van de dader is hierbij een belangrijk aandachtspunt. Vandaag kan dat wettelijk, maar het wordt in veel gebieden nog veel te weinig ingezet.

 

We moeten het hoge aantal seponeringen onderzoeken met als doel dat terug te dringen. Verder moeten we werk maken van een voldoende groot aanbod voor dadertherapie en daadwerkelijke daderbegeleiding om recidive te voorkomen. Ook dat is immers belangrijk. Het is misschien minder populair om dat te zeggen maar het ook dat is zeker belangrijk. Voorkomen betekent immers dat men moet werken met daders, ten minste met diegene die daarvoor openstaan. Op dat laatste wil ik de nadruk leggen want er zijn daders die hiervoor openstaan terwijl het bij andere nooit zal werken. Ook dat moeten we onder ogen durven zien want daarop moet gepast gereageerd kunnen worden.

 

Een wetenschappelijk gevalideerd risicotaxatie-instrument uitrollen is eveneens van belang. Dat kan immers preventief werken in plaats van de schade pas achteraf te gaan opmeten, zoals dat vandaag al te vaak gebeurt. Ook een betere informatiedeling kan preventief werken. Hierbij moet ervoor gezorgd worden dat wanneer er bij het parket een onderzoek wordt gevoerd naar feiten van intrafamiliaal geweld, het parket ook kennis heeft van eventuele hangende dossiers en voorgaande dossiers behandeld door de jeugd- en familierechtbank. Deze informatie moet proactief bij de juiste instanties terechtkomen.

 

In de resolutie staat ook dat we ernaar zullen streven om altijd gebruik te maken van het gedeeld beroepsgeheim indien kinderen het slachtoffer zijn van intrafamiliaal geweld. Ik zal het niet onder stoelen of banken steken dat dit voor mij nog een stap verder zou mogen gaan. Aangezien het kind geen stem heeft op jonge leeftijd en geen eigen keuzes kan maken, blijf ik erbij dat zwijgen geen optie meer mag zijn als er acuut gevaar is voor geweld of misbruik. Politiediensten proactief en aanklampend laten binnengaan bij families die gekend zijn voor intrafamiliaal geweld is een punt dat ik zonet al heb aangehaald. Gelukkig heeft de regering dit sinds december in werking laten treden. Ik hoop dat de evaluatie zal aantonen dat de hoge drempel die door corona is ontstaan hierdoor verlaagd is. Dat blijft immers een zeer belangrijk punt.

 

Een volgend punt is de aanpak om de impact van ernstig verslaafde ouders en toekomstige ouders op hun kinderen te verminderen. Dat zinnetje is in het regeerakkoord geraakt en bij mijn weten was het niet simpel om dat erin te krijgen. Het is echter iets waar ik al heel lang mee bezig ben, een taboe dat echt moet sneuvelen.

 

Het is geen geheim dat onze partij al uitgewerkte voorstellen heeft om bij verslaafde zwangere moeders die alle hulp blijven weigeren, ook als die met aandrang aangeboden wordt, over te kunnen gaan tot een gedwongen opname om af te kicken tijdens de zwangerschap. Zo kunnen we vermijden dat een kind als drugbaby ter wereld komt, met alle gevolgen die daaraan verbonden zijn.

 

Nogmaals, al deze zaken gaan over het voorkomen. Het is zo belangrijk dat we blijven inzien dat de cijfers waar we vandaag mee rond de oren worden geslagen, eigenlijk bijna geen beleid meer mogelijk maken. Dit zal altijd tot wachtlijsten blijven leiden, als we niet eerder ingrijpen en voorkomen dat mensen met onherstelbare schade blijven zitten. Het spijt me, maar als het over kinderen gaat, blijft dit een gevoelig punt voor mij.

 

Dit waren enkele belangrijke punten. We zijn het er unaniem over eens geraakt dat de zaken die ik heb opgesomd, maar ook andere, nodig en urgent zijn. Het komt er dus op neer, mevrouw de staatssecretaris en uw jammer genoeg afwezige collega, om hier ook effectief mee aan de slag te gaan. De aanbevelingen zijn zuiver en onderbouwd door experten. Ik hoop dat hier zo snel mogelijk concrete maatregelen van de regering uit voortkomen.

 

In onze fractie kan u altijd een partner vinden voor dit thema. Nogmaals, hier past geen oppositie of meerderheidsverhaal. Dus, nu zonder omwegen aan de slag! Wat hier vandaag voorligt, is een onderbouwde leidraad voor de aanpak van intrafamiliaal geweld over de beleids­bevoegdheden heen. Het is een aanpak die mensen kan redden, een aanpak die kinderen kan redden, een aanpak die er simpelweg al had moeten zijn, maar er zeker morgen moet komen.

 

01.02  Séverine de Laveleye (Ecolo-Groen): Madame la présidente, madame la secrétaire d'État, le foyer reste l'endroit le plus dangereux pour les femmes. Plus de 50 % des femmes qui meurent assassinées le sont par un conjoint ou un ex-conjoint violents.

 

Ce constat est fait par les Nations Unies mais il est surtout fait par les très nombreuses femmes chez nous en Belgique et partout sur la planète. Nous sommes aujourd'hui réunis pour parler de violences domestiques dans une semaine particulièrement pénible. En moins d'une semaine en Belgique, deux femmes sont mortes assassinées par leur conjoint. Les violences domestiques sont là dans un foyer sur trois minimum, prenant des formes différentes pour mener, dans des cas extrêmes, jusqu'au décès des victimes. 

 

Il était donc important que notre comité d'avis choisisse de se pencher sur cette forme de violence spécifique qu'est la violence domestique et je voudrais saluer ce choix.

 

Je viens de dire que le foyer reste l'endroit le plus dangereux pour les femmes mais la violence conjugale ne touche-t-elle que les femmes? Non, bien sûr. Les violences domestiques ne touchent pas que les femmes mais elles les touchent de façon disproportionnée. Ne pas reconnaître ce fait nous fait passer à côté de l'enjeu et ne nous permettra pas de répondre aux multiples urgences que ces violences font peser aux victimes. Les femmes subissent de très nombreux types de violences, il faut le rappeler encore et encore. Les violences à l'égard des femmes et des filles constituent l'une des violences des droits humains les plus répandues, les plus persistantes et les plus dévastatrices dans le monde. Les violences domestiques en sont une des facettes, probablement la plus cachée, la plus tue, celle vécue de la façon la plus intime. Les violences domestiques doivent être considérées pour ce qu'elle sont: des violences basées sur le genre, c'est-à-dire faites à l'égard des femmes parce qu'elles sont des femmes et affectant les femmes de manière disproportionnée.

 

Effectivement, les femmes subissent ces violences domestiques de façon disproportionnée. Et ce n'est pas un accident ou un hasard. Les violences faites aux femmes en général ont un lien structurel avec une organisation historique de la société fondée sur la domination et la discrimination des femmes par les hommes. Les violences dans la sphère intime sont la manifestation des relations de pouvoir inégales entre les femmes et les hommes.

 

Si les femmes subissent les violences domestiques de façon disproportionnée, elles n'en sont pas les seules victimes. Un autre public est aussi extrêmement vulnérable: les enfants. Les enfants sont les victimes directes ou indirectes des violences domestiques. Ils subissent aussi les coups, les violences sexuelles et autres atteintes à leur intégrité physique. Les enfants sont donc parfois, et beaucoup trop souvent, les victimes directes de violences domestiques.

 

Mais ils sont aussi, et beaucoup, les victimes indirectes. Chaque fois qu'ils voient leur parent - et essentiellement leur maman - se faire insulter, diminuer, humilier, c'est cela qu'ils emportent avec eux sur toute leur trajectoire de vie. Nous savons que, quand on a vécu des violences comme témoin, on aura tendance à les porter et parfois à les reproduire tout au long de sa vie.

 

De quoi parlons-nous quand nous parlons de violences domestiques? Nous parlons bien sûr de violences physiques. Les violences sont la forme la plus définitive, parfois jusqu'à l'assassinat ou au féminicide. Les féminicides sont, on le sait, parfois accompagnés d'infanticides.

 

Rien que cette semaine, je l'ai dit, il y a eu deux nouveaux féminicides en Belgique, ce qui fait monter le chiffre à 11 depuis le début de 2021. À ce rythme, nous arriverons à plus de 40 femmes assassinées par leur conjoint avant la fin de l'année. Mais il y a aussi 6 infanticides à déplorer, directement en lien avec les féminicides.

 

Mais bien sûr, les violences domestiques ne se limitent pas aux violences physiques. Il s'agit aussi de violences psychologiques et/ou verbales. C'est la forme la plus répandue et la plus difficile à identifier de violences dans un couple. Ce sont les mots blessants, le climat d'insécurité et de contrôle, les humiliations quotidiennes. Ces violences se font soit en direct, soit à distance. Parce que maintenant, grâce à nos petits téléphones portables, on n'a jamais la paix. Même quand on pense pouvoir sortir, aller trouver refuge ailleurs, le contrôle psychologique continue.

 

Il y a aussi la violence sexuelle, avec notamment les viols conjugaux, que les féministes ont eu tellement de mal à faire reconnaître.

 

Enfin, il s'agit de la violence économique: le contrôle par le conjoint des ressources de la famille, qui laisse la femme sans ressources propres et donc sans ressources pour pouvoir sortir du cercle infernal de la violence.

 

Peu importe leur forme, les enjeux de pouvoir et de contrôle se trouvent au centre des violences conjugales, ce qui explique que dans certains cas, quand les femmes cherchent à échapper à la domination et au contrôle, ces violences peuvent mener à l'assassinat.

 

Les violences domestiques ne datent pas d'hier. Les violences faites aux femmes, en ce compris les violences domestiques, existent partout et ont probablement existé en tout lieu et de tout temps. Il est assez récent que les institutions s'en préoccupent.

 

Ce sont les combats féministes qui ont mis les violences domestiques à l'ordre du jour politique. Le privé est politique, disent les féministes depuis les années 60. Petit à petit, elles se sont fait entendre. Grâce à elles, les choses ont évolué. Des cadres internationaux importants ont pu aboutir pour lutter contre les discriminations et les violences contre les femmes. Une étape clé a évidemment été la Convention d'Istanbul sur la prévention des violences faites aux femmes et de la violence domestique.

 

Notre travail parlementaire s'inscrit donc dans un mouvement de prise de conscience de plus en plus large de ce fléau. Le travail de notre comité d'avis s'est fait dans un contexte très particulier, celui de la crise covid, mais pas uniquement. Les auditions ont commencé avant celle-ci et soulignaient déjà une forme de recul. Plusieurs experts auditionnés ont souligné le recul de la protection du droit des femmes à l'échelle mondiale et en Europe. Le nombre de dirigeants de pays européens qui se permettent de remettre en cause les droits des femmes doit nous alerter. On sait que la dernière décision de la Turquie de sortir de la Convention d'Istanbul en est un très mauvais signal. Le contexte de nos travaux était déjà particulier avant la crise covid. Ensuite, la crise sanitaire est arrivée et on sait qu'elle a fait exploser la violence faite aux femmes et reculer les enjeux d'égalité.

 

Les données et les rapports montrent que tous les types de violence contre les femmes et les filles et les violences domestiques en particulier se sont accrues. Rien qu'à Bruxelles, en avril 2020, les appels au numéro d'urgence ont triplé et les demandes d'hébergement ont grimpé de 250 %. Ce recul drastique des droits en ces périodes covid fait tristement écho à une phrase célèbre de Simone de Beauvoir qui nous disait déjà dans les années 60: "N'oubliez jamais qu'il suffira d'une crise économique, politique ou religieuse pour que les droits des femmes soient remis en question. Ces droits ne sont jamais acquis." On ne peut aujourd'hui que le constater.

 

Si les violences domestiques sur les femmes ont explosé, c'est aussi le cas sur les enfants. Tous les acteurs de l'enfance de terrain ont constaté et ont alerté d'une augmentation de la maltraitance faite aux enfants en cette période de crise, en plus de toutes les autres atteintes à leurs droits fondamentaux. Le contexte de nos travaux est donc très particulier. Il faut dès lors souligner l'importance de ce processus. Le Parlement dans son ensemble met les violences domestiques à l'agenda politique et toutes les familles politiques ont pu débattre et se mettre d'accord sur plusieurs axes.

 

Je ne les reprendrai pas toutes ici, mais je rappellerai que nous avons eu des auditions très intéressantes qui ont lancé les travaux dès le mois de janvier. Mais nous avons aussi eu le premier rapport du GREVIO sorti en 2020 et qui a nourri notre travail parlementaire. Les auditions et le GREVIO soulignent des défis et des enjeux à chaque étape du vécu et de la prise en charge des violences domestiques.

 

J'en accentuerai quelques-unes. Tout d'abord, le manque de données et une relative invisibilité des violences basées sur le genre, ce qui est notamment dû à une très large sous-représen­tation des violences d'abord mais aussi une absence de statistiques ventilées spécifiquement par sexe, tant de la part de la police que par les parquets.

 

Un autre élément clé, mis en avant par les experts et les expertes, est la nécessité de mieux prendre en compte les violences directes et indirectes faites aux enfants. On doit avoir ce réflexe. Chaque fois qu'on est confronté à une violence domestique, on doit se demander où sont les enfants.

 

L'enjeu du suivi des plaintes a aussi été systématiquement mis en avant. En effet, plus de la moitié des affaires sont aujourd'hui classées sans suite. C'est un signal insupportable pour les femmes. Quand certaines ont eu le courage d'aller jusqu'à porter plainte, cela n'aboutit pas. Quel message donne-t-on aux autres femmes? Pourquoi leur dire: "Ayez ce courage! Sortez, exposez-vous, prenez des risques pour vous-même et pour vos enfants!" si, de toute façon, la justice n'est pas rendue?

 

Un autre enjeu, évidemment, est le manque de moyens pour la prise en charge des femmes et des enfants victimes de violences. La loi sur l'interdiction temporaire de résidence est très peu appliquée. Les refuges sont chers et remplis. La société civile n'est pas suffisamment soutenue en la matière malgré son rôle crucial dans ce domaine; cela a été fort mis en avant lors des auditions. Nous devons encore les saluer aujourd'hui pour le travail de terrain qu'ils font depuis des dizaines d'années, dans la prise en charge des femmes et des enfants dans des situations parfois intenables.

 

Un enjeu transversal a aussi été souligné. Il s'agit de la complexité institutionnelle de notre cher et beau pays, et de l'importance d'avoir un organe de coordination fort et bien identifié. Il s'agit donc de soutenir de façon adéquate notre Institut pour l'égalité entre les femmes et les hommes dans son rôle de coordination, de suivi et de soutien aux politiques. Cet institut fait un travail énorme pour nous documenter, nous et nos gouverne­ments. Il doit être soutenu à la hauteur de ses missions.

 

Une dimension qui mériterait d'être encore davantage approfondie est l'approche portant sur les auteurs de violences. Il est évident que nos moyens et notre attention doivent être orientés vers les victimes, mais derrière chaque victime, il y a un bourreau, et à un moment, il va falloir aussi se préoccuper de la communication envers ces bourreaux. Comment accompagner ces bourreaux, non pas pour leur rendre la vie plus facile, mais pour s'assurer que ceux-ci mettent fin à leur comportement toxique?

 

Une dernière dimension mise à jour par les auditions et par le GREVIO et sur laquelle je voudrais insister parce qu'elle nous interpelle tout particulièrement comme écologistes est le manque de vision intersectionnelle de nos pro­cessus de lutte contre les violences domestiques. Or, on le sait, toutes les femmes, et c'est aussi vrai pour les enfants, ne sont pas égales face aux violences. Certaines sont plus invisibilisées que d'autres et ont plus de difficultés pour le recours à leurs droits. Les auditions l'ont mis en avant, nos politiques sont trop basées sur l'image de la femme blanche, hétérosexuelle et non handicapée et prêtent dès lors trop peu attention aux femmes âgées, handicapées, transsexuelles, lesbiennes, bisexuelles ou migrantes. On le sait pourtant. Comment une femme invisibilisée ou qui n'a simplement pas de reconnaissance va-t-elle faire pour aller chercher de l'aide? C'est possible mais elle ne va pas se sentir légitime de le faire. Elles sont donc particulièrement exposées.

 

Ce sont toutes ces préoccupations, et d'autres qui seront sûrement mises en exergue par d'autres collègues cet après-midi, que nous avons décidé collectivement de transcrire dans une résolution qui est maintenant adressée au gouvernement. Cette résolution est riche et nous nous réjouissons de la voir aboutir aujourd'hui.

 

Pour conclure, je voudrais redire qu'au-delà du contenu de cette résolution qui touche les différents aspects de la problématique, le fait même de mettre les violences domestiques à l'agenda politique de cette façon est à saluer. Je pense que tous les experts et toutes les expertes que nous avons entendus ont salué le fait que les violences domestiques constituent désormais vraiment un intérêt politique en tant que tel. Cela ne signifie pas que le Parlement ne s'est pas préoccupé de ce thème avant, mais le fait de se réunir tous ensemble dans un comité d'avis et de faire aboutir des recommandations est à saluer.

 

Je reviens à ce que Simone de Beauvoir nous disait déjà dans les années 60: "Restez vigilantes!" On devra toujours rester vigilant et c'est ce que nous avons fait. Nous sommes restées vigilantes et vigilants avec nos collègues masculins qui portent bien sûr cette préoccupation avec nous. Je voudrais aussi saluer le travail de Mme Jiroflée qui a dû orchestrer cette vigilance qui est parfois partie dans tous les sens. On a voulu être exhaustif. Ce fut donc un travail conséquent de la part de notre présidente.

 

Je terminerai enfin en saluant la présence parmi nous de la secrétaire d'État à l'Égalité des genres, comme l'a fait la collègue précédente. Évidemment, ce n'est pas une surprise. Vous étiez la députée Ecolo-Groen avec Mme Soors qui a participé, avec les autres groupes, au lancement de ce processus mais il est important de vous avoir aujourd'hui avec nous. Votre gouvernement avait annoncé dans son accord de majorité que la lutte contre les violences faites aux femmes en général et les violences domestiques seraient une priorité. Vous l'avez déjà transcrit dans votre notre de politique générale.

 

Il est vraiment important aujourd'hui que le gouvernement soit entendu. La situation est de plus en plus critique et il va falloir la prendre très au sérieux. Vous avez déjà travaillé à un plan de lutte contre les violences en période covid et on sait que vous allez aboutir à nouveau plan national de lutte contre les violences faites aux femmes et les violences domestiques.

 

Il est important que notre résolution aboutisse aujourd'hui parce qu'on s'attend à ce que chacune de nos recommandations apparaisse dans votre plan. J'espère que vous pourrez venir le présenter en commission.

 

Chers collègues, le travail ne s'arrête pas avec cette résolution. Il ne fait que commencer et ne sera jamais terminé. J'espère que nous pourrons rester unis dans la lutte contre les violences faites aux femmes en général et les violences intrafamiliales en particulier. Je vous remercie.

 

01.03  Laurence Zanchetta (PS): Madame la présidente, madame la secrétaire d'État, chers collègues, en parler encore et toujours, prendre des mesures encore et toujours, parce que les violences intrafamiliales sont un fléau contre lequel il faut continuer à lutter et qu'il faut mettre en lumière sans cesse à travers l'éducation, la prévention et la sensibilisation, mais également à travers des actions pour accompagner et protéger les victimes, des actions pour combattre l'impunité des faits commis, et des actions pour permettre un suivi adéquat des auteurs de violence et ainsi éviter la récidive.

 

C'est pourquoi notre groupe dès le début de la législature, comme d'autres d'ailleurs, a fait de cette problématique sa priorité au sein du comité d'émancipation sociale. Nous avons donc pris le temps nécessaire pour entendre le terrain dans toutes ses dimensions, grâce à une série d'auditions menées l'année dernière. Ces auditions ont mis en avant les lignes de force de notre politique de lutte contre les violences intrafamiliales, mais surtout ses faiblesses et la nécessité de pallier celles-ci efficacement et rapidement avec une série de propositions intéressantes, que nous avons essayé de transposer dans le texte qui est aujourd'hui sur nos bancs.

 

Nous connaissons toutes et tous les chiffres des violences intrafamiliales. Pourtant, à chaque fois que nous les prononçons, ils font froid dans le dos. Mais, là aussi, les répéter encore et encore permet de mettre en lumière l'ampleur de la problématique que l'actualité nous rappelle au quotidien. Dans notre pays, ce sont environ 45 000 plaintes pour des faits de violence conjugale qui sont introduites chaque année. Et ce chiffre ne représenterait qu'un tiers des faits commis en raison de ce fameux dark number que nous devons également tenter de résorber.

 

Alors qu'une politique de tolérance zéro en matière de violences conjugales est censée être appliquée depuis plusieurs années maintenant, 70 % des dossiers ouverts par la justice restent, aujourd'hui encore, classés sans suite, comme cela a été mentionné lors des auditions. Ces violences se manifestent sous différentes formes. Elles ne sont pas uniquement physiques, elles sont visibles - comme les violences physiques - ou non: des remontrances au contrôle des déplacements de la victime, facilité par les appareils utilisés au quotidien, des violences psychologiques aux coups directement portés sur le corps, avec des conséquences dans tous les cas dramatiques et parfois mortelles, comme l'actualité nous le rappelle. Le féminicide a ainsi pris sa place dans notre vocabulaire: 24 féminicides ont été relatés dans la presse en 2019, et on en recense déjà 11 pour 2021.

 

Et cela sans compter tous les autres perpétrés dans un silence assourdissant, avec les confinements successifs qui ont été imposés lors de cette crise du covid-19 à des femmes mais également à certains hommes, il est toujours bon de le rappeler, même si cela ne plaît pas toujours. Tous les acteurs terrain l'assurent, ces violences ont été exacerbées. Les lignes d'écoute ont été prises d'assaut.

 

Cette cohabitation contrainte s'est apparentée dans certains cas à une véritable séquestration sans fuite possible pour les victimes. On ose en effet imaginer l'enfer vécu par ces milliers de femmes confinées avec ceux qui les maltraitent, qui les brutalisent, qui les traumatisent au quotidien. Dans quatre cas sur dix, il y avait des enfants victimes eux aussi de violences ou spectateurs de ces violences avec les con­séquences traumatisantes que l'on peut imaginer.

 

Diverses mesures ont d'ailleurs été prises ces derniers mois. Je pense par exemple à la task force mise en place par la Wallonie, la Fédération Wallonie-Bruxelles, la Région bruxelloise et la COCOF pour s'assurer notamment que les victimes puissent s'éloigner de leur domicile en disposant de places d'accueil et d'hébergement d'urgence en suffisance.

 

Je pense également à la résolution que j'ai portée au nom de mon groupe et qui a permis de faire des pharmacies, des points de relais pour les victimes de violences. Elles peuvent ainsi obtenir un accompagnement, des informations spéci­fiques, comme les numéros d'appel des lignes d'assistance ou encore qui peuvent être orientées vers des structures d'aide compétentes, voire vers la police.

 

Je pense enfin au Plan d’action fédéral de lutte contre les violences de genre et intrafamiliales à la suite de la deuxième vague covid-19, approuvé en novembre dernier, impliquant tous les niveaux de pouvoir et les associations de terrain, avec notamment un renforcement de la ligne de chat pour les victimes, mais aussi la création d'un chat pour les auteurs, une communication pour sensibiliser la population et des directives demandant une attitude proactive de la police et de la justice.

 

Avant d'en venir au cœur du texte dont nous débattons aujourd'hui, je voudrais adresser mes remerciements à Mme Jiroflée, mais également au secrétaire de notre commission pour le travail important qui a été mené, pour l'écoute et les échanges que nous avons pu avoir tout au long des ces derniers mois.

 

Le fait de consacrer une séance plénière spécifique aujourd'hui à la discussion de ce texte, à cette problématique d'envergure que sont les violences intrafamiliales, est également un signal très fort. Ce texte et les demandes qui y sont formulées visent en fait un objectif: faire de la lutte contre la violence intrafamiliale une priorité pour ce gouvernement.

 

Pour ce faire, il sera indispensable dans la politique qui sera menée de s'attaquer à tous les types de violence intrafamiliale - physique, psychologique, économique -, mais également les violences en ligne, qui existent de plus en plus.

 

Cette politique devra être intégrée et multidisciplinaire, associant tous les niveaux de pouvoir et les associations de terrain. Elle devra permettre d'assurer une protection identique à toutes les victimes, comme l'évoquait ma collègue, y compris aux enfants - les fameux spectateurs. Il sera indispensable d'accorder une attention particulière aux publics vulnérables en reconnaissant le caractère intersectionnel de ces violences, et cela en droite ligne de la définition qui figure dans la Convention d'Istanbul, convention qui est le premier instrument juridiquement contraignant au niveau européen dans la lutte contre la violence à l'égard des femmes et la violence domestique. C'est précisément dans ce cadre que s'inscrit notre texte aujourd'hui.

 

Par ailleurs, parmi les nombreux éléments soulevés lors de nos auditions, il apparaît aujourd'hui encore que certains services de police - je dis bien certains - continuent à ne pas donner aux victimes l'accueil dont elles ont besoin et que, trop souvent, les parquets ne disposent pas de suffisamment de moyens pour poursuivre ce type d'infraction. Dans de trop nombreux cas, il persiste une méconnaissance des risques de récidive chez ceux qui ont porté les coups.

 

Se trouvent donc également au cœur de ce texte l'amélioration de l'enregistrement des plaintes et leur suivi rapide, le renforcement indispensable des synergies et des collaborations entre la justice, la police, les hôpitaux, les institutions et surtout les acteurs de terrain, en particulier en matière de violence à l'égard des enfants; mais également la poursuite des formations de l'ensemble des secteurs en contact avec les victimes et aussi avec les auteurs et cela dans un cadre multidisciplinaire, ce qui a déjà été dit à maintes reprises, tel que réclamé lors des auditions. Autant d'éléments indispensables pour améliorer la prévention des situations à risque, la prise en charge et l'accompagnement des victimes.

 

Un autre point important que nous aimerions voir figurer dans ce texte est le fait de pouvoir examiner et évaluer les projets en matière de protection des victimes. On pense à la loi relative à l'éloignement du domicile, à l'alarme anti-harcèlement ou encore, en termes d'accom­pagnement multidisciplinaire, aux Family Justice Centers, des projets qu'il faudra le cas échéant développer et renforcer en tenant compte des réalités particulières, des provinces et des Régions.

 

Il est pour nous également important que l'on puisse garantir que le recours à la médiation pénale ne soit pas systématique et, en tout cas, se fasse dans l'intérêt et les droits des victimes, et ce, en raison de cette fameuse relation systématique de domination qui existe entre l'auteur et la victime, la victime n'ayant pas forcément l'envie de se retrouver côte à côte avec son bourreau, dans une même pièce. Tout comme il est essentiel que le partage du secret professionnel se fasse si possible avec l'accord de la victime et à tout le moins dans l'intérêt des parties.

 

Enfin, il est une évidence que dans les politiques à mettre en œuvre, l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes doit être considéré comme le partenaire du gouvernement et que les moyens nécessaires doivent pouvoir lui être alloués pour mener à bien ses missions en matière de recherche, de collecte de données - on sait combien c'est important - et de formation.

 

Les associations de terrain et les services spécialisés qui sont aux prises avec cette réalité si complexe des violences intrafamiliales doivent continuer à être reconnues et soutenues pour que nous puissions continuer à bénéficier de leur expertise, qu'elles nous ont d'ailleurs démontrée lors de nos nombreuses auditions; et plus encore, c'est une expertise dont il faudra tenir compte dans les politiques qui sont menées.

 

Prochainement, Mme la secrétaire d'État en charge de l'Égalité des chances devra établir, avec ses autres collègues du gouvernement, les lignes directrices d'un nouveau plan, un plan d'action national de lutte contre toutes les formes de violences basées sur le genre. Nous l'attendons avec impatience, et nous espérons évidemment que les recommandations, les demandes importantes formulées aujourd'hui pourront être entendues et prises en considération lors de l'élaboration de ce plan.

 

Enfin, pour mon groupe, il importe plus que jamais de prendre la pleine mesure de la gravité des atteintes aux droits, à la vie, à la santé, à la sécurité et à la dignité des femmes que représentent ces violences; et que ce gouvernement fasse tout simplement de la lutte contre la violence conjugale, qu'absolument rien ne peut justifier, une véritable priorité.

 

01.04  Nathalie Dewulf (VB): Mevrouw de voorzitster, collega's, dit kan een belangrijke dag zijn om eindelijk meer concrete initiatieven te nemen in een poging om intrafamiliaal geweld een halt toe te roepen, of minstens om dit op een ernstige wijze aan te pakken. Familiaal geweld is in veel gezinnen helaas een harde realiteit. Het komt voor in alle lagen van de bevolking en binnen alle culturen. Arm of rijk, jong of oud, hoog- of laagopgeleid, het is de omvangrijkste vorm van geweld in onze samenleving.

 

De statistieken inzake intrafamiliaal geweld zijn hallucinant. De cijfers die we gekregen hebben tijdens de uitvoerige bespreking van deze resolutie tonen duidelijk aan dat de problematiek dringend op een ernstige en volwaardige wijze dient te worden aangepakt, zeker wanneer we weten dat er achter die hoge cijfers veel menselijk en vooral kinderleed schuilgaat. Heel wat vrouwen en mannen krijgen binnen het gezin te maken met geweld, onder verschillende vormen. Het zijn stuk voor stuk traumatische ervaringen met vaak verstrekkende lichamelijke en psychologische gevolgen. Deze negatieve gevolgen dragen ze mogelijk heel hun leven met zich mee.

 

Hoewel het slachtoffer er dikwijls niet over durft te spreken, is het van groot belang om zo snel mogelijk de juiste hulp te kunnen krijgen. Het is een trieste problematiek voor de betrokken partners, maar in het bijzonder voor de kinderen.  Dit is voor hen een ernstige, bijzonder negatieve levenservaring die ze vaak hun leven lang meedragen. Wat ook pijn doet, is dat kinderen die geconfronteerd worden met intrafamiliaal geweld vaak in de steek worden gelaten. Met deze resolutie zullen kinderen hopelijk beter beschermd worden. Dat is echt wel nodig want zij zijn het kwetsbaarst en kunnen zich niet voldoende verdedigen.

 

Lange tijd werd er veel te weinig aandacht besteed aan deze problematiek door Justitie en politie, maar dankzij verschillende nationale en internationale studies krijgt intrafamiliaal geweld in al zijn aspecten gelukkig veel meer beleids­aandacht, zowel nationaal als internationaal. Ik verwijs naar de Raad van Europa, het verdrag van Istanbul, het verdrag van Lissabon, het programma van Stockholm, resoluties van het Europees Parlement enzovoort. De hardnekkige taboesfeer rond dit fenomeen neemt gelukkig sterk af.

 

Ook het Parlement wil hier vandaag eindelijk bijzondere aandacht aan besteden. Hier ligt  een resolutie voor die het resultaat is van een goede samenwerking in de raadscommissie Eman­cipatie, waar we met alle partijen op een constructieve wijze hebben samengewerkt en eensgezind tot resultaat zijn gekomen. Onze fractie kan dit alleen maar toejuichen.

 

Intrafamiliaal geweld is een ernstig en vaak onderschat probleem in onze samenleving, een probleem dat vele dimensies heeft. Ik zeg duidelijk dat het een ernstig en onderschat probleem is dat met deze resolutie eindelijk prioriteit zal krijgen.

 

Dat zal althans zo zijn op voorwaarde dat de verantwoordelijke beleidsmakers deze resolutie ernstig nemen en er ook absolute voorrang aan willen en zullen geven, elkeen binnen zijn beleidsdomein.

 

Vandaag is dit helaas niet altijd het geval. Intrafamiliaal geweld was voor de coronacrisis reeds een aanzienlijk probleem, maar door de lockdown en het thuiswerk tijdens deze coronacrisis is het probleem nog toegenomen. Door de coronacrisis is er een gebrek aan dagelijkse structuur en komen veel gezinnen in een sociaal isolement. Dat kan in combinatie met stress en angst tot meer spanningen leiden in gezinnen, en helaas ook tot geweld.

 

Het aantal meldingen is inderdaad aanzienlijk gestegen. Tijdens de eerste lockdown bijvoorbeeld is bij de hulplijn 1712 het aantal oproepen met de helft toegenomen in vergelijking met het jaar voordien. Dit staat helaas in schril contrast met de politiecijfers, die gedaald zijn tijdens deze periode. Het klinkt onlogisch, maar ik kan dit begrijpen. Mensen durfden gewoonweg geen aangifte te doen. De reden is duidelijk. Ze moesten noodgedwongen in hun kot blijven met de schuldige partner. Er was geen ontsnappen aan. Ze durfden gewoonweg geen aangifte te doen.

 

En wat deden de beleidsmakers? Pas in december werd er beslist dat de politie actiever moest ingrijpen, door bijvoorbeeld eens langs te gaan bij gezinnen die gekend waren bij politie en gerecht en waarvan men wist dat er in het verleden een dossier van intrafamiliaal geweld hangende was. Waarom werd er zo lang gewacht met deze beslissing? Een antwoord op deze vraag werd nooit gegeven.

 

En waarom bleef het contact van de politie bij gezinnen waarvan men weet dat er in het verleden iemand slachtoffer was van intrafamiliaal geweld, beperkt tot alleen een telefonisch contact? Waarom ging de politie niet meer ter plaatse om eens poolshoogte te nemen? Aangezien iedereen verplicht in zijn kot moest blijven, was de kans immers groot dat de dader in dezelfde kamer zat als het slachtoffer. Dan spreekt het voor zich het slachtoffer dan niet durft te spreken.

 

Ook Justitie heeft gefaald, bijvoorbeeld door niet voldoende aandacht te besteden aan verplichte uithuiszettingen van daders, bijvoorbeeld door niet automatisch snelrecht toe te passen in dossiers met intrafamiliaal geweld. Vaak moeten slachtoffers lange tijd wachten voor hun dossier behandeld wordt voor de rechtbank. Dit is voor dit soort dossiers echt onaanvaardbaar. Hier zou snelrecht de boodschap moeten zijn.

 

Een ander knelpunt waar het al jaren mank loopt, is de deling van informatie tussen de verschillende instanties, zowel federaal als op het niveau van de gemeenschappen. Ik denk aan politie, aan Justitie, aan de CAW’s, aan het OCMW, aan de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg, aan alle hulporganisaties die zich met deze problematiek bezighouden, enzovoort.

 

Een te strenge toepassing van het beroepsgeheim en de zwijgplicht mag hier niet de boodschap zijn, zeker niet wanneer er kinderen bij betrokken zijn.

 

Deze resolutie wil inzetten op een betere informatiedeling gekoppeld aan de digitalisering binnen Justitie om zo de toegankelijkheid voor slachtoffers en daders tot hun dossiers te vereenvoudigen en vergroten. Dat is volledig terecht. Onze fractie kan dit alleen maar toejuichen. We stellen vandaag echter vast dat zelfs de advocaten nog steeds geen digitale toegang hebben tot de strafdossiers via de streng beveiligde kanalen waarover zij kunnen beschikken, wat door de bevoegde minister als prioriteit naar voren werd geschoven. Dan stel ik me toch wel ernstige vragen hoe dit zal worden gerealiseerd voor de slachtoffers en daders van intrafamiliaal geweld die niet over die beveiligde kanalen beschikken.

 

Deze resolutie is een stap in de goede richting. Daarom zullen we deze resolutie steunen. Er blijven wel een aantal knelpunten, algemeenheden en aankondigingen zonder concrete invulling waarvoor de Vlaams Belangfractie wil waar­schuwen. Het nationaal actieplan ter bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld 2015-2019 zal worden geëvalueerd en op basis van die evaluatie moet een nieuw actieplan worden uitgewerkt. Enige timing is niet voorzien. Hopelijk wordt dit niet op de lange baan geschoven. Bij het uitwerken van het beleid inzake de preventie, de aanpak en de opvolging van intrafamiliaal geweld wordt terecht gevraagd bijzondere aandacht te schenken aan kinderen die zowel direct als indirect het slachtoffer zijn van intrafamiliaal geweld. Hoe dit moet gebeuren en welk stappenplan hierbij moet worden gevolgd, blijft onduidelijk. Het blijft bij een terechte, maar vage aanbeveling.

 

Er moeten initiatieven komen die gericht zijn op alle doelgroepen en deze campagnes moeten na afloop worden geëvalueerd.  Zo komen er initiatieven naar werknemers, naar de brede bevolking, naar slachtoffers, naar telecom­operatoren. Ook hier is er echter weer geen concretisering, geen timing. Wat houdt dit in? Wie zal er worden aangesproken en op welke wijze? Daar blijft de resolutie vaag. De wet van 15 mei 2012 betreffende het tijdelijke huisverbod zal worden geëvalueerd. Daar hebben we geen probleem mee, maar ook hier wordt geen timing gegeven, geen concrete planning. Hetzelfde geldt voor de proefprojecten inzake het stalkingalarm in Kortrijk en Gent. Op termijn zal er naar worden gestreefd dat wanneer het parket een onderzoek voert naar feiten van intrafamiliaal geweld, het parket ook kennis heeft van eventueel hangende dossiers en vroegere dossiers behandeld door de jeugdrechtbank en/of de familierechtbank. Los van het feit dat ik me de vraag stel waarom dit vandaag nog niet kan, komt er ook hier geen concrete timing en blijft het gissen wat op termijn betekent.

 

Er moet een beroep gedaan worden op de gespecialiseerde expertise van de vrouwen­verenigingen in elke fase van het beleid en op alle niveaus. 

 

Wat houdt dat concreet in? Welke vrouwenverenigingen zullen hierbij worden betrok­ken? Hoe zal dat worden gerealiseerd? Wij krijgen er geen aanwijzingen voor. Het zijn allemaal mooie, maar algemene, vage aankondigingen. Wij hopen dan ook dat het niet bij aankondigingen zal blijven, maar dat er in de praktijk ernstig werk van wordt gemaakt.

 

Ik heb nog een laatste bedenking: het prijskaartje van de aanbevelingen. Een van de aanbevelingen is aan de staatssecretaris voor Gelijke Kansen te vragen welke bedragen op de begroting algemeen kunnen worden uitgetrokken om intrafamiliaal geweld tegen te gaan. Dat zal onvoldoende zijn, want de voorgestelde maatregelen overtreffen de bevoegdheid van de staatssecretaris en gaan verder, bijvoorbeeld inzake Binnenlandse Zaken, Justitie en zelfs de gemeenschappen.

 

Ik geef enkele voorbeelden. Het is de bedoeling te streven naar het uitwerken van een systeem van datacollectie op grote schaal.  Terecht. Ik hoop dat de bevoegde ministers, hoofdzakelijk de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie, bereid zijn hiervoor voldoende middelen vrij te maken, want anders zal het niet lukken. Ook het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen krijgt een belangrijke opdracht.  Zullen hiervoor middelen worden vrijgemaakt? Er wordt daarnaast gevraagd om de Zorgcentra na Seksueel Geweld uit te rollen op het volledige grondgebied. De zorgcentra leveren inderdaad goed werk. Zij bestaan vandaag op kleine schaal, voornamelijk in Gent, Brussel en Luik. Ze uitrollen over het hele land zal veel geld kosten. Bestaat er bereidheid bij de betrokken ministers om dat te financieren? 

 

Ook worden er terecht heel veel sensibiliseringscampagnes en bewustwordings­initiatieven aangekondigd, maar koken kost geld en heel veel van de initiatieven behoren niet tot de bevoegdheid van het federale niveau, maar van de gemeenschappen. Werd er hierover overleg gepleegd? Bestaat er bereidheid op het niveau van de gemeenschappen om hiervoor voldoende middelen vrij te maken of zal het worden gefinancierd vanuit de federale begroting? Ik hoop het, want anders zal het allemaal dode letter blijven.

 

Collega’s, ik besluit. De resolutie wil een steentje bijdragen om verandering te brengen in deze zeer schrijnende problematiek, maar wij mogen niet naïef zijn. Intrafamiliaal geweld volledig bannen is een illusie. Het bestaat sinds mensenheugenis en zal helaas altijd blijven bestaan. Met de resolutie hoopt onze fractie dat de problematiek ernstig zal worden aangepakt en voorrang zal krijgen, dat er echt zal worden gewerkt aan een alles­omvattende, geïntegreerde aanpak tussen alle betrokken beleidsniveaus in het land en dat er eindelijk werk wordt gemaakt van een echt geïntegreerd en gecoördineerd beleid dat alle vormen van intrafamiliaal geweld bestrijdt. De doelstellingen zijn mooi en kunnen wij uiteraard volledig onderschrijven. Wel blijven er veel algemene formuleringen zonder concrete invulling en timing, blijven er vragen rond de noodzakelijke budgetten en blijven er vragen over de samenwerking met de gemeenschappen en hun bereidheid ter zake.

 

Ik druk nogmaals de hoop uit dat alle betrokken beleidsmakers – het zijn er velen – bij prioriteit aandacht zullen schenken aan de uitvoering van deze belangrijke resolutie. Het Vlaams Belang zal deze uiterst belangrijke resolutie volmondig steunen.

 

01.05 Katleen Bury (VB): Mevrouw de voorzitster, ik dank alle collega's voor de zeer goede samenwerking, wat resulteert in de tekst die momenteel voorligt. Mijn collega Dewulf stelde daarnet enkele concrete vragen over de uitwerking.

 

Een heel belangrijk punt dat ik niet terugvind in de resolutie, is een gespecialiseerde kamer met gespecialiseerde magistraten binnen de familie­rechtbank en de jeugdrechtbank. In de bespreking die wij hebben gevoerd zien we dat verschillende keren terugkomen. Eigenlijk waren veel collega's, en ook u, mevrouw Schlitz, het erover eens dat een dergelijke gespecialiseerde rechtbank ons enorm verder kan helpen. Wij merken immers dat de familierechtbanken en jeugdrechtbanken absoluut geen zicht hebben op zaken die hangende zijn bij het parket. Zij hebben er geen kennis van en zij mogen er geen kennis van hebben. Het parket is weliswaar aanwezig in de familierechtbank, maar heeft geen inzage in de dossiers. Ook zien wij dat de termijn waarop de familierechtbank haar werk doet, nogal sterk afwijkt van de termijn waarop een strafrechter of onderzoeksrechter zijn werk kan doen, aangezien die laatsten met zulke zaken meestal meer dan een jaar bezig zijn. Onze fractie vraagt daarom de oprichting van een dergelijke gespecialiseerde kamer.

 

Die vraag stel ik niet alleen. Ik vernoem mevrouw Magda De Meyer, voorzitster van de Nederlands­talige afdeling van de Vrouwenraad, die naar Spanje verwijst, waar er een speciale rechtbank is opgericht die in een veel gerichtere aanpak voor die problematiek voorziet. Mevrouw Sylvie Lausberg, voorzitster van de Conseil des Femmes Francophones de Belgique, haalt eveneens Spanje als voorbeeld aan met die gespecialiseerde rechtbanken.

 

Daarnaast vernoem ik mevrouw Diane Bernard, hoogleraar recht en filosofie aan de Université Saint-Louis, die een Spaanse wet beschrijft: "Hoewel het opschrift van deze wet het doet vermoeden, doet zij meer dan wat huiselijk geweld behelst. Op grond van deze wet konden gespecialiseerde rechtbanken worden opgericht, die bevoegd zijn voor de burgerrechtelijke en de strafrechtelijke aspecten voor intrafamiliale geschillen. Deze rechtbanken hebben derhalve toegang tot het volledige dossier, waardoor de rechters met kennis van zaken kunnen oordelen, door af te stappen van het idee dat de burgerrechtelijke en de strafrechtelijke aspecten van het probleem afzonderlijk kunnen worden behandeld." Volgens deze spreekster is de oprichting van een dergelijk rechtscollege de bij uitstek te nemen maatregel.

 

Ik citeer ook mevrouw Caroline Mommer, advocate aan de balie van Brussel: "Als het over gespecialiseerde rechtbanken gaat, dan zijn de familierechtbanken momenteel zeker al een vooruitgang. Deze rechtbanken blijven echter burgerlijke rechtbanken die geen enkele strafrechtelijke maatregel of uithuisplaatsing­maatregel nemen. Dat doet moeilijkheden rijzen bij de betwisting over partnergeweld. Bovendien spreken de familierechtbanken zich op een veel kortere termijn uit dan de strafrechtbanken. De discrepantie is problematisch."

 

De aanwezigheid van het parket in de familie­rechtbank is zeker al een positief punt, ook al heeft het parket daadwerkelijk geen toegang tot het volledige dossier. Toch beschikt het doorgaans op zijn minst over de reeds in het verleden ingediende klachten. De aanwezigheid van het parket maakt het mogelijk de rechtbank een beter inzicht te verschaffen. Het geeft zijn mening te kennen over het hogere belang van het kind, waarvan het de vertegenwoordiging op zich neemt."

 

Indien men wil uitgaan van wat in België bestaat, vormt de familierechtbank volgens de spreekster een goede grondslag. Wel zou een en ander moeten worden aangevuld met een strafrechtelijk facet, alsook met een specifieke opleiding voor de magistraten.

 

De heer Philippe Van Linthout, voorzitter van de Vereniging van Onderzoeksrechters, stelt ook dat voor de hiervoren geschetste gevallen procedures hangende kunnen zijn bij de jeugdrechter of de familierechtbank. De onderzoeksrechters hebben helemaal geen zicht op die procedures, wat het zeer moeilijk maakt de situatie te evalueren.

 

Mevrouw Sandrine Bodson wijst erop dat er in Luik al een soort gezinsparket is dat alle dossiers van partnergeweld behandelt. Het zou een meerwaarde zijn om ze allemaal bij elkaar te brengen.

 

Last but not least en heel goed, heb ik in de commissie van 31 maart 2021 een vraag gesteld over het intrafamiliaal geweld dat had plaatsgevonden in Braine-le-Comte. De minister had daarover samengezeten met u. Hij antwoordde dat er meer moet gebeuren. De dader moet zijn gedrag veranderen, indien ook de rest wil veranderen. Wij moeten verder kijken dan het wapenarsenaal dat wij nu al hebben. Het is tijd om na te denken over een contactverbod en een kamer binnen de rechtbank die versneld zaken van intrafamiliaal geweld opvolgt.

 

De minister van Justitie geeft het dus zelf aan. Daarom hoop ik dat het amendement vandaag kan worden goedgekeurd en dat wij een volledige resolutie kunnen goedkeuren.

 

01.06  Caroline Taquin (MR): Madame la présidente, madame la secrétaire d'État, chers collègues, les violences intrafamiliales – qu'elles soient physiques, sexuelles ou psychiques – engendrent des maux aux conséquences importantes et souvent graves. Les victimes directes ou indirectes les portent en elles toute leur vie.

 

Si les confinements et restrictions de liberté de cette dernière année ne peuvent être considérés comme la cause des violences domestiques et intrafamiliales, ces conditions de vie participent évidemment à la démultiplication de ces faits. En effet, en Belgique francophone, la ligne téléphonique "Écoute violences conjugales" a enregistré trois fois plus d'appels par jour durant la première vague. En Europe, l'Organisation mondiale de la Santé a constaté, en avril 2020, une augmentation de 60 % des appels d'urgence des femmes victimes de violence entre partenaires.

 

Face à ces situations, il n'y a évidemment pas une réponse unique, mais il y a la nécessité de lutter en mettant en place des dispositifs et des mesures complémentaires globaux, transversaux et diversifiés au plus près des personnes. C'est pour cette raison que nous avons adopté, durant nos travaux, une approche multidisciplinaire, notamment, en encourageant une forte coopération entre les différentes matières concernées et en incluant, entre autres, des acteurs essentiels comme la police et la justice, mais en prenant aussi en considération, compte tenu de la situation institutionnelle du pays, les matières exercées par les entités fédérées.

 

Nous le savons, la prise de conscience de l'importance d'un enjeu et la réaction publique passe par des données et des constats précis. Dès lors, il nous semblait important qu'une collecte de données à grande échelle soit prévue en vue d'obtenir la meilleure connaissance possible de ces violences. Je pense ici notamment au nombre de violences intrafamiliales qui ne sont pas déclarées et que l'on nomme "chiffre noir". La prise de conscience et les actions à mener nécessitent aussi la sensibilisation d'un public le plus large possible où qu'il soit et quel que soit son âge. Cette proposition le prévoit au travers de campagnes de sensibilisation à large échelle coordonnées avec les entités fédérées. Il est ici question, en particulier, de campagnes de sensibilisation des jeunes et des enfants à l'école, mais aussi sur les lieux de travail car les violences familiales ne s'arrêtent pas sur le pas de la porte de la victime.

 

Il est également fondamental de mieux soutenir les professionnels qui luttent tous les jours contre ce fléau et qui sont aux côtés des victimes. Pour ce faire, la proposition veille à ce que les personnes qui viennent directement en aide aux victimes de violences intrafamiliales reçoivent les meilleures formations de base, ce de manière continue. Chaque victime est différente et chaque cas particulier connaît une situation spécifique.

 

Il est donc important que les procédures mises en œuvre en la matière soient tournées vers des besoins et des attentes le plus possible individualisés.

 

Lors des périodes de confinement, nous avons malheureusement dû constater que certaines instances d'aide aux victimes n'ont pas toutes pu fonctionner normalement. Dans ce cadre, au nom de mon groupe MR, je salue encore le travail exceptionnel et difficile qui a été réalisé.

 

Lutter contre les violences intrafamiliales, c'est aussi réussir à offrir des perspectives aux victimes. Cela implique une notion économique. La dépendance financière de la victime à son partenaire violent est souvent soulignée dans ces situations. Pour ce faire, la proposition prévoit de mener des actions d'information concernant spécifiquement les soutiens financiers existants et pouvant être accordés aux victimes, et ce, tout en optimisant encore le fonctionnement des CPAS en charge d'accorder ces aides financières. En effet, le service et la proximité des CPAS, qui accompagnent et orientent aussi les victimes en vue de trouver des solutions et de les aider efficacement, sont essentiels.

 

À cet égard, d'autres fonctionnaires publics, les policiers, ont aussi un rôle crucial. D'autant plus en cette période de confinement, leur place dans la lutte contre les violences intrafamiliales est centrale. C'est pour cette raison que nous pensons que les bureaux de police doivent à l'avenir participer encore davantage à l'aide et au soutien aux victimes, très concrètement, en prenant contact de manière systématique avec les personnes ayant porté plainte avant ou durant le confinement.

 

Outre le soutien de la police, une protection optimale des victimes passera également par le partage et la numérisation de l'information au sein de notre système judiciaire, afin de pouvoir permettre aux victimes d'avoir accès à leur dossier, mais aussi de garantir au parquet d'avoir connaissance de chaque dossier déjà traité dans le passé ou en cours de traitement. De plus, la proposition prévoit de prêter une attention particulière à l'égard des classements sans suite. Cette attention permettra de mieux comprendre quelles actions peuvent encore être mises en œuvre, avec pour objectif d'en réduire le nombre au maximum.

 

Si les violences intrafamiliales touchent les adultes et les adolescents, elle a aussi un impact fort sur les enfants qui sont touchés de plein fouet par ces violences dues à leur dépendance totale vis-à-vis des parents, des adultes. Dans ce cadre, la mise en place de l'évaluation de l'impact de la violence sur les enfants est incontournable. Cela impliquera d'assurer une cohérence entre les pratiques judiciaires et psychosociales à l'égard des auteurs afin que ceux-ci soient suivis de manière efficace au niveau thérapeutique et ce, dans l'optique de pouvoir venir en aide avant tout aux enfants victimes de ces violences.

 

À la suite des différentes périodes de confinement, plusieurs mesures ont pu être prises, notamment en commission de l'Intérieur, pour lutter contre cette problématique. C'est pour cela qu'il est nécessaire de procéder à une première évaluation des mesures prises. Tel est le cas des décisions prises concernant la création de l'index régional électronique des organismes d'aide aux victimes de violence intrafamiliale ou encore quant aux protocoles précis d'orientation qui ont été édictés à la destination des pharmaciens d'officine car, on le sait, les pharmaciens peuvent être de véritables repères et soutiens pour les victimes.

 

Pour conclure, il faut maintenant que la bonne collaboration que nous avons pu mener tout au long de nos travaux en commission puisse se traduire par une mise en œuvre rapide et concrète de l'ensemble de ces demandes et recomman­dations. Je l'ai dit, il n'y a pas de formule miracle, mais chaque acte posé dans cette lutte contre ces actes odieux et lâches peut empêcher la répétition et la détresse souvent silencieuse.

 

Je salue le travail de Mme Jiroflée qui a su mener à bien ces travaux en réunissant tout le monde autour d'une thématique extrêmement importante, plus particulièrement encore en ce moment.

 

01.07  Els Van Hoof (CD&V): Mevrouw de voorzitster, mevrouw de staatssecretaris, collega's, het voorliggende voorstel van resolutie was een werk van lange adem met veel amendementen, waarbij wij heel constructief over de partijgrenzen heen hebben samengewerkt. Ik wil de commissievoorzitster bedanken, omdat zij steeds opnieuw de commissieleden aanspoorde om samen te werken en tot unanimiteit te komen. De commissie voor Maatschappelijke Emancipatie was altijd al een verademing, als het gaat om samenwerking.

 

Vandaag moesten wij overigens in de commissie voor Volksgezondheid nogmaals vaststellen dat waar het slecht ging, het nog slechter gaat en dat waar er ongelijkheid is, er nog meer ongelijkheid komt door de pandemie en de corona­maatregelen. Verschillende landen met strikte maatregelen, zoals het verplicht thuisblijven, zagen een grotere toename van partnergeweld en kindermishandeling.

 

Elke Van Hoof stelde vandaag dat vrouw zijn en de leeftijd, namelijk jong of oud zijn, predisponerende factoren vormen. Het is wetenschappelijk bewezen dat de schaal van intrafamiliaal geweld en dus de risico's groter zijn voor vrouwen, jongeren en ouderen en dat stress en infodemie of een teveel aan informatie en communicatie leiden tot afreageergedrag en tot het vluchten in alcohol, drugs en geweld.

 

Ook in België was dat helaas het geval. Een op zeven vrouwen in België werd het afgelopen jaar slachtoffer van partnergeweld en de hulplijn 1712 zag een enorme toename met 53 %. Afgelopen week nog verspreidden de kinderartsen en jeugdpsychiaters van de Belgian Pediatric COVID-19 Task Force nog een open brief, waarin zij stelden dat de gezondheidsdiensten worden overspoeld met gezondheidsproblemen, waar­onder zelfmoordpogingen, depressie en anorexia, en door meldingen van intrafamiliaal geweld en misbruik.

 

We mogen nog eens hulde brengen aan de belangrijke Conventie van Istanboel. Het is niet voor niets dat Turkije zich uit dat verdrag heeft teruggetrokken. Turkije verzet zich tegen vrouwenrechten en doet aan machopolitiek. De reden waarom Turkije zich heeft teruggetrokken, is omdat het een afdwingbaar verdrag is. Men kan dat rechtstreeks inroepen voor een rechtbank en het bevat ook juridisch bindende definities van geweld tegen vrouwen als schending van mensenrechten en een vorm van discriminatie tegen vrouwen.

 

Het is ook het eerste verdrag dat in due diligence voorziet, een zorgplicht om huiselijk geweld te voorkomen, te onderzoeken en te bestraffen. Het voorstel van resolutie bouwt hier inderdaad op voort met een reeks zeer belangrijke positieve maatregelen. Sta me toe een aantal elementen inzonderheid van onze fractie in de verf te zetten.

 

Ten eerste moet er onzes inziens veel aandacht uitgaan naar de zorg en de opvang van slachtoffers. Mevrouw de staatssecretaris, u zult zorgcentra na seksueel geweld over het hele grondgebied uitrollen. Wij vinden het van belang om ook in lokale afdelingen te voorzien, zodat elk slachtoffer kan rekenen op toegankelijke opvolging en behandeling in een centrum dat dichtbij huis is of niet verder dan een uur rijden. Ik zal er dus zeker op toezien dat er werk wordt gemaakt van lokale afdelingen op het grondgebied.

 

Ten tweede, een ander belangrijk aspect in de zorg betreft de referentiezorgverleners, zoals de referentievroedvrouwen. Het is eigenlijk ongelooflijk dat noch op het niveau van de ziekenhuizen noch bij de huisartsen referentie­zorgverleners de verbinding maken met de hulpverlening, de gezondheidszorg, de politie en de magistratuur.

 

Volgens mij zou de invoering van referentiezorg­verleners voor de opvang van slachtoffers de onderrapportering van geweld kunnen tegengaan en voorkomen.

 

Ten derde, zorg is van belang, maar we hebben ook instrumenten nodig om die te bieden. Op een aantal instrumenten, die nog tijdens deze legislatuur makkelijk uitgerold kunnen worden door de staatssecretaris en andere regerings­leden, leggen we graag de nadruk.

 

Zo is het ontbreken van verplichte opleidingen op elk niveau van de politie en van multidisciplinaire vorming van leraren en verpleegkundigen, waarbij men informatie deelt, aberrant. Nochtans kan men op die manier een netwerk tegen intrafamiliaal geweld tot stand brengen. Die opleiding is volgens mij een echte must, wil men de doelgroepen die ik zopas heb opgesomd, gevoelig maken voor de detectie van intrafamiliaal geweld.

 

Over ander belangrijke instrument zeuren we inderdaad al jaren, met name een uniform risicotaxatie-instrument dat kan uitgerold worden over het hele grondgebied. Het is aberrant dat men op het moment niet op uniforme wijze risico's kan detecteren bij daders. Dat is een absolute must in het kader van dadertherapie en -begeleiding, maar ook van recidivebeperking en het vermijden van escalaties van geweld.

 

Nog een belangrijk instrument is te vinden op de werkvloer. Het geweld stopt niet aan de deur, vrouwen gaan uit werken. Welnu, ook op het werk is er veel te weinig aandacht voor intrafamiliaal geweld. Ik ben blij dat dat hier wel het geval is: zo zag ik onlangs een affiche in de gang hangen om sporen van intrafamiliaal geweld te melden. Dergelijke initiatieven zouden overal op het getouw moeten worden gezet, zodat slachtoffers ook daar terechtkunnen. Het gaat erom ook in de werkomgeving voor instrumenten te zorgen om detectie mogelijk te maken.

 

Mijn collega van de N-VA zal blij zijn dat ik het gedeeld beroepsgeheim vermeld, want in dezen is zwijgen naar mijn mening geen goud, maar is spreken goud in plaats van zilver. We moeten evolueren naar een gedeeld beroepsgeheim en de knelpunten ervan waar dat al van toepassing is, in kaart brengen. Het is onaanvaardbaar om nog te zwijgen, zeker als het over kinderen gaat.

 

Tot slot vinden wij ook financiële onafhankelijkheid een belangrijk instrument. Er moeten middelen worden vrijgemaakt om te zorgen dat slachtoffers durven het huis te verlaten. Ik denk dat veel vrouwen financieel nog altijd afhankelijk zijn van hun partner en het geweld blijven ondergaan, ook vaak in het belang van het welzijn van hun kinderen. Die financiële afhankelijkheid speelt een heel sterke rol. Ik denk dat we de huidige financiële mogelijkheden veel meer in de verf moeten zetten en optimaliseren, zowel bij de werking van de eigen federale instellingen als bij de OCMW's.

 

Tot zover mijn toelichting met een aantal elementen die wij cruciaal achten en op de voet zullen volgen. Wij werken graag samen met de regering aan concrete stappen, opdat intrafamiliaal geweld nog tijdens deze regeer­periode wordt teruggedrongen en ik eindig met een dankwoord aan alle collega's voor de samenwerking.

 

01.08  Maria Vindevoghel (PVDA-PTB): Mevrouw de voorzitter, collega's, mevrouw de staatssecretaris, de twee femicides van vorige week hebben het nog maar eens aangetoond: de strijd tegen intrafamiliaal geweld moet een topprioriteit zijn. Wij zijn daarom blij dat er vandaag eindelijk een voorstel van resolutie op tafel ligt met concrete maatregelen. De PVDA vraagt dat al van voor de pandemie, want ook toen al was intrafamiliaal geweld in België een groot probleem. De vele lockdowns hebben het alleen maar erger gemaakt.

 

Sciensano bezorgt ons niet alleen de dagelijkse cijfers over de coronabesmettingen, maar houdt ook statistieken over intrafamiliaal geweld bij. Deze maand nog publiceerde Sciensano de resultaten van zijn zesde COVID-19-gezondheids­enquête. De evolutie van het intrafamiliaal geweld in ons land is niet min. In maart 2021 gaf maar liefst 6 % van de bevraagden aan slachtoffer te zijn van intrafamiliaal geweld, ten opzichte van 1 % in 2018. Dat is maar liefst een verzesvoudiging, maar dat vertaalt zich niet in hogere aangiftecijfers. Integendeel, het gebrek aan alternatieve aangifteprocedures tijdens de lockdowns heeft ervoor gezorgd dat nog minder slachtoffers de weg naar hulp hebben gevonden. Uit de cijfers van collega Nabil Boukili opgevraagd bij de minister van Binnenlandse Zaken blijkt namelijk dat het aangiftecijfer voor de eerste helft van 2020 fors lager ligt dan in het jaar voordien. Dat toont goed aan dat er in tijden van lockdown te weinig laagdrempelige manieren zijn om geweld te melden of klacht in te dienen. De mogelijkheid om online aangifte te doen en de bijkomende chatdienst met de politie komen dus geen moment te vroeg.

 

De PVDA vraagt dan ook dat die tijdelijke voorziening ook na de coronacrisis zou blijven bestaan. Dat zou het aangiftecijfer kunnen vergroten en het dark number verkleinen. Een crisis kan een goede leerschool zijn. Er kunnen goede ideeën uit voortkomen voor maatregelen die ook in normale tijden een probleem kunnen verkleinen.

 

Dat lockdowns zonder voldoende flankerend beleid zorgen voor een toename van het intrafamiliaal geweld stond eigenlijk in de sterren geschreven. Het is daarom triest dat het beleid zo traag handelt. Het is niet dat men de kans niet heeft gehad om snel de nodige maatregelen te nemen. De PVDA diende al een maand na het begin van de eerste lockdown een voorstel van resolutie in met maatregelen om vrouwen beter te beschermen tijdens de coronacrisis, onder andere op het vlak van intrafamiliaal geweld, maar dat voorstel werd botweg weggestemd.

 

Collega's, u gaat er dikwijls prat op dat u over thema's als intrafamiliaal geweld over de partij­grenzen heen willen samenwerken. Het wegstemmen van onze resolutie was echter een voorbeeld waarbij die samenwerking niet is gebeurd. Als het erop aankomt een urgent probleem aan te pakken en dringende oplossingen goed te keuren, laat u het afweten.

 

Dat intrafamiliaal geweld een dringend probleem was, is en blijft tijdens de coronacrisis, daarover kan geen twijfel bestaan. De vandaag voor­liggende resolutie is dus voor ons een stap in de goede richting. Zij gaat in de richting van een transversale aanpak, wat belangrijk is. Dat kunnen wij alleen maar toejuichen.

 

Niettemin zien wij de resolutie slechts als een eerste van de vele stappen in de strijd tegen een diepgeworteld probleem. Vele maatregelen kunnen nog worden uitgebreid, zowel qua inhoud als qua tijd. Hoe transversaal de resolutie immers ook is, één zaak bevat ze niet, namelijk de aanpak van intrafamiliaal geweld op sociaal-economisch vlak. De resolutie geeft terecht aan dat vooral vrouwen getroffen worden door intrafamiliaal geweld. Het zou bijgevolg logisch zijn de sociaal-economische positie van vrouwen structureel te versterken, om hen uit de situatie van financiële afhankelijkheid van hun partner te halen. Vrouwen staan vaak economisch zwakker dan mannen. Zij werken vaak in lageloonsectoren en werken vaak deeltijds. Bovendien heeft de coronacrisis hen op de arbeidsmarkt buitengewoon getroffen.

 

De Brusselse Raad voor Gelijkheid tussen Mannen en Vrouwen maakte eergisteren in een rapport bekend dat de pandemie de gender­gelijkheid op de arbeidsmarkt zeker met een generatie vertraagt.

 

De slechtere sociaal-economische positie van vrouwen maakt dat zij vaker financieel afhankelijk zijn van hun partner, wat bijdraagt tot ongelijke machtsverhoudingen binnen het koppel. Dat maakt vrouwen extra kwetsbaar om het slachtoffer te worden van intrafamiliaal geweld. Bovendien maakt die financiële afhankelijkheid het moeilijker voor slachtoffers om uit een gewelddadige context te ontvluchten. Ga maar eens met de kinderen weg bij een gewelddadige partner, wanneer men slechts een minimumloon heeft of een deeltijdse job bijvoorbeeld.

 

Daarom is het belangrijk en is het een gemiste kans dat de meerderheid tegen het amendement van de PVDA heeft gestemd om de sociaal-economische positie van de vrouwen te versterken in de strijd tegen het intrafamiliaal geweld.

 

Beste collega's, ik weet dat u het liever niet hoort, maar intrafamiliaal geweld kan niet deftig worden aangepakt zonder ook sociaal-economisch te investeren, bijvoorbeeld door het minimumloon op te trekken naar 14,00 euro bruto of door alle uitkeringen op te trekken tot boven de Europese armoedegrens.

 

Verder moeten er maatregelen genomen worden om de achteruitgang naar de traditionele rolpatronen in de verdeling van betaalde en huiselijke arbeid als gevolg van de coronacrisis terug te draaien.

 

Daarnaast wil ik ook mijn verontwaardiging uiten over het feit dat de meerderheid op het laatste moment beslist heeft om het punt over de aanpak van intrafamiliaal geweld bij sans-papiers botweg te schrappen. Ik vind dat extra pijnlijk omdat wij weten dat het gaat om mensen in een extra kwetsbare positie. Het is niet omdat die mensen geen stemrecht hebben, dat zij geen recht hebben op bescherming. Naar onze mening verdient ieder slachtoffer hulp, ongeacht of het slachtoffer al dan niet over papieren beschikt. Het slachtoffer hoeft er niet alleen voor te staan. Meer nog, dit staat ook in het verdrag van de Raad van Europa, door België onderschreven. Collega's van de meerderheid, u bent er als de kippen bij om Turkije te veroordelen als dat land uit de Conventie van Istanbul stapt, een terechte veroordeling, maar tegelijk past u het verdrag hier in België zelf niet helemaal toe. Het nieuw GREVIO-rapport is dan ook niet mals voor België, en dat is meer dan terecht. Het wordt hoog tijd dat België de Conventie van Istanbul in al haar aspecten in de praktijk brengt. We komen er niet door er lukraak enkele elementen van uit te voeren en de rest op zijn beloop te laten.

 

In dingen op zijn beloop laten, lijken de Vivaldi-regering en het Parlement zeer goed te zijn. Sinds het begin van deze legislatuur heb ik een hele reeks fantastische beloftes, grootse plannen en veel mooie woorden in de media gehoord over de aanpak van intrafamiliaal geweld. In de praktijk gaat het echter veel te traag. Wij werken in de Kamer ondertussen al meer dan anderhalf jaar rondom intrafamiliaal geweld. In de tijd die nodig was om een resolutie afgerond te krijgen, vermenigvuldigde het probleem zich. Het ergste is dat dit zo niet had hoeven te verlopen. Met de politieke wil om dit prioritair aan te pakken, zonder vertragingen en eindeloze discussies over de regeling van de werkzaamheden, hadden wij dit proces zeker met één jaar kunnen verkorten. Ik stel echter vast dat de meerderheid daar niet echt wakker van ligt.

 

Sommigen onder u lopen te koop met het feit dat u al 20 jaar aan geweld tegen vrouwen werkt. Eigenlijk kan u daar niet trots op zijn want de situatie is alleen verslechterd. Mooie woorden volstaan niet, we moeten vooruit.

 

Ik denk vandaag aan de 11 vrouwen die sinds het begin van dit jaar vermoord werden. Ze werden vermoord omdat ze vrouw waren, in de meeste gevallen door hun partner, ex-partner of een familielid. Het gaat om Ahlam uit Luik, 28 jaar, een vrouw van 43 uit Leopoldsburg die niet geïdentificeerd kon worden, Nicole uit Lier, 64 jaar, Marga uit Welkenraedt, 68 jaar, Pascale uit Lanaken, 55 jaar, Jana uit Gent, 18 jaar, Cennet uit Balen, 41 jaar, Agnes uit Ghlin, 57 jaar, Cindy uit Petit-Roeulx, 36 jaar en vorige week nog Muriel uit Couvin, 55 jaar. Op zondag, amper 3 dagen later, werd Mariana uit Rochefort vermoord, een vrouw van 25 jaar. Dit jaar werden 11 vrouwen het slachtoffer van femicide en 6 kinderen van infanticide. Wij zeggen niet één meer, pas un de plus, ni una más.

 

Het tempo waaraan vrouwen vermoord worden door hun partner, hun ex-partner of een familielid, ligt intussen de helft hoger dan vorig jaar. Dat is enorm verontrustend.

 

Het is des te erger omdat wij weten dat vele van die vrouwen al aan de alarmbel hadden getrokken wegens intrafamiliaal geweld. Zij werden echter onvoldoende geholpen en beschermd door de overheid. Een doeltreffende aanpak van intra­familiaal geweld is nochtans cruciaal ter preventie van femicide.

 

Het is niet dat er geen plan was, hoe ontoereikend het ook mag zijn. In november 2020 kondigde de regering met veel tamtam een federaal actieplan aan tegen gendergerelateerd geweld tijdens de tweede lockdown. Vijf maanden later stelde u als bevoegde staatssecretaris zelf vast dat daar nog niet veel van in huis gekomen was, en naar aanleiding van de achtste femicide riep u vorige maand nog een crisisoverleg samen met uw collega's van Binnenlandse Zaken en Justitie. Dat werd aangekondigd in de media.

 

Nadien volgde een complete radiostilte. Via het middenveld kregen wij toch een persbericht door, maar daar werden wij weinig wijzer uit. Toen ik u voor de paasvakantie in de commissie de vraag stelde wat er precies zou veranderen na het crisisoverleg, kreeg ik een herhaling van dezelfde abstracte langetermijnbeloftes die u ook in november bij de aankondiging van uw plan had gemaakt.

 

Wij hebben er dus nog steeds het raden naar of het plan nu beter zal worden uitgevoerd door deze regering, die altijd gezegd heeft dat het tegengaan van intrafamiliaal geweld een prioriteit moet zijn, en dat er daadkrachtig gereageerd zou worden.

 

Met de resolutie die voorligt, hebben wij een waaier aan concrete maatregelen in de strijd tegen intrafamiliaal geweld, en wij steunen die ten volle. Maar wij roepen vooral op: geen woorden, maar daden. Het moet vooruit! Een goede resolutie die stof ligt te vergaren, daar heeft niemand iets aan.

 

Ik roep de regering in het bijzonder op voldoende middelen vrij te maken voor de uitvoering. Er zitten in deze resolutie heel veel sterke maatregelen, maar zonder fatsoenlijke budgetten zullen zij dode letter blijven.

 

intrafamiliaal geweld kan men niet bestrijden zonder met centen over de brug te komen. Wij zullen daar op blijven hameren. Het is hoog tijd voor actie.

 

01.09  Marianne Verhaert (Open Vld): Mevrouw de voorzitster, collega's, van 28 januari 2020 tot en met 6 juli 2020 werden in het Adviescomité voor Maatschappelijke Emancipatie hoorzittingen georganiseerd rond het onderwerp intrafamiliaal geweld, in het bijzonder tegen vrouwen en kinderen. Het zal u niet verbazen dat de aanpak en preventie van genderbased violence mijn collega Goedele Liekens na aan het hart ligt. Goedele volgde dit thema op binnen het Adviescomité. Ik had haar daarnet nog aan de lijn en ik hoef u waarschijnlijk niet vertellen dat ze hier heel graag aanwezig was geweest.

 

Vóór Goedele Liekens en de andere leden van het Adviescomité het thema in die hoorzittingen hadden vastgelegd, hadden ze uiteraard geen flauw benul van wat er ons allemaal te wachten stond vanaf 13 maart 2020: een lockdown, waarbij elk gezin, elke alleenstaande, ieder van ons verplicht was om thuis te blijven in haar of zijn eigen kot. Voor sommigen leek dat heel knus te zijn, maar we zagen de cijfers van intrafamiliaal geweld stijgen.

 

Momenteel bevinden we ons in een derde lockdown. 'Recordaantal oproepen over kindermishandeling en partnergeweld bij hulplijn 1712', kopten de kranten op 9 maart 2021. Ook ik als burgemeester merk op het terrein een stijging van het aantal gevallen van partnergeweld. Het is daarom uitermate belangrijk dat wij vandaag een heel krachtig signaal tegen intrafamiliaal geweld de wereld kunnen insturen. Deze tekst is het resultaat van een samenwerking over de partijgrenzen heen en werd in het Adviescomité door alle partijen goedgekeurd. Ik wil dan ook van de gelegenheid gebruikmaken om alle collega's daarvoor te bedanken.

 

Het voorstel van resolutie dat hier vandaag wordt behandeld, gaat over een maatschappelijk onaanvaardbaar probleem dat zich altijd al heeft gesteld en dat door de coronacrisis helaas op scherp is gesteld. De nood aan de uitvoering van deze resolutie is heel hoog. Vanuit Open Vld kunnen wij niet duidelijker zijn: fysiek, psychologisch, maar ook economisch geweld tussen partners en tussen gezinsleden is in geen enkele omstandigheid te rechtvaardigen.

 

Dat bestrijden is een gezamenlijke opdracht voor zowel de federale overheid als de deelstaten. Wij hebben één gezamenlijke doelstelling: partnergeweld en intrafamiliaal moeten het land en de wereld uit. Er worden in deze resolutie 35 concrete aanbevelingen gedaan, die alle aspecten van het intrafamiliaal geweld behelzen.

 

We roepen in deze resolutie de regering onder andere op om de problematiek van intrafamiliaal geweld als een prioriteit te beschouwen. Hopelijk mogen we u, mevrouw de staatssecretaris, hier dan ook snel verwelkomen met een nieuw nationaal actieplan ter bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld, dat hopelijk gebaseerd is op een evaluatie van het nationaal actieplan 2015-2019 en dat is geïnspireerd is op deze resolutie.

 

Daarnaast heeft de tekst bijzondere aandacht voor kinderen. We vragen expliciet om de kindreflex uit te breiden naar politie en Justitie omdat kinderen zowel direct als indirect het slachtoffer zijn van intrafamiliaal geweld. Justitie en politie moeten daarom altijd, in elk dossier, een kindreflex hebben. Zo kunnen risicosituaties voor een kind sneller gedetecteerd worden. Op die manier willen we de kinderen optimaal beschermen.

 

De verschillende hoorzittingen die we binnen het adviescomité gehouden hebben, hebben ons geleerd dat het niet eenvoudig is om een inzicht te krijgen in hoe die verschillende vormen van geweld in de praktijk samenhangen en samen voorkomen. Daarom is het ook een goede zaak dat er wordt opgeroepen om verder in te zetten op onderzoek.

 

België heeft al een hele weg afgelegd qua sensibilisering en het vergroten van het bewustzijn rond deze problematiek. We moeten echter toch nog een stap verder gaan. Er is immers nog steeds sprake van een dark number. Daarom is het goed dat we de regering vragen om in te zetten op effectieve en doelgerichte sensibili­serings­campagnes die afgestemd zijn over de verschillende bestuursniveaus en die na afloop ook geëvalueerd worden.

 

Deze resolutie zet ook sterk in op preventie en slachtofferhulp. Een situatie herkennen om op tijd aan de alarmbel te kunnen trekken, is een zeer belangrijke eerste stap bij veel situaties van huiselijk geweld. Om die reden heb ik ook een amendement ingediend op de originele tekst, waarbij we politiezones wijzen op het belang van die hercontactname. Als burgemeester merk ik zelf dat het noodzakelijk en belangrijk is om slachtoffers, maar ook daders op te volgen. Hercontactname is zeer nuttig. Zo kunnen bijvoorbeeld ook nieuwe feiten ontdekt worden, waarbij de politie dan kan verderwerken en ervoor kan zorgen dat die mensen verder worden geholpen. De veiligheid van het slachtoffer moet daarbij uiteraard op de eerste plaats komen.

 

Met deze resolutie willen we dus ook een groter maatschappelijk bewustzijn creëren, want daardoor verlagen we onder meer ook de drempel om aangifte te doen. Die moet immers zo laag mogelijk zijn. Er zou eigenlijk geen drempel mogen zijn.

 

Ik wil ook nog een oproep doen aan al wie getuige is van intrafamiliaal geweld. Of het nu gaat om buren, vrienden of familie, doe uw mond open en meld dit. Wij hebben het daar in België nog steeds veel te lastig mee, omdat het in onze cultuur ingebakken is om ons met andermans huishouden niet te moeien. Praat met het slachtoffer en kies ontegensprekelijk partij voor het slachtoffer. Daarnaast doe ik ook een oproep aan het slachtoffer. Vraag hulp, want niet jij maar de dader is in fout.

 

Collega's, ik heb hier enkele punten uit de tekst aangestipt die belangrijk zijn voor mijn fractie. Ik hoop dat wij deze tekst kamerbreed, over de grenzen van meerderheid en oppositie heen, kunnen goedkeuren. Onze fractie zal dit uiteraard doen.

 

Tot slot nog dit, timing is alles. Ik heb bij de start van mijn betoog gezegd dat deze pandemie pijnlijk duidelijk maakt dat deze resolutie broodnodig is. Als we binnen twintig jaar terugkijken naar deze periode, dan zullen zij die geliefden verloren hebben hieraan uiteraard met heel veel verdriet terugdenken. Velen zullen ook terugkijken naar een periode van gemis van vrienden en familie, een gemis van de eerste fuif, een kotstudent die geen studentenleven heeft, geen terrassen en horeca, geen fijne herinneringen.

 

We zullen hier niet met positieve gevoelens op terugkijken, maar uit de grond van mijn hart hoop ik dat, als we terugblikken op deze periode, we ook kunnen vaststellen dat dit het moment was dat wij de strijd tegen intrafamiliaal geweld echt hebben aangevat en het tij eindelijk echt hebben gekeerd.

 

01.10  Karin Jiroflée (Vooruit): Mevrouw de voorzitster, mevrouw de staatssecretaris, collega's, ik ga verder waar mevrouw Verhaert stopte. Het afgelopen jaar was zwaar. Onze sociale contacten zijn gekrompen tot een minimum. Mensen werken van thuis uit en moeten dat ook nog eens combineren met een gezin. Sommigen hebben de luxe over veel ruimte te beschikken, met elk een eigen kamer en een mooie tuin, maar niet iedereen heeft die luxe. Sommigen van ons zitten vast. Voor hen staat het leven al veel te lang stil. Dat kan beginnen wegen op de mentale gezondheid en op relaties, zeker als het huis waarin men woont geen plek van veiligheid is. We zien dat dit steeds vaker het geval is.

 

Dat blijkt immers uit meldingen van intrafamiliaal geweld op de chat seksueel geweld. Zij kende een stijging van maar liefst 60 %. De lockdown heeft pijnlijk blootgelegd hoe wijdverspreid dit probleem is. We zijn er allemaal erg van geschrokken.

 

Maar intrafamiliaal geweld is geen probleem van corona. Alleen heeft corona het zichtbaarder en het erger gemaakt. We slepen dit al heel lang mee, al veel te lang. Zo wordt maar liefst één vrouw op drie fysiek of seksueel misbruikt door haar partner. Er vinden maar liefst 35 interventies of incidenten plaats vooraleer iemand beslist om aangifte te doen. Dat was één van de cijfers die in de hoorzittingen naar voor kwamen. Er zijn hier nog cijfers genoemd die mij choqueerden. Het zijn er 35 teveel, en 34 teveel voor er hulp gezocht wordt.

 

Dat toont dat we al jaren te weinig doen en dat deze problematiek verstopt zit achter een taboe. Het toont dat slachtoffers nog steeds teveel schaamte kennen, terwijl het net aan ons is om hen te tonen wie hun medestanders zijn. Ze moeten weten bij wie ze terechtkunnen voor hulp.

 

Mocht het nog niet duidelijk zijn, intrafamiliaal geweld is een groot probleem dat eindelijk eens open en bloot op tafel moet worden gelegd. We moeten slachtoffers beter opvangen, daders strenger bestraffen maar ook beter begeleiden. Dat gaat enkel als we dit zinloze geweld uit de taboesfeer halen, zodat we het ook kunnen voorkomen.

 

Van de personen die betrokken zijn bij intrafamiliaal geweld, kwam bijna de helft al vóór hun zestiende in aanraking met dit soort geweld. Het probleem ontwricht gezinnen en – nog belangrijker – het hypothekeert de toekomst van onze jeugd. Daarom kozen wij niet enkel partnergeweld als thema voor het adviescomité, maar nemen wij heel expliciet de impact op kinderen mee, want, hoe men het ook draait of keert, kinderen die opgroeien in een gewelddadige omgeving, of zij nu delen in de klappen of niet, zijn altijd het slachtoffer, altijd.

 

Ik wil bij deze gelegenheid graag alle experten bedanken die ons vanuit hun werkveld toespraken tijdens de hoorzittingen. Hun kennis, ervaring en inzichten waren voor ons een enorme bron van informatie. Zij maakten het vaak onzichtbare probleem achter de voordeur eindelijk zichtbaar. Het is tijd om die deur open te breken, collega's. Het is tijd om aan de slag te gaan.

 

Daarom ben ik blij dat er vandaag in het Parlement een voorstel van resolutie voorligt waarmee wij zonder taboes of heilige huisjes samenwerken aan een oplossing voor het probleem. Alle partijen in het halfrond hebben aan deze resolutie meegewerkt. Het voorstel toont aan dat deze problematiek politieke verschillen en geschillen kan overstijgen. Onze samenwerking geeft duidelijk aan dat wij daadkrachtig willen optreden, allemaal samen.

 

Het voorstel van resolutie werd unaniem goedgekeurd in het adviescomité en ik hoop dat wij dat morgen kunnen herhalen. Op die manier geven wij, als Kamerleden, immers echt een krachtig signaal aan de regering: het is tijd voor actie. Ik kijk in uw richting, mevrouw de staats­secretaris, want u zult de collega's nog eens moeten aanporren.

 

Wij vragen aan de regering om werk te maken van een betere informatie-uitwisseling, zodat elke betrokken instantie de situatie grondig kent in geval van intrafamiliaal geweld, zeker als er kinderen bij betrokken zijn. Wij vragen meer sensibilisering en opleiding, zodat het geweld erkend wordt. Een kind dat in een gewelddadige situatie leeft en niets anders kent, moet weten dat dit niet oké is. Onze politiemensen en magistraten moeten intrafamiliaal geweld sneller kunnen erkennen en de gevolgen ervan kunnen inschatten. Wij vragen dat de huisverboden, die hun nut bewezen hebben, een daadkrachtige uitrol kennen. Kortom, wij vragen om intrafamiliaal geweld op alle vlakken aan te pakken. Ik zal niet nog meer voorbeelden geven, de collega's hebben dat al uitgebreid gedaan.

 

Ik wil vooral focussen op concrete voorstellen. Ik geef een duidelijke aanmaning tot actie.

 

Collega's, mijn beweging gelooft erin dat wij samen kunnen zorgen voor het verschil in zoveel kwetsbare gezinnen. Dat was niet gelukt zonder jullie. Mijn bijzondere dank gaat uit naar de collega's van meerderheid en oppositie, alsook naar hun medewerkers. Urenlang werd er samen geschreven en gedebatteerd over deze tekst. Bedankt voor de constructieve samenwerking, bedankt om samen tot dit resultaat te komen.

 

Let wel, deze resolutie is een mooi resultaat, maar het is vooral geen eindresultaat. Het is een startpunt om dit soort van geweld echt aan te pakken. De resolutie bevat veel aanbevelingen, waardoor wij als commissieleden ook voor onze verantwoordelijkheden worden geplaatst. Immers, als commissieleden kunnen wij de voorstellen uit de resolutie omvormen tot concrete wetsvoorstellen in het Parlement.

 

De vragen die via de resolutie worden gericht aan de regering, heb ik daarnet al aangehaald, maar ik hoop dat deze resolutie ook ons als Kamerleden wakker schudt. Ikzelf denk dan aan mijn wetsvoorstel dat ouders verbiedt om systematisch geestelijk of lichamelijk geweld of enige vernederende behandeling te gebruiken bij de opvoeding van hun kinderen. Ook die vicieuze cirkel moeten wij doorbreken, want, wat deze resolutie ook duidelijk maakt, intrafamiliaal geweld aanpakken start bij het empoweren van onze kinderen.

 

Ik geloof dat echt, het is één van de grote hefbomen. We moeten onze kinderen bescher­men maar hen ook empoweren.

 

Met deze resolutie wil ik vanuit mijn fractie en als voorzitter van het comité alle collega's de hand reiken. Samen kunnen we stappen vooruit zetten, samen kunnen we zorgen voor actie. Laten we dat alstublieft ook doen, over alle partijgrenzen heen.

 

01.11  Vanessa Matz (cdH): Madame la présidente, madame la secrétaire d'État, chers collègues, je vous remercie pour votre présence et pour l'intérêt que vous portez à ces matières.

 

Comme d'autres collègues l'ont rappelé, on dénombre, ce 21 avril, 11 féminicides. On a enregistré, sur les lignes d'écoute des violences intrafamiliales, un tiers d'appels téléphoniques en plus en 2020 par rapport à 2019,  21 704 appels (soit, en moyenne, 60 appels en 24 heures) et 50 000 plaintes par an pour violences intrafamiliales. Il ne s'agit ici que de quelques chiffres pour illustrer la problématique qui nous occupe aujourd'hui, et ce depuis des semaines, des mois, voire des années.

 

J'ose espérer que ces longues discussions ne seront pas seulement des incantations. De nombreuses résolutions et déclarations ont déjà été faites par le passé. Mais reconnaissons qu'elles sont restées relativement sans suite. Ce n'est pas vous qui me démentirez, madame la secrétaire d'État, car, quand vous étiez députée, vous avez également dénoncé le manque d'actes concrets.

 

Si nous avons clairement senti un frémissement au travers de la déclaration gouvernementale que nous avons soutenue sur ce volet, il n'en reste pas moins que, comme Mme Jiroflée vient de le rappeler, des actes concrets doivent encore être traduits dans les faits. Si les plans et autres documents sont essentiels – ils doivent être élaborés, mis à jour, renouvelés –, leur concrétisation fait cruellement défaut. Mais pour que les trois P (Prévenir, Protéger, Punir) si chers aux organisations de femmes soit une réalité, il faut qu'à tous les étages de la maison Belgique, la lutte contre les violences intrafamiliales devienne une vraie priorité. En effet, une approche multidisciplinaire est fondamentale. Une approche globale est nécessaire et, comme on l'a dit à plusieurs reprises, il n'y a pas qu'une seule réponse qui peut être la solution. Chaque situation est particulière.

 

Quand on écoute les associations de femmes, on se rend compte qu'une situation n'est pas l'autre, que pour certaines un éloignement s'impose et pas pour d'autres. Il faut donc impérativement que les solutions préconisées soient apportées de manière individuelle.

 

Cette résolution, et j'en profite pour remercier l'ensemble des collègues qui ont travaillé sur ce texte, a le mérite de rassembler dans un document beaucoup de demandes. Je dis "beaucoup". Je tiens à souligner les points positifs primordiaux telle que l'approche multidisciplinaire. On sait que ce n'est pas facile avec des compétences éclatées entre les différents niveaux de pouvoir. Certes, il y a la CIM qui se réunit mais il n'est pas toujours aisé de coordonner le travail dans une approche sur le long terme mais également dans une approche globale.

 

Cette résolution prend en compte la situation des enfants. C'est très important.

 

Elle rappelle que le gouvernement s'est engagé à augmenter les centres de prise en charge multidisciplinaire. C'est un point essentiel quand on connaît ces centres et la manière dont ils travaillent. C'est une réponse capitale.

 

Elle s'engage à mettre en œuvre un suivi thérapeutique des auteurs parce que s'il faut punir, il faut aussi soigner. Pour nous, c'est primordial.

 

Elle s'engage également à réfléchir à la question de la comparution immédiate des auteurs. En Belgique, on constate que dans la plupart des cas de féminicides, des signaux d'alerte avaient déjà été émis, une intervention de la justice avait eu lieu ou même une non-intervention malgré des plaintes. On sait qu'il est essentiel de pouvoir rapidement répondre à des actes qui sont posés.

 

Un autre élément important pour nous et sur lequel nous avons déposé un texte, ce sont toutes les violences en ligne, notamment la violence sexuelle en ligne. Rappelez-vous que nous avons alerté très fort lors du premier confinement, dès le mois de mars! Nous avons plaidé pour que l'expérience pilote de la zone de Bruxelles puisse être étendue à l'ensemble des zones de police, à savoir le fait de reprendre contact avec les personnes qui ont porté plainte lors des trois mois précédents, le délai dont on parlait.

 

Il faut aussi souligner la réussite des Family justice centers qui sont développés en Flandre et qui sont une vraie plus-value parce qu'ils ont aussi une approche globale.

 

Je viens de vous citer ce qui était, selon moi, essentiel. Je veux ajouter que nous avions proposé d'améliorer le texte par quelques points. Malheureusement, ces points ont été rejetés. Je le regrette et je l'ai regretté lors de la dernière séance qui a vu le vote des amendements.

 

Je reconnais que ces points sont aussi la pierre angulaire de la lutte contre les violences. Je ne comprends toujours pas pourquoi nos amendements ont été rejetés. Nous en avons redéposé quatre. Il reste jusqu'à demain à la majorité pour se dire que tout compte fait, c'est une plus-value pour le texte. Très loin de nous les querelles politiques! Il ne s'agit pas de cela, mais d'améliorer le texte. 

 

Le premier amendement concerne le bracelet anti-rapprochement comme moyen effectif pour garantir l'éloignement. Nous proposons, dans la résolution, d'évaluer et de faire connaître cette loi qui est fondamentale. Mais il faut rendre cet éloignement effectif. Jamais, au grand jamais, nous n'avons dit que c'était la solution. J'ai commencé en disant qu'il y avait de multiples réponses à donner. Le bracelet anti-rapprochement est un des moyens d'assurer l'effectivité de l'éloignement de l'auteur. Pourquoi ne pas simplement se pencher sur cette question? Nous ne demandons pas que ce soit traduit tout de suite.

 

Le deuxième amendement consiste à systématiser le dépôt de plainte à l'hôpital, à l'instar de ce qui se fait dans les centres de prise en charge. Nous avons souligné que l'augmentation de ces centres devrait être importante. De nombreuses victimes nous ont parlé de la systématisation du dépôt de plainte. Nous ne l'avons pas inventé. Cela se fait en France. Après avoir fait constater des coups à l'hôpital, les victimes doivent retourner au commissariat pour raconter à nouveau l'histoire. Pourquoi ne pas tout de suite proposer cet accueil au niveau de l'hôpital? Dans un premier temps nous pourrions peut-être choisir quelques grands hôpitaux dans les Régions où il y a toujours des hôpitaux de référence, pour voir comment cela fonctionne. En effet, ce qui se passe souvent, c'est que les victimes, une fois qu'elles ont été à l'hôpital faire constater les coups et raconter l'histoire, rentrent chez elles et ne vont pas vers les bureaux de police, parce que c'est de nouveau dire la même chose. Pour elles, c'est très compliqué.

 

C'est pourquoi nous proposions d'étudier la systématisation du dépôt de plainte à l'hôpital.

 

Nous nous étions battues, avec vous, pour le fait de retéléphoner aux victimes afin de vérifier comment elles allaient pendant le confinement. Nous proposons que cette démarche soit pérennisée, sur la base d'une évaluation. Pourquoi la limiter en effet à la période de la pandémie, alors que nous savons que cette mesure fonctionne? Nous proposons également de recontacter les auteurs. Souvenez-vous, dans les résolutions précédentes que nous avons votées, nous avions inclus cette mesure. Il s'agit d'une demande du secteur associatif, afin de garder la pression sur ces auteurs en les faisant appeler par le service de police. Cela nous paraît très important.

 

Je regrette que le quatrième point que nous avions déposé, dont Mme Zanchetta a également parlé, ne soit pas traduit dans le texte. Il s'agit de la tolérance zéro. Vous me direz qu'il existe une circulaire. Nous savons qu'avec cette circulaire, 70 % des faits dénoncés sont classés sans suite. En région liégeoise, le procureur Bourguignon avait instauré cette tolérance zéro il y a quelque temps - vous êtes peut-être trop jeune pour vous en souvenir. Je me rappelle qu'elle avait expliqué que, pour chaque plainte, un document devait être établi et dirigé vers le parquet, qui décidait de la suite à donner. À l'époque, nous étions à 80 % de taux de classement sans suite et, grâce à la volonté du procureur Bourguignon, nous sommes tombés à 30 % en région liégeoise. Cela fonctionnait tellement bien que cela a été étendu à l'ensemble du royaume. Effectivement, cela demande des moyens. Mais je suppose que, vous et vos collègues, le savez.

 

Cette circulaire n'est pas assez appliquée, alors qu'elle est essentielle. Il suffit de se pencher sur les dossiers des deux derniers féminicides pour se rendre compte que les plaintes qui avaient été déposées auparavant auraient probablement reçu un traitement différent, notamment grâce à la grille d'évaluation de la dangerosité d'individus dont les parquets disposent, qui reprennent des éléments qui attirent l'attention tels que des coups de téléphone, du harcèlement, le bris d'un pare-brise de voiture, le fait de taper à la porte.

 

Je vous demande simplement de ne pas faire de politique sur des dossiers tels que celui-là: ce sont des choses très concrètes. Je ne ferai pas de politique sur ce genre de dossier. Ce serait indécent par rapport à ces milliers de femmes sous emprise soit physique soit psychique. Nous tenons à ces points parce que nous pensons qu'ils viennent parfaire le dispositif. Je ne doute pas une seconde que ces points-là vous tiennent aussi à cœur.

 

Ces points ne mangent pas de pain. Ils apportent un geste concret par rapport à ce que le premier ministre a rappelé à plusieurs reprises: la main tendue vers l'opposition. Je n'aime pas parler d'opposition dans ce cas-ci, car il ne s'agit pas de cela mais plutôt de construire quelque chose qui fasse sens. Selon moi, s'enfermer dans des jeux majorité-opposition, cela manque terriblement de respect et de considération pour les trop nombreuses victimes.

 

Je n'ai pas non plus envie que l'on s'autocongratule tous en disant que ce texte est miraculeux. Mme Jiroflée vient de le dire très judicieusement. Ce travail mené a été très important. Les auditions, les amendements déposés par chaque groupe, la synthèse réalisée sont évidemment des points importants. Mais s'il vous plaît, ne nous autocongratulons pas, car c'est une demande et surtout il faut des actions concrètes.

 

Je vous ai dit que, jamais, je ne poserais de label politique sur ce dossier, mais je ne renoncerai jamais pour un consensus mou qui manquerait d'ambition à l'égard de principes ou de demandes qui font sens. J'en ai sélectionné quatre pour lesquels nous avions beaucoup plus d'amen­dements que ce qui a été déposé. Ces quatre demandes-là font vraiment sens et viennent parfaire le texte déposé.

 

Beaucoup ont pris l'exemple de l'Espagne pour démontrer que le taux de féminicides avait fortement diminué depuis plusieurs années. Mais l'Espagne, c'est 400 millions d'euros de budget annuel dédicacé à la lutte contre les violences intrafamiliales, avec des accueils particuliers dans les commissariats, des tribunaux spécifiques traitant uniquement de cette problématique, des délais de 48 heures, des auteurs effectivement traduits devant la justice et avec un suivi thérapeutique, comme certaines associations le font en Belgique, mais de manière beaucoup plus soutenue. C'est cela l'Espagne!

 

D'autres ont dit que l'Espagne est égale au bracelet anti-rapprochement! Oui, en effet, c'est un de leurs dispositifs pour assurer l'éloignement et l'effectivité de la mesure d'éloignement.

 

Je voudrais vraiment qu'on puisse prendre exemple sur l'Espagne. Dédicacer des budgets, que ce soit la prévention, tout ce qui est évidemment répression et aussi la protection des victimes, ce sont les 3P qui sont essentiels à cette politique.

 

Albert Einstein disait que "là où il y a une volonté, il y a un chemin". Je ne doute pas que, personnellement, vous ayez une volonté. Je n'en doute pas. J'espère que vous aurez un chemin pour toutes ces victimes, qui sera un chemin plus serein, plus apaisant, plus protecteur. Un chemin qui sera fait d'actes concrets, prenant en considération des situations inhumaines et inacceptables pour les familles, principalement pour les femmes, nous le savons, mais également pour les enfants. Je compte vraiment sur vous pour qu'on puisse enfin prendre la Belgique en exemple: "Regardez, ils ont mis en place une vraie politique de lutte contre les violences faites aux femmes".

 

Je vous dirai que dans l'état actuel de la proposition de résolution, même si elle comporte évidemment beaucoup de choses, nous ne pourrons pas la soutenir en l'état si elle n'est pas complétée par certains éléments que nous proposons; parce que nous pensons qu'ils amènent vraiment quelque chose dans le débat.

 

01.12  Sophie Rohonyi (DéFI): Madame la présidente, madame la secrétaire d'État, ce texte est l'aboutissement de longs mois d'auditions menées au sein du comité pour l'émancipation sociale. Je tiens à remercier la collègue Jiroflée pour avoir garanti ce travail en dépit des contraintes sanitaires. Grâce à ces auditions, les associations, les magistrats, les avocats, les acteurs de terrain ont pu s'exprimer sur les moyens qui restent à déployer en Belgique en matière de lutte contre les violences intrafamiliales. Ces violences sont très difficiles à appréhender vu les différents niveaux de pouvoir qui doivent être activés mais aussi vu la diversité de ces violences. Il s'agit de violences physiques, sexuelles, économiques. Par conséquent, il est très difficile de pouvoir apporter des réponses pleinement efficaces.

 

Nous ne partions pas de rien pour appréhender ce problème endémique. Nous disposions par exemple des rapports accablants de l'ONU, de l'OMS, de nombreuses associations et ONG au sujet des violences intrafamiliales dans le monde. Ici, nous avons vraiment pu mettre le doigt sur ce qui manque particulièrement dans notre pays, au regard de nos spécificités, de la structure de notre État ou encore de notre culture juridique. C'est un travail de longue haleine, dense, riche d'enseignements quant aux mesures qui restent à mettre en œuvre pour lutter contre ce fléau sociétal, que nous avons entamé il y a plus d'un an, en janvier 2020. Plus d'un an plus tard, il y a cette crise sanitaire, économique et sociale qui est passé par-là et qui a rendu l'urgence de ces mesures plus criante que jamais.

 

On l'a vu récemment avec la décision du président turc Erdogan et d'autres pays comme la Pologne de se retirer de la convention d'Istanbul, convention qui constitue pourtant le premier instrument juridique contraignant dans le monde pour lutter contre les violences à l'égard des femmes mais aussi contre les violences domestiques – donc cela concerne aussi les enfants – en fournissant à chaque État une vraie feuille de route articulée autour de ce qu'on appelle les quatre P: les politiques intégrées, la prévention, la protection et le soutien et les poursuites. On l'a vu aussi avec ces onze féminicides déjà perpétrés cette année en Belgique, soit deux fois plus que l'année dernière à la même époque.

 

Ces chiffres ne doivent jamais nous faire oublier que derrière eux, il y a à chaque fois des femmes, des destins, des familles qui sont brisés à jamais.

 

Ces crimes ne doivent jamais non plus nous faire oublier qu'ils interviennent très souvent au bout d'une chaîne de violences qui sont souvent commises dans le cercle intime, à laquelle nous nous devons de mettre un terme avant qu'il ne soit trop tard.

 

Nous l'avons encore vu avec le rapport édifiant du Conseil bruxellois pour l'Égalité entre les femmes et les hommes, publié ce lundi et qui démontre, s'il le fallait encore, que les appels téléphoniques contre les violences conjugales, mais aussi les plaintes pour violence ont considérablement augmenté durant cette crise sanitaire.

 

Pour toutes ces raisons, je ne puis que me réjouir de l'avancée que représente cette proposition de résolution qui complète, du reste, celle que nous avions votée le 11 juin dernier et que ma collègue Vanessa Matz et moi-même avions déposée. Par ailleurs, le présent texte en reprend certains aspects, notamment la nécessité de recontacter les victimes qui ont déjà porté plainte, de faciliter le dépôt de plainte en ligne via la plate-forme police-on-web ou encore d'encourager les opérateurs télécom à supprimer toute trace d'appel des victimes vers les lignes d'écoute.

 

À côté de ces recommandations, on trouve énormément de nouvelles mesures. Comme le temps m'est compté, je ne pourrai pas toutes les aborder, mais j'aimerais revenir sur l'une d'entre elles en particulier: à savoir, la mise en place d'un système de collecte de données et de statistiques genrées. C'est vraiment indispensable, car on ne dira jamais assez que mesurer, c'est savoir. Il s'agit de déterminer des mesures qui soient ciblées et efficaces. Pour le moment, ce sont les associations et les médias qui accomplissent le travail de recensement des féminicides, et non la justice – qui enregistre le sexe des auteurs, mais pas celui des victimes. Ce faisant, on invisibilise un phénomène. Ce n'est plus acceptable.

 

Toutefois, à côté de ces nombreuses mesures dont j'ai rappelé la nécessité, je me dois de regretter que certains aspects fondamentaux de la question des violences intrafamiliales aient été ignorés sans aucune justification pertinente. Je ne puis en effet concevoir qu'appartenir à l'opposition puisse en constituer la justification. Mme Matz a rappelé encore tout à l'heure que ce sujet est tellement grave qu'il nous impose de dépasser les clivages politiques.

 

Premièrement, nous savons à quel point il peut être difficile et dangereux d'appeler à l'aide en présence de la personne que l'on a aimée, mais qui, désormais, nous détruit à petit feu. Par conséquent, je ne comprends pas pour quelle raison l'amendement que nous avions présenté et qui visait à rendre les lignes d'écoute accessibles par sms et par chat a été rejeté. Non seulement cette mesure permettrait de soulager ces lignes d'appel, qui sont saturées et prises en charge par un personnel en sous-effectif, mais elle encouragerait de surcroît certaines victimes à dénoncer bien plus discrètement les violences dont elles sont la cible et donc à le faire sans crainte de représailles ou d'actes de violence plus graves encore – tant pour elles-mêmes que pour leurs enfants.

 

Toujours en ce qui concerne les lignes d'appel, j'avais également déposé un amendement qui prévoyait la possibilité d'un chat en ligne pour la ligne Écoute-Enfants. Il a aussi été rejeté. Une mise de côté d'autant plus incompréhensible que cette demande était contenue dans la résolution que nous avions votée en juin dernier. Le gouvernement reste aujourd'hui en défaut de concrétiser cette demande. Il s'agissait là finalement d'une piqûre de rappel utile pour veiller à la protection des enfants qui sont des victimes à part entière des violences intrafamiliales, comme le reconnaît d'ailleurs, en son début, le texte de la proposition de résolution. Ces enfants doivent, pour leur intégrité physique et morale, mais aussi pour leur bon développement, être impérativement protégés.

 

En ce qui concerne les personnes vulnérables, notre amendement visait à tenir compte du genre dans les motifs de persécution contenus dans les demandes de protection internationale. Il a lui aussi été écarté. Alors oui, la proposition de résolution telle qu'elle a été votée au sein du comité contient une demande d'amélioration de la prise en considération des violences intrafamiliales pour les femmes en séjour irrégulier qui sont engagées dans un processus de regroupement familial ou encore de demande de protection internationale, mais cela reste malgré tout insuffisant. En effet, rédigée comme telle, cette demande ne permet pas de tenir compte des personnes qui sont violentées en raison de leur genre, en particulier les jeunes filles.

 

Je regrette également que la possibilité de mettre en place un dispositif anti-rapprochement ait elle aussi été rejetée. Il ne s'agissait pas ici de s'engager dans cette voie et donc de mettre ce dispositif anti-rapprochement en place, mais simplement de rester ouverts aux travaux constructifs que nous avons eus à cet égard en commission de la Justice, mais aussi au sein du groupe de travail technique que cette commission de la Justice a justement institué dans ce but.

 

Je me dois enfin de déplore la réserve qui a été émise sur les précisions qui entourent la sensibilisation des enfants et des jeunes dans les écoles. Si la proposition de résolution d'aujourd'hui contient cette nécessité de sensibiliser les jeunes, elle ne précise en rien les contours minimaux de cette sensibilisation. Il me semble pourtant d'une importance capitale d'aborder certaines théma­tiques incontournables comme la question du consentement, de l'égalité entre les filles et les garçons ou encore de la déconstruction des stéréotypes, et ce dès le plus jeune âge.

 

Pour toutes ces raisons, j'ai redéposé certains de ces amendements, ceux qui n'ont pas pu être pris en considération au sein du comité.

 

J'ose espérer que vous comprendrez, chers collègues, que ces amendements ne visent qu'à parfaire et à compléter cette proposition de résolution qui gagnerait ainsi tant en lisibilité qu'en efficacité, en comprenant d'autres dispositifs à mettre en place et en tenant compte de la diversité des victimes à protéger. Le but que nous devons toutes et tous poursuivre, en tant qu'élus de la nation, est de faire en sorte que chaque victime, quels que soient son vécu, son statut, son genre, son orientation sexuelle ou encore sa situation économique, ait à sa disposition tous les outils concrets et efficaces à même de lui assurer sa protection.

 

Ce texte est l'aboutissement d'un long travail parlementaire, mais aussi une impulsion pour le travail qui reste à réaliser par le gouvernement. Plus personne ne nie aujourd'hui que cette lutte contre les violences intrafamiliales est une priorité, mais il est temps de la concrétiser par des actes. Je tiens d'ailleurs à vous assurer, madame la secrétaire d'État et les membres de votre gouvernement, notre plein et entier soutien dans la mise en œuvre des demandes contenues dans cette résolution, mais aussi dans l'élaboration du plan d'action national de lutte contre les violences faites aux femmes, que vous avez déjà annoncé. Il en est de même des associations, des avocats, des médecins qui viennent en aide chaque jour aux victimes. Par notre vote demain, nous leur adressons à nouveau le signal selon lequel nous les accompagnons dans leur difficile mais indispensable mission, pour que chaque victime puisse être écoutée, aidée et protégée, et pour que chaque victime puisse ainsi vivre et se reconstruire. Je vous remercie.

 

La présidente: Quelqu'un demande-t-il encore la parole? (Non)

Vraagt nog iemand het woord? (Nee)

 

La discussion est close.

De bespreking is gesloten.

 

*  *  *  *  *

Amendements déposés:

Ingediende amendementen:

 

Demande 6/Verzoek 6

  • 6 – Sophie Rohonyi cs (1844/3)

Demande 12/Verzoek 12

  • 2 – Vanessa Matz (1844/3)

Demande 13/1(n)/Verzoek 13/1(n)

  • 7 Sophie Rohonyi cs (1844/3)

Demande 14/Verzoek 14

  • 1 – Kathleen Bury (1844/3)

Demande 20/Verzoek 20

  • 8 – Sophie Rohonyi cs (1844/3)

Demande 22/Verzoek 22

  • 3 – Vanessa Matz (1844/3)

Demande 24/Verzoek 24

  • 4 – Vanessa Matz (1844/3)

Demande 36(n)/Verzoek 36(n)

  • 5 – Vanessa Matz (1844/3)

*  *  *  *  *

Le vote sur les amendements est réservé.

De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

 

Le vote sur les amendements réservés et sur l’ensemble de la proposition aura lieu ultérieurement.

De stemming over de aangehouden amendementen en over het geheel van het voorstel zal later plaatsvinden.

 

Je vous remercie pour votre participation et le débat serein qui a pu se dérouler sur un sujet extrêmement grave et important.

 

La séance est levée. Prochaine séance le jeudi 22 avril 2021 à 14 h 15.

De vergadering wordt gesloten. Volgende vergadering donderdag 21 april 2021 om 14.15 uur.

 

La séance est levée à 16 h 35.

De vergadering wordt gesloten om 16.35 uur.

 

 

L'annexe est reprise dans une brochure séparée, portant le numéro CRIV 55 PLEN 098 annexe.

 

De bijlage is opgenomen in een aparte brochure met nummer CRIV 55 PLEN 098 bijlage.